Britse popscene is vooral heel divers

Concert: London Calling-festival. Gehoord: 6 en 7/6 Paradiso, Amsterdam.

Kwam het door het zonnige weer of nog de feeststemming over de overwinning van Labour? Veel van de zeventien Britse popgroepen op het tiende London Calling-festival kwamen over als uitgelaten schooljongens, vrolijk en onbezorgd.

De een was wat ondeugender dan de andere. Zo had de zanger van Gold Blade zijn gulp wijd open. Met opzet waarschijnlijk, want het optreden van de groep was komisch bedoeld, een satirische mengeling van punk en gospel, waarbij de leden elkaar 'brother' noemden en clichématige rock & roll-poses parodieerden. Na een enerverend begin werd de grap al snel flauw en kon de muziek, een weinig oorspronkelijk eerbetoon aan de jaren zeventig-punkgroep The Clash, evenmin nog boeien.

Ook de andere bands op het festival, dat bedoeld is om Nederland met jong Brits talent te laten kennismaken, deden hun uiterste best om de toeschouwers te vermaken. Het elfkoppige My Life Story was het meest spectaculair, met vier blazers en een onstuimig strijkkwartet, dat aan het eind een orkaan van glitterconfetti over zich heen kreeg. De tot in de puntjes verzorgde, uitbundige pop van My Life Story klonk perfect, maar zanger Jake Shillingford, gehuld in een glimmend goudpak, werkte met zijn galmende zang en grote gebaren erg op de zenuwen.

Tekenend voor de diversiteit van het festival was dat voorafgaand aan My Life Story een Ierse groep optrad die in alles tegenovergesteld was. The Driven speelde met ernstige gezichten harde, stoere rock, even degelijk en voorspelbaar als hun vale spijkerbroeken. Op hetzelfde podium stond een uurtje daarvoor weer iets geheel anders: het Schotse The Karelia, dat in keurige pakken bescheiden jazzy pop speelde, die het best tot zijn recht komt als achtergrondmuziek in een café.

Het aardige van London Calling is dat er groepen te zien zijn die in de Engelse popbladen tot nieuwe sensaties zijn uitgeroepen, vaak nog voordat er een cd van ze uit is. De meeste vielen deze keer nogal tegen. Zo brachten de opgewekte Schotse groepen Travis en Supernaturals prima popliedjes, die echter wel wat erg braaf waren.

De constant lachende zanger van Travis waarschuwde dat meisjes soms jonger zijn dan ze lijken: voor je het weet overtreed je de wet die seks met minderjarigen verbiedt. Met pretogen zongen de Supernaturals even daarna het liedje Lazy Lover, over masturbatie - en ook tijdens de rest van het optreden hadden ze zelf meer lol dan het publiek, dat bevreemd toekeek hoe mooie gevoelige nummers als Love Has Passed Away grappend werden gespeeld. Van zulke vrijblijvendheid was geen sprake bij het Engelse viertal Three Colours Red, dat overtuigde met bevlogen, harde maar melodieuze muziek.

De enige echte sensatie van het festival was Hurricane #1, de nieuwe groep van gitarist Andy Bell (ex-Ride). De groep speelde krachtige, melodieuze pop van een overweldigende kwaliteit, schatplichtig aan de halve Britse popgeschiedenis - met name John Lennon en Oasis - maar toch uit duizenden herkenbaar.

Hurricane #1 heeft alles wat de echt grote popgroepen onderscheidt van de rest: charisma, bezieling, een bijzondere zanger (de Schot Alex Lowe) en songs met een imponerende vanzelfsprekendheid - zoals de schitterende single Step Into My World, slechts een van de hoogtepunten. De bescheiden maar zelfverzekerd overkomende band klonk veel te groot voor het kleine bovenzaaltje van Paradiso; het is een kwestie van tijd voor ze te horen is in stadions en op grote popfestivals. De paar honderd man die in het zaaltje pasten, hadden geluk dat ze het meemaakten.