KONING MET EEN MOOIE HAND VAN SLAAN

Honderd jaar geleden, in mei 1897, werd de Nederlandse Kaatsbond opgericht. Kaatsen is een spel dat op velerlei manieren in vele landen wordt bedreven. In Friesland is Johannes Brandsma een legende onder kaatsers. Een koning die niet werd gekroond.

Zijn handen zijn niet bijzonder groot. Ze zijn ook niet dik en van eeltvorming op zijn handpalmen is nauwelijks sprake. Johannes Brandsma legt zijn zware sjekkie even weg en kijkt naar zijn handen alsof hij ze voor het eerst ziet. “Ja, gewone handen”, zegt Brandsma. “Hoezo, geen handen van een kaatser? Waarom zouden kaatsers dikke handen moeten hebben? Het is geen kwestie van hard slaan. Een bal opslaan vergt techniek, de bal moet min of meer uit de hand rollen. Alleen mensen die niet kunnen kaatsen, krijgen een dikke hand.”

Brandsma vermaakt zich met de vragen van de onnozele geest uit Holland. Maar het is niet de eerste keer dat hij uitlegt hoe het Friese spel wordt gespeeld. Het is zo eenvoudig. Het is net als tennis, want dat is voortgekomen uit een van de vele kaatsvarianten die in de wereld bestaan. Een racket is eigenlijk als slagwapen in de plaats gekomen van de blote dan wel gehandschoende hand. Zelfs de puntentelling bij kaatsen vertoont overeenkomsten met die van tennis.

De opslager moet de bal onderhands met zijn blote hand over de middenlijn plaatsen in het perk van de tegenpartij - elke ploeg (partuur) bestaat uit drie spelers. In het perk van de tegenpartij staan de zogenoemde uitslagers klaar om bij voorkeur bovenhands de bal terug te slaan: zo ver mogelijk en het liefst over de achterlijn van de opslaande partij, want zo worden de meeste punten gemaakt. De uitslagers dragen veiligheidshalve een kaatswant, omdat veelvuldig een bal met de blote hand uitslaan onvermijdelijk verdikking tot gevolg heeft. Een bal die met een snelheid van 150 kilometer per uur op je afkomt en terug moet worden geslagen, kan op den duur pijn veroorzaken, weet de ervaren kaatser.

Brandsma voegt aan deze vereenvoudigde uiteenzetting meteen toe dat kaatsen echt niet alleen een kwestie is van hard slaan. En de 39-jarige Fries uit Midlum (geboren en getogen in het naburige Sexbierum), die te boek staat als de beste allroundkaatser aller tijden, moet het weten. “Gevoel voor de bal en coördinatie zijn belangrijker. Toen ik op mijn twintigste ging tennissen, zei mijn leraar dat hij nog nooit een leerling had meegemaakt met zoveel balgevoel.” Brandsma wrijft met de duim van zijn linkerhand over de muis van zijn rechter. “Een mooie hand van slaan is altijd meegenomen.”

De slagen van de torenklok van Midlum reiken tot ver over de weiden van Noordwest Friesland, ook wel het domein van het Friese kaatsen genoemd. Op een korte worp afstand ligt de haven van Harlingen, op een verre worp Franeker, het vroegere universiteitsstadje waar elk jaar in juli de PC wordt gehouden. Op het Sjûkelân, een grasveld in het centrum van het stadje waar omheen tribunes worden geplaatst, wordt het Wimbledon van het kaatsen gehouden, het traditionele toernooi van de 'Permanente Commissie tot bevordering en instandhouding van het kaatsspel'.

Samen met Peter Rinia en Tunno Schurer vormde Brandsma in 1988 de winnende partuur van de PC. Iedereen van de 12.000 toeschouwers was er na afloop van overtuigd dat Brandsma zou worden uitgeroepen tot de Koning van de PC, een kwalificatie die ten deel valt aan de beste speler van het toernooi. Zoals gebruikelijk stelde Brandsma zich als de verwachte koning in het midden van het trio op om geëerd te worden, maar om nog steeds onopgehelderde redenen werd niet Brandsma maar Schurer tot Koning uitgeroepen. Het leek verdacht veel op een daad van verzet van de commissie. “Ik mocht niet winnen, ik was een rebel, een speler die lastig was, zijn mond opendeed en vloekte als hij dat nodig vond”, vermoedt Brandsma. “De namen van degenen die kiezen blijven geheim. Maar ik denk nu te weten wie het waren en waarom ze mij passeerden. En ik zal niet nalaten om dat bij de komende PC te vertellen.”

