Huisarts (4)

Eelco Runia (Z 24 mei) vergelijkt de huisartsgeneeskunde met 'een rijdende trein, waarachter steeds nieuwe wagons worden gehangen'. Met deze metafoor tracht hij het burnout-syndroom bij huisartsen te verklaren. Door geen getallen te noemen, of ook maar één slachtoffer aan het woord te laten, blijft zijn analyse steken in pseudo-verklaringen.

Kennelijk is het Runia niet opgevallen dat talrijke ontwikkelingen het afgelopen decennium hebben gezorgd voor juist minder werkdruk in de spreekkamer.

Het systematisch ontwikkelen van wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor het handelen van huisartsen (in de vorm van de zogenaamde Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap) heeft inmiddels geleid tot een lange lijst van aanbevelingen om in plaats van meer juist minder te doen. Zo levert het afschaffen van de pilcontrole mij virtueel een week vakantie per jaar op. De overheidsmaatregel om allerlei niet- of dubieus werkzame medicijnen uit het verstrekkingenpakket te verwijderen, vermindert de patiëntenstroom. Nog maar een paar jaar geleden stond vooral 's winters de telefoon roodgloeiend van de aangevraagde hoestdrankjes en neusdruppels, ondanks het feit dat een verkoudheid met die middelen een week en zonder die middelen zeven dagen duurt.

Een betere behandeling en controle door zowel huisarts als specialist van chronische aandoeningen als suikerziekte, astma en hartfalen heeft geleid tot een afname van het aantal (nachtelijke!) spoedgevallen.

De ontdekking dat door een vergroting van de deskundigheid van de praktijkassistente het mogelijk is gebleken een groot aantal taken aan haar te delegeren biedt - zeker in het licht van een voorspeld tekort aan huisartsen - een niet te onderschatten mogelijkheid voor taakverlichting. Eén voorbeeld: ruim zeshonderd vrouwen uit mijn praktijk zullen de komende vijf jaar door haar (en de computer) worden opgeroepen voor een door haar te maken uitstrijkje van de baarmoedermond, wat mij opnieuw tweeënhalve week vakantie oplevert. Hoezo burnout?