Dag meneer

“Hallo?”

“Ja, dag meneer, u belt met mijn autotelefoon.”

“Oh. Kan zijn, ja.”

“Nee, dat is zeker. Ik bel namelijk met mijn eigen nummer. Waar bent u nu?”

“In Amsterdam.”

“Dat hebt u snel gedaan. Beseft u hoeveel schade ik heb, als we die ingeslagen ruit erbij tellen?”

“Daar weet ik niks van. Ik heb 'm van een paar jongetjes gekocht.”

“Waarom hebt u mijn jas eigenlijk ook niet meegenomen, of de radio?”

“Geen tijd voor. En het ging me om de telefoon.”

“Maar u hebt er niks aan. U kunt 'm niet gebruiken...”

“Jawel hoor, ik zet er een nieuwe kaart in en dan kan ik 'm gewoon gebruiken.”

“Ik heb de PTT gevraagd dit nummer op te heffen en hij werkt bovendien op een pincode, dus u hebt er niks aan. Voor hoeveel hebt u 'm gekocht van die jongetjes?”

“Paar tientjes.”

“Dat zijn dan een paar tientjes te veel. U kunt 'm zo in de gracht gooien. Maar mij heeft dat ding een hoop geld gekost en dat gaat het me weer kosten. Kan ik 'm niet van u terugkopen?”

“Tuurlijk.”

“Hoeveel wilt u er voor hebben dan?”

“Eh...vierhonderd gulden.”

“Meneer! U denkt toch niet dat ik gek ben? Dat ding is mijn eigen bezit, u steelt 't, maar u kunt er niks mee, en dan zal ik er toch nog vierhonderd gulden voor moeten betalen om het terug te krijgen. Dan beloon ik u wel erg vorstelijk voor diefstal, vindt u niet?”

“Ja, nou, dan moet u het zelf maar weten.”