Hij geeft toe destijds een half uur lang gevloekt en gescholden te hebben. “Alles winnen in de kaatssport, maar een kroontje achter mijn naam in de annalen was mij niet gegund. Dat is heel wreed.” Maar eenmaal uitgeraasd stond hij weer vooraan in de rij van de zingende drinkebroers die het leven zo nauw niet nemen. Een paar maanden later werd hij genomineerd voor de Friese persprijs voor mensen die 'ongewild' veel in het nieuws waren gekomen. Brandsma werd weer niet gekozen. Ruim een jaar later mocht hij op het provinciehuis dan eindelijk een grote prijs in ontvangst nemen: als sporter die van bijzondere betekenis is geweest voor de provincie. Brandsma is een speler die opvalt door zijn spel én zijn gedrag, werd er aan toe gevoegd.

Op de muur achter zijn rug hangt de oorkonde. “Leuk, maar wel een tekst vol taalfouten”, lacht Brandsma. Maar de oorkonde hangt er niet voor niets. Want is dat niet het bewijs van zijn grote talent? De rebel werd hij genoemd, de speler die speelde zoals hij wilde spelen, een man die het hart op de tong droeg. “Nu word ik heilig verklaard in Friesland, maar toen ik nog speelde, vóór 1994, was ik een lastpak. Ik was als de tennisser John McEnroe. Ze denken dat toppers zeggen dat ze altijd gelijk willen hebben. Maar vaak hebben ze gelijk. Ze zijn niet voor niets een topper. Ze zien het beter, ze hebben een betere reactie en betere ogen. Dat is hun talent.”

Brandsma was een publieksspeler. Hoe meer mensen hoe meer gedrevenheid, hoe meer reactie hoe meer actie. “Op de PC met al die duizenden toeschouwers groeide ik. Anderen werden al bleek om de neus als voor het toernooi het Friese volkslied klonk. Ik werd gek van vechtlust als al die mensen tegen me waren. Want de meesten wilden me zien verliezen, die kozen voor de underdog. Ik speelde met het publiek, ik liet trucs zien, rekte de tijd en sloeg vervolgens de bal overal waar ik hem hebben wilde. Ik ben een gekke, maar ik kon kaatsen als de beste. Dat wilde ik laten zien aan die heren die niet van figuren als Brandsma houden.”

Hij was sportleraar, maar daarin vond hij geen plezier meer. Hij was de beste kaatser van Friesland en vormde in de jaren tachtig met Sake Saakstra en Piet Jetze Faber een onoverwinnelijk partuur, maar dat wekte alleen maar afgunst. In 1985 werd hij als eerste Friese kaatser gevraagd om in België jeu de pelote te komen spelen. In Braine-le-Comte kaatste hij als beroepsspeler. In België wordt op straten en kerkpleinen gespeeld, vijf tegen vijf. Brandsma voelde zich meteen thuis. “In Friesland werd ik een rebel genoemd omdat ik zogenaamd de regels zou overtreden. In België was het gemoedelijker. Friezen zeggen hai tegen elkaar, maar verder blijft er afstand en heerst het verstand. In België geven mensen elkaar een hand of zelfs een kus bij het afscheid. Ik ben er twee keer geweest en twee keer heb ik een prachtige tijd beleefd.”

In de werkplaats waar hij in zijn vrije uren op bestelling kaatswanten maakt, hangen foto's uit zijn Belgische tijd. Een grote foto van de opslaande Brandsma op de Grote Markt van Brussel prijkt als de mooiste trofee boven een rij van bekers en medailles. “Geld was er genoeg. Sommige spelers vingen 30.000 gulden per jaar, zwart uiteraard. Bij mij werd het uitbetaald als reiskosten. Wedstrijden werden daar ook verkocht. Als de tegenstanders vroegen of ze mochten winnen, werd er betaald. Ik verkocht partijen voor zo'n 500 gulden. Een bal missen of verkeerd slaan kan gebeuren, nietwaar. Velen wisten het, maar niemand zei er wat van.”

