Het moderne Turkse leven van jazz-zangeres Özay Istanblue

Het begint met zo ongeveer de stomste vraag waarmee je kunt beginnen: hoe het komt dat ze als Turkse vrouw jazz is gaan zingen. Özay Fecht heeft Turkije en het gastarbeiderschap in Duitsland ver achter zich gelaten. Ze is jazz- en filmster in een Berlijn dat onder meer bevolkt wordt door een generatie Turken die alle clichés van het allochtonenbestaan weerleggen. Maar clichés zijn taai. 'We moeten en zullen worden neergezet als een sociale kwestie.'

In de lage zon van acht uur flaneren jongens en meisjes hand in hand of in kleine groepjes in de richting van Cafe 1001 aan de Berlijnse Nürnbergerstrasse, om er het tijdstip af te wachten waarop het gepast is om naar een dansgelegenheid of met elkaar naar bed te gaan. De meiden lopen in brutale korte bloesjes die de navels bloot laten, korte rokjes of strakke, leren broeken en plompe schoenen van deze tijd, met hoge zolen. De jongens stellen hun getrainde schouderpartijen en biceps ten toon in nauwsluitende T-shirts met strakke mouwtjes en wriemelen zo nu en dan aan hun kruis - een gewoonte die ze misschien nog van de vorige generatie Turken hebben overgehouden.

Want Turken zijn het bijna allemaal die naar 1001 komen, een trendy gelegenheid in art-deco-kleuren waar afwisselend rock, techno en Turkse popmuziek via zware geluidsboxen het praten moeilijk maken.

Daarom zit ik buiten op het terras aan een lange houten tafel met een groot glas Turks bier voor me te wachten op Özay Fecht, jazz-zangeres met een stem als een alt-sax, die me beloofd heeft mij hier te zullen ontmoeten, tussen haar optredens in New York en Parijs door. Ze is laat, maar ik hoef me niet te vervelen. Eerder op de middag was ik nog in Kreuzberg, de traditionele Turkse wijk met eethuizen, reisbureaus, groentenwinkels en de bekende geur van armoede en mistroostigheid. Maar hier, in deze brede zijstraat van Kurfürstendamm, worden alle clichés van het allochtonenbestaan weerlegd. BMW's, Mercedessen met open daken en grappig verbouwde Opeltjes Kadett rijden af en aan. Er hangt een sfeer van genotzucht, zinnelijkheid en opwinding, alsof de tweede generatie moet veroveren waar de eerste niet van durfde dromen.

Een jongen met opgeschoren haar probeert met een hand tegen zijn ene oor te verstaan wat iemand door zijn mobiele telefoon tegen hem zegt, een meisje aan een tafel is een contactlens kwijt; doodgewone, moderne taferelen die ontroering wekken als je de afstand in aanmerking neemt die deze mensen hebben afgelegd.

Plotseling duikt Özay Fecht naast me op. Een korte, donkere vrouw met sluik zwart haar en een zelfverzekerde blik in een gegroefd gezicht dat door de hoge jukbeenderen indiaans aandoet. Ik had me haar entree anders voorgesteld, ze is immers een ster, niet alleen in de jazz, maar ook in de film. Het bekendst werd ze met 40 qm Deutschland uit 1985, over het treurige lot van een Turks meisje dat wordt uitgehuwelijkt aan een lompe gastarbeider in Hamburg. De film won prijzen in Cannes, Locarno en Rotterdam en sindsdien speelde Özay in acht speelfilms en talloze televisieproducties. Ik had daarom onbewust een auto met chauffeur verwacht, of een felgele cabriolet, maar ze kwam aangelopen in jeans en een geblokt hemd, waardoor we beiden met onze square kledij in deze omgeving nogal vreemd afsteken.

Özay Fecht (de achternaam heeft ze overgehouden aan een kort en mislukt huwelijk met een van haar Duitse minnaars) bestelt bier, draait geroutineerd een shagje van me en dan stel ik ongeveer de stomste vraag waarmee je zo'n gesprek kunt beginnen: hoe het komt dat ze als Turkse vrouw jazz is gaan zingen. “Zou je dat ook aan een Duitse of een Nederlandse hebben gevraagd? Jazz is toch ook niet hun muziek?”

Maar Turkse jazz-zangeressen zijn zeldzamer, sputter ik. “Dat ligt meer aan jazz dan aan Turksheid”, reageert ze snibbig, “zelfs in Amerika is jazz beperkt tot een kleine avant-garde. Maar ik ben opgegroeid met Louis Armstrong en Ella Fitzgerald, omdat mijn vader pianist was in de bar van een hotel in Istanbul. Zo spectaculair is het dus niet. Ik vind het de normaalste zaak van de wereld dat ik jazz zing. Eigenlijk beschouw ik het nog steeds niet als een serieus vak waar je een bijzonder talent voor nodig hebt. Jazz is voor mij net een dessert. Acteren, dat is het hoofdgerecht.”

Van jongsaf wilde Özay actrice worden. Ze was een humeurig en verlegen kind en sprak met niemand, tot ze op de middelbare school het vak dramatische expressie kreeg en merkte hoe heerlijk het was iemand anders te kunnen zijn: “Ik ontdekte dat ik bijvoorbeeld geen meisje hoefde te zijn, althans niet de rol van een meisje in een islamitische gemeenschap hoefde te spelen, met het hoofd gebogen, gedienstig, volgzaam en zo. Ik bond mijn opkomende borsten in en kleedde me net een jongen. Zo wilde ik ook worden behandeld. Mijn moeder begreep dat wel, zij komt uit een geslacht van sterke vrouwen die niet met zich laten sollen.”

