De onthaasting van Europa

Het panische Europa dat deze dagen vorm krijgt stemt onbehagelijk. Wat overheerst is het beeld van een Europese Unie, die zichzelf langzaam maar zeker in een zelf gecreëerde fuik verstrikt. De ene deadline tuimelt over de andere: eerst een verdrag, straks de munt en dan de uitbreiding. Niemand weet hoe deze drieslag tot een goed einde moet worden gebracht, want bij de eerste stap gaat het eigenlijk al mis.

De toegevoegde waarde van Amsterdam zal bescheiden zijn, wat voor sommigen een reden is voor desillusie. Toch is de ontnuchtering van de Europese Unie in beginsel niet zo slecht. In zijn studie Een grenzenloze illusie? heeft de Britse historicus Tony Judt de mythe van de Europese Unie ontrafeld: “het idee dat de Europese Gemeenschap de kern blijft van een groter, pan-Europees perspectief op de toekomst. Zonder die mythe zouden alle middelen waarmee dit 'Europa' tot stand is gekomen, niet meer zijn dan even zovele praktische oplossingen voor specifieke problemen”. Op alle beleid in de Unie straalt nu de glans van hogere morele doeleinden. Elk besluit is plaatsvervangend voor het grote geheel, doel en middelen vallen samen.

Deze evolutionaire uitleg, waarbij toevallige oplossingen, zoals het gemeenschappelijke landbouwbeleid, worden ingevoegd in een groot verhaal over een eenwording van Europa, is niet vol te houden. Europa stevent niet af op een eenheid die een halve eeuw geleden is geformuleerd, maar is vooralsnog een gemeenschappelijke markt en een routine van overleg en compromisvorming. Judt spreekt met enig recht over de “steeds hoogdravender en anachronistischer verklaring van de aard en doelstellingen van de Europese Unie”.

In Amsterdam zullen veel woorden worden besteed aan de problemen waarvan men vermoedt dat ze de burger na aan het hart liggen, zoals de werkloosheid en de criminaliteit. Europa dichterbij de kiezer? Laten we eens beginnen met Europa dichterbij de gekozenen te brengen. Van de honderdvijftig parlementariërs zijn er naar schatting niet meer dan vijftien die een notie hebben van het Verdrag van Maastricht. Navraag leerde me dat zelfs de fractievoorzitter van een grote partij - een groot voorstander van stemmen bij meerderheid in de Unie - geen idee had hoeveel stemmen Nederland heeft (hij dacht tien, het zijn er vijf).

Hij is niet de enige. Weinigen zullen weten wat een gekwalificeerde meerderheid in de Europese Raad is (62 van de 87 stemmen). De instituties zijn zo complex, de regels zo byzantijns, dat zelfs degenen die van de politiek hun dagelijks werk hebben gemaakt alle overzicht hebben verloren, als ze al geïnteresseerd zijn in het onderwerp. Laatst zag ik een notitie uit het parlement waarin gewag werd gemaakt van bijna twintig verschillende besluitvormingsprocedures in de Unie. De kans is groot dat een Verdrag van Amsterdam meer ondoorzichtigheid en dus minder democratie zal creëren.

Deze lappendeken van regels wordt veroorzaakt door het ontbreken van overeenstemming over de nagestreefde ordening in Europa. Zo'n overeenstemming zal er ook niet komen. De opvattingen lopen te ver uiteen, zeker als de Unie verder groeit tot vijfentwintig of meer leden. Dat laatste is overigens niet doorslaggevend, want ook in het Europa van de Zes bestonden diepe controverses over het al dan niet federale karakter van een toekomstige Unie. De ondoorzichtigheid ontstaat ook doordat men met de middelen van de geheime diplomatie die voor verdragen tussen staten geldt, een grondwet voor Europa in elkaar knutselt.

De paniek die zich nu van de Unie meester maakt, moet worden weersproken. Het lijkt te veel op: Indië verloren, rampspoed geboren. Kijk maar naar de voorgenomen introductie van de euro. Gaat er werkelijk zoveel verloren bij een uitstel? Her en der wordt tamelijk onbestemd gesproken over 'een einde van de integratie' of 'financiële chaos'. Maar dat is niet meer dan chantage. De hele geschiedenis van de integratie is er één van twee stappen vooruit, een stap terug, een halve opzij. André Szász, de voormalige directeur van de Nederlandse Bank die nauw betrokken was bij de totstandkoming van 'Maastricht', heeft gelijk: “Beginnen zonder toereikende economische en politieke basis houdt een grote kans op mislukking in. Mislukken is schadelijker dan niet beginnen”.

Er wordt nu dubbel spel gespeeld door politici en bankiers. Iemand als Duisenberg is in het openbaar voor strikte handhaving van de criteria, maar binnenskamers zou hij met een versoepeling rekenen, die verder gaat dan enkele tienden van procenten. De meeste schattingen gaan uit van een begrotingstekort in Frankrijk en Duitsland van tussen de 3,5 en 4,5 procent in 1997 en 1998. Natuurlijk kan men daar met kunstgrepen nog enige correctie in aanbrengen, maar dat vergroot het vertrouwen over en weer niet.

