Muziek tussen vrijheid en gebondenheid

Improvisaties/improvisaties (deel 3/ slot). Zondag 8 juni, Kunstkanaal, Amsterdam en Rotterdam.

Musicus Guus Janssen heeft een bijzonder systeem ontwikkeld wanneer hij met zijn muzikanten improviseert, Janssen zelf trouwens op het klavecimbel. Niet bepaald een instrument dat je associeert met improvisatie. Op het klavecimbel heeft hij een telsysteem staan van 1 tot 5; hij kan elk gewenst getal met een kadertje aangeven, en dat betekent dat de muzikanten een genre moeten spelen. De vijf bijvoorbeeld is een uitgeschreven koraal. Geeft hij met zijn vingers een 2 aan, dan vallen de musici in op tweede maat. Zo beweegt zijn muziek zich tussen vrijheid en gebondenheid.

Improvisatie in de moderne muziek vindt zijn oorsprong in de jazz, in de Afrikaanse muziektraditie dus. Dat neemt niet weg dat de improvisatie ook in de klassieke, gecomponeerde muziek altijd een plaats heeft gehad. Mozart en de violist Paganini lieten stukken in hun concerten open, waarin de solist kon excelleren. Dat waren de cadenzen. Het is een misverstand te denken dat de improvisatie totale vrijheid betekent. In een interessant moment uit de driedelige documentaire Improvisaties, geregisseerd door Adrie van der Wel en geproduceerd in opdracht van Kunstkanaal, merkt harpiste Ernestine Stoop van het Nieuw Ensemble op dat Theo Loevendie eens tegen de muzikanten zei: “Speel maar wat.” En ze speelden niets.

De registratie voor de televisie is gemaakt in november 1996, toen in de IJsbreker, Paradiso, Bimhuis en het Koninklijk Instituut voor de Tropen muzikanten als Theo Loevendie, Ab Baars, Ernst Reijsiger en Cor Fuhler samen met buitenlandse collega's een festival wijdden aan het improviseren. Opnamen van de uitvoeringen worden afgewisseld met interviews met de componisten. Daarin vertelt Guus Janssen over zijn methode om, dankzij de improvisatie, zichzelf voortdurend te verrassen en herhalingen tegen de gaan. Een van de resulaten, Snarenwerk, dat wordt uitgevoerd is een fraai, sereen muziekstuk, veel harmonischer ofwel toegankelijker dan men meestal denkt wanneer het gaat over geïmproviseerde muziek.

En passant worden in de documentaire vooroordelen uit de weg geruimd, onder andere door Arjan Kappers die heel precies het verschil weet aan te geven tussen uitgeschreven muziek en geïmproviseerde muziek. Hij acht het verschil 'kunstmatig', en terecht. Want beide disciplines zijn een ambacht en juist in de improvisatie luistert dat ambachtelijke, het samenspel tussen de muzikanten en vooral het zeer alert reageren op elkaar, zeer nauw. Wel wordt de muzikant die onder leiding van een componist of zelfs dirigent die moet improviseren 'in het diepe gemept'. Improviseren is dan ook een schijnvrijheid.

Michel Waisvisz zegt aardige dingen over geluid, dat slechts in onze taal alleen 'literair' kan worden aangeduid. Om daar een muzikaal antwoord op te vinden, heeft hij zijn eigen geluidscomputers ontwikkeld. Het klankresultaat daarvan staat voor mij erg ver weg van wat ik als muziek ervaar, maar Waisvisz' gedachten interesseren me wel. De muziek van Loevendie, Ab Baars en Guus Janssen heeft mij veel te zeggen, zoals de hele, intiem en sfeervol gefilmde documentaire dat doet. Beter dan ooit weet ik nu waar het verlangen naar improviseren, dat ik uit de jazz zo goed ken, vandaan komt. Uit het onophoudelijke verlangen naar verrassingen.