Verwoestende bestrijdingsmiddelen

Milieu-Tijdschrift voor Milieukunde. Jaargang 12, 1997/2.

Giftig Nederland: de stand van zaken 30 jaar na Zilveren Sluiers. Abonnementsprijs ƒ 105.- (5 nrs per jaar). Losse nummers ƒ 25.-. Uitgeverij Boom, Meppel, tel. 0522-257012.

Begin jaren zeventig had de toenmalige bestrijdingsmiddelenfabrikant Philips Duphar in Weesp een paar ijzersterke troeven in handen. Benzoylureum bijvoorbeeld werd bij toeval ontdekt als krachtig, specifiek werkend insecticide. Insecten beschikken, anders dan bijvoorbeeld vogels, vissen en zoogdieren, over een keihard uitwendig skelet, opgebouwd uit chitine. Benzoylureum (beter bekend onder de handelsnaam Dimilin) bleek een sterke remmer van de biosynthese van chitine te zijn. Maar met een andere veelbelovende vondst van Duphar, de stof PH 60-42 is het nooit wat geworden, zo schrijft de Leidse hoogleraar organische chemie prof. A. van der Gen in de bestrijdingsmiddelenspecial van het tijdschrift Milieu. PH 60-42 is, zoals de meeste succesvolle insecticiden, een neurotoxine. Duphar verwierf tientallen patenten op toepassing van dit type stoffen (de difenylpyrazolinen), maar bij de optimalisering van de structuur bleek men in een vicieuze cirkel te belanden. Hoe beter oplosbaar in vet, hoe hoger de activiteit, maar hoe beter ook de opslag in het vetweefsel van hogere dieren. Het was de 'DDT-story revisited', schrijft Van der Gen. Een kwart eeuw later wordt door andere onderzoekers nog steeds geprobeerd de verbinding bruikbaarder te maken door de introductie van moderne, sterk elektronen zuigende substituenten, maar het is nog steeds niet gelukt.

Voor de nabije toekomst hebben bestrijdingsmiddelenonderzoekers hoge verwachtingen van de 'combinatorial chemistry'. Waar in het klassieke onderzoek nieuwe verbindingen per stuk worden bereid en vervolgens gescreend op biologische activiteit, gaat het bij de nieuwe aanpak om bibliotheken van duizenden verbindingen tegelijk. Zowel in de agrochemische als in de farmaceutische industrie wordt hier fors in geïnvesteerd. Wat dat nu begint op te leveren - want deze veelbelovende geluiden klinken al een aantal jaren - blijft in het artikel onvermeld. De Amsterdamse hoogleraar milieukunde Lucas Reijnders, een van de andere auteurs in de bestrijdingsmiddelenspecial, constateert dat men van het innovatieve karakter van de bestrijdingsmiddelenindustrie niet al te veel moet verwachten. Zestig tot zeventig procent van de nu gebruikte middelen was volgens Reijnders al vóór 1974 op de markt. Milieucriteria speelden toen nog niet of nauwelijks een rol in het toelatingsbeleid. De herbeoordeling van deze oude middelen door het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen is nog in volle gang.

Milieu, Tijdschrift voor Milieukunde maakt in zo'n 70 pagina's de balans op van 30 jaar bestrijdingsmiddelenproblematiek. Het is een gedegen en goed verzorgd boekje geworden. Wat fleuriger illustraties hadden naast al die structuurformules van heterocyclische insecticiden en carbamaten geen kwaad gekund, want de materie zelf stemt al somber genoeg. De redactie concludeert dat er de afgelopen dertig jaar weinig vooruitgang is geboekt bij het terugdringen van de chemische gewasbescherming en het invoeren van alternatieve landbouwmethoden. De huidige milieubelasting door bestrijdingsmiddelen is nog steeds verontrustend hoog. Zelfs regen, mist en dauw zitten er verrassend vol mee. Pas de laatste jaren is duidelijk geworden hoe belangrijk de lucht is als emissieroute van bestrijdingsmiddelen naar het milieu. Bestrijdingsmiddelen belanden voor 96 procent via de lucht in het milieu. Een diffuus en onbeheersbaar milieuprobleem, schrijven de onderzoekers Cees van Leeuwen (RIVM) en Rob Faasen (RIZA). Zij willen deze mobiele, giftige middelen met voorrang aangepakt zien, waarbij wordt aangetekend dat 5 procent van alle bestrijdingsmiddelen 95 procent van alle milieuproblemen veroorzaakt. Waarom die toestand voortduurt mag een raadsel heten.

Pas op 1 februari 1995 is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen van kracht geworden. Dossiers die vóór die tijd waren ingediend worden nog beoordeeld volgens de oude criteria. Bovendien is de overheid in het Meerjarenplan Gewasbescherming, een convenant met boerenorganisaties en bedrijfsleven, overeengekomen dat een grote groep stoffen tot het jaar 2000 nog niet herbeoordeeld zal worden volgens de nieuwe, strengere milieunormen, maar volgens de oude, soepeler normen. Te gek voor woorden, vindt Lucas Reijnders deze gang van zaken. Stoffen die volgens het Meerjarenplan thuishoren in de categorie van de meest bezwaarlijke middelen worden nu de facto beoordeeld volgens de soepelste normen. De uitvoeringsmaatregelen van de Bestrijdingsmiddelenwet zijn daarvoor speciaal aangepast.

Ook toxicoloog J.H. Koeman, voorzitter van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), signaleert op zijn beurt hiaten in het bestrijdingsmiddelenbeleid. Zo ontbreken expliciete normen en criteria voor niet-landbouwbestrijdingsmiddelen, zoals de aangroeiwerende verven op scheepshuiden, die geslachtsveranderingen bij schelpdieren in het water veroorzaken. Ook de normen en criteria voor biologische bestrijdingsmiddelen noemt Koeman op sommige punten slecht toepasbaar. Normen voor lucht ontbreken helemaal, zodat op dit criterium niet kan worden getoetst.

Bovendien ontstaat veel vertraging door de plicht tot notificatie, dat wil zeggen dat het CTB voorgenomen toelatingsbesluiten moet melden bij de Europese Commissie in Brussel. Die gaat vervolgens na of de besluitvorming niet in strijd is met Europese regelgeving. Omdat de gang van zaken veel vragen oproept heeft het CTB een eigen home page op Internet opgezet (hhtp://www.bib.wau.nl/ctb) waarop alle besluiten van het CTB zijn na te lezen. In de eerste maand van zijn bestaan werd hij bijna 10.000 maal geraadpleegd.