Viridiana

Viridiana (Luis Buñuel, 1961, Spanje/Mexico), Zondag, Ned.3, 22.21-23.53u.

Alleen al de twee half ontblote borsten van een non in spe waren anno 1961 waarschijnlijk genoeg geweest voor een rel. Maar Viridiana, de eerste film die Luis Buñuel in franquistisch Spanje opnam na 23 jaar ballingschap, had meer controversieels te bieden: een verhanging (aan een springtouw met penisvormige handvatten), twee aanrandingen, een parodie op het Laatste Avondmaal (met afzichtelijke bedelaars), en een scala aan nauwelijks verhulde erotische symbolen, waarvan het moeizaam melken van een koe door de blonde novice wel de opvallendste was.

Geen wonder dat Viridiana na de première in Cannes - de film won als de officiële Spaanse inzending een gedeelde Gouden Palm - door het Vaticaan werd verketterd. En ook de Spaanse autoriteiten waren furieus: zij hadden het zo druk gehad met het in de armen sluiten van de verloren zoon Buñuel dat ze vergeten waren zijn nieuwe film vooraf te bekijken. De regisseur van onder meer L'age d'or (1930) en Los olvidados (1950) kon tevreden zijn: niet alleen had hij de bourgeoisie opnieuw weten te schokken, ook had hij tegenover zijn progressieve vrienden bewezen dat hij zich niet door Franco en diens fascisten liet inpakken.

Zesendertig jaar na dato vallen in Viridiana, vernoemd naar een obscure heilige die net als de titelheldin van de film altijd met een doornenkrans rondloopt, eerder de geestige en de spitsvondige beelden op dan de ooit zo schokkende - al is de scène waarin de aanstaande non zich ontdoet van haar jarretels nog steeds erotisch te noemen. Wat vooral bijblijft zijn de details waarmee Buñuel het simpele verhaal van een goedbedoelende novice en haar verdorven familieleden aankleedde: een zakmes heeft de vorm van een kruis, een kat bespringt een rat op het moment dat een dienster verleid wordt, een doornenkrans vliegt in brand wanneer Viridiana haar vrouwelijkheid ontdekt.

Het verhaal wil dat Franco de film zag toen hij allang in Spanje verboden was en dat hij niet snapte waarover iedereen zich druk maakte. Dat kon Buñuel zich wel voorstellen. “Na alles wat hij had gezien”, schreef hij in zijn memoires, “moet de film hem erg onschuldig hebben geleken.”