Alles wordt gerechtvaardigd met het motto: uitstel is afstel. Als uitstel straks onvermijdelijk blijkt, zal men hele andere geluiden horen. Ook Kok weet dat een lossere uitleg van de criteria nodig is, wil de EMU op tijd beginnen met voldoende landen. Misschien is zo'n interpretatie van de verdragen te rechtvaardigen, maar dan moet niet voortdurend tegen beter weten in herhaald worden dat 3 procent 3 procent is. De verantwoordelijkheid die politici nu nemen om op deze manier één munt tot stand te brengen kan straks een uitnodiging blijken tot wrok en populisme. De munt wordt geslagen uit misleiding.

De lotsgemeenschap die de muntunie wil zijn veronderstelt het verder naar elkaar toegroeien van de economieën en vooral een duurzaam vertrouwen tussen Noord en Zuid in Europa. Hoe precair die verhouding is blijkt wel uit de locatie van de Europese hoofdsteden en de plaatsen waar de verdragen tot stand komen. Deze liggen zonder uitzondering in de Noord-Westelijke hoek van het continent: Brussel, Straatsburg, Luxemburg, Den Haag, Maastricht, Amsterdam, Frankfurt, Schengen. Het Verdrag van Rome ligt ver achter ons. Voordat het onderlinge vertrouwen werkelijk alle windrichtingen van Europa omvat, is tijd nodig. Een muntunie die het zuiden buitensluit helpt daarbij niet.

Tijd is ook nodig voor het vinden van een evenwichtige aanpassing van verzorgingsstaten aan de eisen van de wereldmarkt. Dat daarmee een gevoelig punt is geraakt, zou men kunnen leren uit de recente overwinningen van sociaal-democratische partijen; electorale successen die verder weinig innerlijke samenhang vertonen. In ieder geval is het marktdenken over zijn hoogtepunt heen, wat nog niet wil zeggen dat het marktdoen op zijn retour is.

Ook de sociaal-democratische partijen beschikken niet over een beeld van een Europa, dat meer is dan een markt alleen. Ze hebben de macht, maar wat nu? Het is zoals de Luxemburgse premier Juncker zegt: “In Maastricht deden we alsof het sociale Europa een grote sprong voorwaarts zou maken, terwijl het sociale hoofdstuk zwak was”. Zijn verwachting is dat het in een nieuw verdrag niet veel beter zal worden. Maar let op: opnieuw zal gerept worden over een grote sprong voorwaarts.

Hoge doelen worden niet gediend door halve waarheden. Of het mogelijk is om nog een compromis te vinden tussen de dwang van wereldomspannende wedijver en de eisen van de democratische gemeenschap blijft twijfelachtig.

Wat van het vermaledijde poldermodel geleerd kan worden, is dat aanpassing tijd nodig heeft en alleen slaagt als het een uiting is van zelfbeschikkingsrecht. Het klinkt paradoxaal, want aanpassing betekent toch een verlies aan soevereiniteit? Moeten we ons niet voegen naar een wereld die we heel beperkt kunnen beïnvloeden? Toch ligt juist in een zelfgewilde aanpassing de enige mogelijkheid voor kleinere, maar ook voor grotere landen.

Aanpassingen zijn onontkoombaar, maar hoe worden die gerechtvaardigd? Stel dat de WAO-crisis in Nederland onder het beslag van de muntunie had gestaan, hoe zou het dan zijn afgelopen? Het hele spel van geven en nemen, van voorstellen en protest, zou geblokkeerd zijn geraakt. Uiteindelijk kwam er een oplossing op basis van een eigen diagnose: het aantal arbeidsongeschikten is in financieel èn sociaal opzicht onverantwoord hoog. Geen rol in het debat speelde een van buiten opgelegde dwang om de sociale zekerheid aan te passen aan de vereisten van de monetaire unie. De Nederlandse econoom Willem Buiter denkt dat het leggen van zo'n directe samenhang tussen bezuinigingen en muntunie “het gehele Europese integratieproces zou kunnen (doen) ontsporen”.

Het gevaar is dat onzekere regeringen gaan schuilen achter de muntunie. We leven in een tijd van omvangrijke en structurele werkloosheid, die wat de aantallen betreft niet onderdoet voor de crisisjaren: in Frankrijk 13 procent en in Duitsland nog hoger: 14 procent, met in het oosten ongeveer 20 procent. Onder zulke omstandigheden een geforceerde bezuiniging in een te korte tijd verwerkelijken, zal tot wanorde en crisis leiden binnen de muntunie als die eenmaal van start is gegaan. En niemand gelooft dat stabiliteit in een land afgedwongen kan worden via sancties door Europese instellingen. Het geheim van de Europese Unie is zelfbinding. Anders zal het ongeduld van nu straks tot onrust leiden.

Er is tijd nodig, te meer omdat er voor paniek geen directe aanleiding is, behalve misschien bij degenen die zich aan 'Europa' vastklampen als de laatste utopie van deze eeuw. We hebben meer wijsheid nodig zoals de Hongaarse schrijver Konrád die in zijn nieuwe bundel De oude brug laat zien: “Europa als ideologisch begrip ontkomt niet aan het verschijnsel dat ideologieën steeds sneller verouderen. Europa is geen utopie, maar geschiedenis, een drama met een open einde”. Ook hij is de 'grenzenloze illusie' allang voorbij.