Tribune

De politieke betekenis van de woensdag gespeelde oefeninterland tussen Zuid-Afrika en Nederland leek groter dan de sportieve waarde. Zijn sport en politiek nog wel los van elkaar te zien?

E. Terpstra, staatssecretaris van Sport: “Steeds minder. Naarmate mensen erkennen dat sport een meerwaarde betekent voor de samenleving is dat een argument voor de politiek om sport hoog op de agenda te plaatsen. Velen zien daarin een manier zichzelf te ontplooien. Dat kan als sporter, vrijwilliger, supporter. Je kunt zeggen dat sport en politiek elkaar nodig hebben, zij het op een heel andere manier dan vroeger in de Sovjet-Unie het geval was. Toen werd sport als propaganda-middel gebruikt, dat moet je niet willen. Er is sprake van een partnership tussen sport, politiek en het bedrijfsleven. Op elk vlak dien je opnieuw te bepalen wie de regie in handen moet hebben. Zo moet de politiek meehelpen de sport te bevorderen, toegankelijk te maken voor iedereen. Daarnaast moet de infrastructuur in orde zijn. De sportwereld zelf is wat ambivalent wat betreft de relatie met de politiek. Steeds is er een pleidooi om hoog op de agenda te staan, maar anderzijds wordt de politiek als lastig ervaren als ze zich ermee bemoeit.”

Gerard Nijboer, zilveren-medaillewinnaar op de marathon van de Olympische Spelen in Moskou: “Natuurlijk niet, alles heeft met politiek te maken. Er wordt wel gezegd dat sport het visitekaartje van een land is. Je ziet dat ook. Wanneer sporters scoren, zijn er altijd politici bij. Het is alleen jammer dat sport ook de dupe van politiek kan zijn. Het was makkelijk van veel landen om de Russische inval in Afghanistan te veroordelen door de Olympische Spelen in 1980 te boycotten. Ik heb ook getwijfeld of ik mee zou doen. Maar er zat een zekere hypocrisie in. Welk land is tenslotte schoon? In Moskou heb ik overigens veel met mensen gesproken. Zij waren blij eens iets uit het Westen te horen. Zo brachten we communicatie op gang, dus eigenlijk waren we toen best politiek bezig.”

W. Huibregtsen, voorzitter van de sportkoepel NOC*NSF: “Het is niet moeilijk sport en politiek los te zien van elkaar. Dat wil niet zeggen dat er geen verbindingen zijn, want die zijn er zeker. De politiek kan zelfs gebruik maken van sport, op sympathieke en onsympathieke manieren. Sport doet iets dat een grote maatschappelijke betekenis heeft; mensen geestelijk ontwikkelen en naar elkaar toe brengen. Omgedraaid kan de politiek ook wat voor sport doen. Ik denk dan aan het scheppen van faciliteiten. Op lokaal gebied zie ik steeds minder mogelijkheden, het brokkelt af. Daar maak ik me veel zorgen over, de politiek moet meer doen aan de breedtesport.”

Jos Hermens, verliet de Olympische Spelen van 1972 na de aanslag op de Israelische ploeg: “Je zou sport en politiek moeten kunnen scheiden, maar in de praktijk blijkt dat heel moeilijk. De rol van de politiek is wel veel kleiner dan twintig jaar geleden. Er is geen Koude Oorlog meer, de Oost-West-tegenstelling is verdwenen. Toen waren er landen waar je echt niet naartoe wilde. Nu is de wereld één groot dorp geworden en is alles niet meer zo zwart-wit. Bij een enkel land kun je nog een vraagteken zetten, dat is het. Toen ik de Spelen verliet, kon ik de zaken vooral emotioneel niet scheiden. Ik kende een paar omgekomen sporters en was bovendien pas 22. Misschien zou ik nu een andere beslissing nemen. Wat mij toen het meest stoorde, was dat de situatie geforceerd werd om de Spelen door te kunnen laten gaan. Dat heeft mensenlevens gekost.”

C.J. Bezuidenhout, ambassaderaad van Zuid-Afrika: “De relatie tussen beide landen is woensdag versterkt, de interland was daarom een groot succes. Mensen genieten van sport, het was fantastisch dat hoe er weer 40.000 mensen achter Bafana Bafana stonden. Sport staat in Zuid-Afrika eindelijk op een normaal niveau, ze is genormaliseerd. Jarenlang was er een internationale boycot. Nu heeft sport de plaats in de samenleving die ze moet hebben. Sport verenigt de mensen, ze is de bindende factor.”

    • Orkun Akinci