In Friesland gaan stemmen op om de kaatssport te professionaliseren. Prijzen in de vorm van waardebonnen doen het nog goed. Maar met geld en sponsoring zou het spel sneller en beter ontwikkeld kunnen worden, menen progressieve geesten. Brandsma heeft zijn bedenkingen. “Waar geld in het geding is, gaat de sportiviteit verloren. Kaatspartijen worden niet verkocht. Maar als iemand mij destijds 10.000 gulden had geboden op de PC, dan had ik mijn partij verloren. Dat ziet toch niemand. Voor geld zwicht iedereen. Goede spelers in elke sport kunnen alles doen om de schijn op te houden. Geld maakt de sport kapot. Ik heb gelezen dat in de jaren twintig arme sloebers een kaatspartij verkochten om er thuis beter van te kunnen leven. Ik geloof het meteen. In mijn tijd heb ik het nooit meegemaakt.”

Vooralsnog houdt de Koninklijke Nederlandse Kaats Bond de professionalisering en commercialisering of eerbiedige afstand. Van 'partuursponsoring' is nog geen sprake. De amateurtijden van Hotse Schuil, Aebe Haima, Gerrit Okkinga, Wietse Vlietstra, Piet Jetze Faber, Sake Saakstra en Johannes Brandsma gaan door. Een betere ontwikkeling en opleiding van jonge kaatsspelers door middel van sponsoring kan geen kwaad, vindt Brandsma. “Maar er zijn mensen die van kaatsen een olympische sport willen maken. In Baskenland, Mexico, Florida, Frankrijk en België wordt op verschillende manieren een soort kaatsen gespeeld en voor veel geld. De Friese manier heeft toch de meeste charme. Zestienduizend kaatsers in Noordwest Friesland, dat is alles. En leuk moet het blijven.”

Leuk? Kaatsen zoals hij het heeft geleerd: op sokken op een voetbalveld een bal slaan, net zo lang slaan tot je de bal goed raakt. Oefenen en nog eens oefenen, zonder want om het gevoel te krijgen. “Hotse Schuil zou de beste kaatser aller tijden zijn. Nou, ik heb wel eens filmbeelden gezien. Dat was niks, die man liep alsof hij elk moment in elkaar zou storten. Niets tegen hem, want hij was een echte amateur. Gewoon werken en daarna nog even kaatsen. Ik was een van de eerste kaatsers die echt trainde. Mijn lichamelijke conditie was beter dan die van anderen. Ik wilde snel zijn en beweeglijk. Want kaatsen is een reactiesport. Als ik nu naar kaatspartijen kijk, vind ik er niets aan. De techniek is niet best, het gaat nu om hard slaan, het is niet leuk meer. Het gaat om zo snel mogelijk scoren en niet meer om de manier waarop. Zoals in de maatschappij: snel scoren.”

In een hoek van de woonkamer staat een gitaar op een standaard. Een teken van passie? “Nou ja, zo af en toe ram ik er wel eens op los om me af te reageren. En af en toe zing ik wat liedjes uit de jaren zestig en zeventig, drie akkoordjes maar. Ik hou van plezier. Maar dat valt hier in Friesland waar iedereen puntje precies is wel eens verkeerd.” Hij vertelt dat hij vroeger in een gospelgroep speelde en zong. Eén keer trad hij ook op in de Kaatsnacht, aan het einde van het seizoen. “Maar toen had ik een paar biertjes op.”

Kaatsen doet hij niet meer, een afwijking aan zijn rechteroog hindert hem te veel. Nu werkt hij op een makelaarskantoor. In Friesland is de Brand een held. Maar voor helden is men bevreesd. “Ik heb de naam een rebel te zijn, een man die niet te vertrouwen is. Maar dat is een verkeerd beeld. Ik heb altijd gevochten voor rechtvaardigheid. Wanneer een bal goed is geslagen, is hij goed geslagen. Daar vecht ik voor. Wanneer men mij niet Koning van de PC wil maken, omdat ik niet in het gelid loop, is dat triest. Ook bij kaatsen verdient de beste de hoofdprijs. Maradona, Cantona en McEnroe waren dan wel lastposten, ze waren wel de besten in hun sport. Zoals Brandsma de beste kaatser was.”