Zijlstra's gram

Jelle Zijlstra, het financiële geweten van Nederland, spreekt van “de Duitse zondeval”. Tot zijn afgrijzen dreigde Duitsland plotseling alle monetaire deugd overboord te gooien met het plan om de herwaardering van de goudreserves van de Bundesbank te gebruiken om het begrotingstekort dit jaar onder de toelatingsnorm voor de EMU, de Economische en MOnetaire Unie, te brengen.

“Wat er ook beweerd werd door de Duitse autoriteiten, deze operatie is afgedwongen geldschepping door de politiek”, stelt Zijlstra vast. Dat is een monetaire doodzonde voor centrale banken die prijsstabiliteit als hoogste doel nastreven en Zijlstra had dan ook het volste begrip voor de harde afwijzing van het goudplan door de Bundesbank.

“De plaats van Duitsland in de monetaire wereld was altijd omgeven met een goudglans”, aldus Zijlstra. “Alle andere landen wilden zich optrekken aan de reputatie van de Bundesbank. Duitsland had een gouden kroon op zijn hoofd.” En nu dreigde die reputatie verspeeld te worden. “De vrouw van Caesar kan maar één keer haar deugd verliezen”, zegt hij. “Het gaat om alles waar de Bundesbank voor staat en waar ze zich altijd tegen heeft verweerd. Het is ongehoord, als een vreselijke snee in het gezicht die nooit meer ongedaan valt te maken.”

Deze week werd de hoogopgelopen ruzie tussen minister van financiën Waigel en bondskanselier Kohl in Bonn en president Tietmeyer van de centrale bank in Frankfurt bijgelegd. Tietmeyer kreeg zijn zin en onderstreepte daarmee dat zelfs de Duitse regering zich niet ongestraft aan het oordeel van de Bundesbank kan onttrekken.

De herwaardering van de goudreserves vormt een onderdeel van de aanpassingen die de Europese centrale banken moeten treffen ter voorbereiding op de EMU. Alle centrale banken beschikken over goud en deviezen die dienen als fundament voor de hardheid van een munt en als buffer om eventuele betalingsbalans- of valutaproblemen te kunnen opvangen. Maar als er straks een euro is, vallen deze functies weg omdat de nationale deviezen gedeeltelijk worden ondergebracht bij de Europese Centrale Bank. Bovendien hanteren de centrale banken nu nog uiteenlopende waarderingen voor hun goud en deviezen - en dat moet worden geharmoniseerd.

Duitsland is traditioneel zeer terughoudend in de waardering van zijn goudreserves, ver onder de marktprijs. Ook Nederland hanteert een voorzichtige koers, in tegenstelling tot Italië, België en Frankrijk, landen die voor hun reserves een goudprijs aanhouden die boven de huidige marktwaarde ligt.

Als de goudreserves opnieuw gewaardeerd worden, doet zich een verschuiving voor op de balans van de centrale bank. Wat aan de debet-kant wordt toegevoegd, moet aan de credit-kant gecompenseerd worden met een post om de balans weer in evenwicht te brengen. Essentieel is wat er met deze post gebeurt.

In Duitsland wilde de regering deze kredietpost gebruiken voor een extra winstafdracht van de Bundesbank aan een fonds voor de Duitse hereniging. Hierdoor zou minder begrotingsgeld in dit fonds gestort hoeven te worden en op die manier zou het begrotingstekort voor dit jaar beperkt kunnen worden. Het tekort van 1997 is beslissend voor toelating tot de EMU.

In het compromis dat deze week is bereikt, hebben de regering en de centrale bank afgesproken dat de herwaardering van de goudreserves wel dit jaar zal plaatsvinden, maar de winstafdracht pas volgend jaar. Formeel manipuleert Duitsland dan niet met de toelatingscriteria, maar dat is schijn. Want het verdrag van Maastricht stelt dat ook naar de duurzaamheid van het begrotingscriterium wordt gekeken. Met andere woorden: ook naar de verwachting van het tekort in 1998.

Volgens Zijlstra is er een duidelijke reden om deze vorm van balansmanipulatie zo snel mogelijk toe te passen. “De truc moet nu gebeuren, want na 1999 mag het niet meer”, zegt hij. Want als de EMU in 1999 eenmaal van start is gegaan, is geldschepping volgens het verdrag van Maastricht verboden.

Met gepaste trots brengt Zijlstra in herinnering dat in Nederland een dergelijke aanwending van de herwaardering van de goud- en deviezenreserves van de centrale bank onmogelijk is. Toen Zijlstra president van De Nederlandsche Bank was, heeft hij midden jaren zeventig met de minister van financiën uit het kabinet-Den Uyl, Duisenberg, een regeling afgesproken om op de balans van de centrale bank een post 'waarderingsverschillen' op te nemen. Het was de tijd van de stijgende goudprijzen en Zijlstra vreesde dat politiek Den Haag de waardestijging van de reserves van de centrale bank naar zich toe zou willen halen. Door de afspraak met Duisenberg werd dit voorkomen.

“Het was de grendel op de deur”, zegt Zijlstra tevreden terugkijkend. Hierdoor kon in Nederland nooit gebeuren wat zich nu in Duitsland dreigt af te spelen.

Ook toen De Nederlandsche Bank in 1992 en in 1996 een deel van de nationale goudvoorraad verkocht, is de opbrengst niet naar de staat gegaan. De deviezen die met de verkoop werden verdiend, werden aan de reserves van de centrale bank toegevoegd en de gerealiseerde boekwinst werd ondergebracht op de rekening waarderingsverschillen, veilig buiten bereik van de gretige handen van de politiek. Alleen de extra rente-opbrengst van de deviezen vloeit via de winstafdracht van De Nederlandsche Bank naar de schatkist. Zijlstra: “Duisenberg heeft als president van De Nederlandsche Bank voortreffelijk voltooid wat hij als minister van financiën met mij heeft afgesproken.”