Buurvrouw gaat springen

“Lul.”

“Trut.”

“Ik haat je.”

“Ik jou.”

“Slaap lekker.”

“Zal wel lukken.”

Opa had nog zó gezegd: jongen, ga nooit slapen vóórdat je het met je geliefde hebt bijgelegd. Maar ik ben moe, verlang naar slaap. En volgens mij zij ook.

Net als ik wankel langs de afgrond van mijn bewustzijn breekt bij buurvrouw op links-vier de pleuris uit. Het begint met het bekende breekwerk, daarna herken ik haar stem en al vrij snel herkent de hele buurt haar stem. Buuf en haar partner wekken de indruk deze oorlog niet te gaan overleven. Ik zit rechtop in bed en fluister. “Schatje, ben je wakker?” Een wat knorrig geluid geeft aan dat geliefde weliswaar wakker is, maar allerminst van plan onze ruzie bij te leggen.

Op dat moment worden we opgeschrikt door een paar oorverdovende knallen. Buurvrouw staat in het trapgat en smijt haar vluchtende minnaar zwaar materiaal achterna.

“Je komt er nooit meer in, klootzak”, schreeuwt ze. En ze schreeuwt nog veel meer en nog veel erger dingen, tot ze hees en leeg is en de deur achter zich dichttrekt.

Niet veel later heeft buurvrouws minnaar zich op straat opgesteld en roept haar naam op zeurende, maar toch zeer dwingende toon. Zo'n vijftien meter boven hem staat buuf voor het open raam - haar stem galmt door de lege straat: “Ik ga springen, weet je?! Ik spring gewoon het raam uit.”

Wat krijgen we nou? Eerst je minnaar eruit gooien en hem vervolgens onder druk zetten met een aangekondigde zelfmoord? Buurvrouw moet wel heel erg in de war zijn.

Ik klim uit bed en schuif het raam omhoog, zachtjes, want ik wil het verloop van het drama niet beïnvloeden.

Uit mijn ooghoeken zie ik hoe buurvrouw dwars in de vensterbank ligt, met één been over de rand. Ze maakt een dronken indruk en er hangt een hele grote sigaret in haar mond. Beneden staat hij - in een klassieke pose van onmacht. Twee politiewagens draaien de hoek om en parkeren voor de deur.

“Oh ja”, schampert buurvrouw nu. “Haal er de politie maar bij, alsof dát wat helpt. Springen doe ik toch, níemand houdt me tegen.”

Beneden wordt door de politie druk overlegd en het lijkt erop dat de enige vrouwelijke agent de onderhandelingen zal gaan voeren. Kordaat loopt ze naar de voordeur en even later gaat in mijn huis de bel. Nadat ze zich, door de intercom, uitgebreid heeft geëxcuseerd, vat de agente de situatie samen en zet haar strategie uiteen. Of ze boven mag komen?

Snel raap ik wat kledingstukken bij elkaar en geef een ruk aan het donsbed.

“Liefje, wakker worden. We krijgen bezoek.”

“Huh, wat”, bromt ze slaapdronken. “Waar haal je het lef vandaan, klootzak!? Laat me slapen.”

Geliefde wil natuurlijk ónze ruzie voortzetten - alle begrip voor -, maar als er plots een agente in de slaapkamer staat, met nota bene een échte walkie-talkie, beseft ze dat er voorlopig belangrijker zaken op het spel staan.

In de keuken zet ik koffie.

De onderhandelingen verlopen niet vlot en de agenten komen per toerbeurt naar boven. Allemaal proberen ze in hun eigen stijl de buurvrouw op andere gedachten te brengen: de jonge agente op samenzweerderige vrouwen-onder-elkaar toon, het stoere agentje als troostende vrouwenkenner en de oudste in de rol van vaderfiguur. Maar buurvrouw is niet van plan zich 'naar binnen' te laten praten. “Ik ga springen”, waarschuwt ze nog steeds, hoewel het minder overtuigend klinkt. Misschien is zij ook een beetje moe geworden. Haar ex-minnaar heeft het al opgegeven en is er op z'n fiets vandoor. De hufter, vinden wij allemaal, want inmiddels is gebleken dat hij buurvrouw vannacht de bons heeft gegeven. Zij heeft hém er dan wel hardhandig uitgezet, maar dat was een daad van kansarme bluf. Staan wij ons daar uit te sloven terwijl hij misschien al op één oor ligt.

Het is een paar uur later als de oudste agent de aftocht blaast. Buurvrouw blijkt voor geen rede vatbaar en haar voordeur openbreken is evenmin een optie omdat ze dan wellicht van schrik uit het raam valt. In het vroege ochtendlicht rijden de twee politiewagens de straat uit.

Ik ruim de koffiekopjes op, leeg de asbakken en kruip naast geliefde in bed.

“Hoe zit dat nou met ónze ruzie?” vraag ik haar.

“Kan dat tot morgen wachten?”

“Nou, vooruit.”

Even later hoor ik gesnurk. Het komt van buiten! Van buurvrouw! Die balanceert nog in haar vensterbank! Het zal toch niet zo zijn dat we de hele nacht in de weer zijn geweest met buurvrouw, die vervolgens door slaap overmand tegen het asfalt te pletter slaat?! Ik moet actie ondernemen, iets langwerpigs heb ik nodig waarmee ik buuf vanuit mijn raam haar appartement 'binnen kan slaan'.

In de haast is het 't stevige uiteinde van de stofzuigerslang geworden. Voorzichtig breng ik het geval langs de buitenmuur tot bij het open raam van buurvrouw, wacht tot ik 'm onder controle heb en geef dan een welgemikte, harde tik tegen haar schouder. Buurvrouw komt in beweging, helt eerst naar links, de goede kant op, daarna naar rechts, richting straatkant. Ik sla buurvrouw nog een keer, maar nu harder. Gelukkig: ditmaal kiepert buurvrouw naar binnen. Ze maakt een smak, kreunt even, maar snel daarna daarna hoor ik haar weer tevreden snurken.