Met pretoogjes vertelt Özay het verhaal van haar grootvader, die als soldaat in Syrië vocht en een meisje van zestien verleidde. Maanden na zijn terugkeer werd op de deur geklopt. Zijn echtgenote deed open en voor haar stond een meisje dat zwanger was gemaakt door de Turkse soldaat. Als dat zo is, zei de vrouw des huizes, kun je maar beter binnenkomen. Sindsdien woonden de twee vrouwen met dezelfde man in het huis, maar geen van beiden wilde nog met hem naar bed.

Vijf jaar later deelde de eerste vrouw zelfs mee dat ze een minnaar had, een man die twintig jaar jonger was, met wie ze is gaan samenwonen: “Je kunt je de rel voorstellen die zich in de moslimgemeenschap voordeed”, zegt Özay gniffelend. “En mijn moeder, die was ook niet de makkelijkste. Ze was getrouwd met een violist die Turks-klassiek speelde. Maar ze raakte verliefd op mijn vader omdat ze meer van jazz hield. De echtscheiding duurde vijf jaar, omdat de rechter het motief nogal idioot vond.”

Op haar achttiende besloot Özay de wereld in te trekken, wat in het Turkije van eind jaren zestig vrijwel uitsluitend Duitsland kon betekenen. Ze meldde zich op het kantoor van het Duitse bedrijf dat gastarbeiders ronselde en liet zich medisch keuren. “Ze namen bloed en bekeken mijn tanden alsof ik een geit was en ten slotte zei de man dat ik naar Frankfurt kon. Frankfurt, zei ik. Ik moet helemaal niet naar Frankfurt. Ik wil naar Berlijn. Waarop de man zei dat ik niets te willen had. Buiten ontmoette ik een vrouw die wel een aanstelling en een ticket voor Berlijn had, met wie ik simpelweg de papieren ruilde. Het gaf een hoop gedonder op de luchthaven, maar ik kreeg mijn zin.”

De triomf was van korte duur, omdat Özay al gauw de werkelijkheid van het gastarbeiderschap ontdekte; de barakken waar ze werden ondergebracht waren naargeestig, de wc's verstopt en de keukens goor. Overdag werkte ze achter een machine in een sombere fabriekshal en 's avonds maakte ze hevige ruzie met de mannelijke arbeiders omdat ze weigerde zich te laten behandelen als hun dienstmeid. En vier maanden na aankomst werd ze ziek. Misselijk, moe, koorts. De bedrijfsarts liet haar in een ambulance naar het ziekenhuis brengen waar ze werd opgesloten in een grote witte ruimte: “Ik sprak geen woord Duits en niemand nam de moeite mij te vertellen wat ik had. Later begreep ik dat het hepatitis was, opgelopen tijdens de medische keuring in Istanbul. Maar in die zes weken krabde ik mijn nagels kapot aan de muren en gilde ik in de eenzame kamer dat ik naar huis wilde.”

Na de periode van quarantaine leerde ze andere patiënten kennen, hippies met wie ze haar eerste joints rookte. Een van hen ontfermde zich over haar: hij regelde een appartement en een betere baan, op een Amerikaans kantoor, omdat ze Engels sprak. “Het was een mooie tijd. Vrije seks, veel muziek en reizen naar India en Mexico. Ik liet me verwennen door de jongens, ik versierde ze, nam ze in huis en gooide ze er weer uit als ik er genoeg van had. Ik voelde me helemaal mijn grootmoeder.”

In de omgeving van Cafe 1001 is het nu zo rumoerig geworden dat we niet verder kunnen praten. Enkele jongeren komen het café uit om naar de schuin tegenoverliggende dancing te gaan, Paperazzi, waar veel homo's komen en waar vanacht een grootse travestietenshow plaatsvindt. Als we afscheid nemen en afspreken voor de volgende middag in een televisiestudio waar ze een optreden heeft, raadt Özay me aan een bezoek te brengen aan Paperazzi: “Turkse homo's”, zegt ze met een knipoog, “net zo bijzonder als Turkse jazz-zangers.”

Iets na middernacht sta ik samen met een vriend, een student bouwkunde, in een menigte dringende Duitsers en Turken bij een deur die wordt opengehouden voor een viertal travestieten. Ze kwamen in limousines aangereden en liepen, boa's en sjaals vasthoudend, in parmantige tred langs de jongeren, zonder acht te slaan op hun gejoel en gefluit. De stemming is eerder plagerig dan vijandig: “Als ik zulke billen had zou ik me ook in een limousine laten rondrijden”, vertaalt mijn vriend de opmerking van een Turkse jongen.

Even later mogen we ook naar binnen, via een donkere gang van bakstenen. De airconditioning draait op volle toeren en de keiharde techno-muziek geeft een prettige sensatie van dreiging en uitzinnigheid. Maar vlak voordat we de danszaal betreden verschijnt een travestiet in een rood kostuum van een flamenco-danseres. In het Turks vraagt hij iets aan een uitsmijter, die op zijn beurt enkele woorden wisselt met mijn vriend. Het volgende moment worden we gesommeerd de tent te verlaten en voor ik het weet staan we weer op straat.

Mijn vriend, die een keurig gestreept overhemd met lange mouwen draagt, legt het uit: de flamenco-danseres was de eigenaar van Paperazzi en hij wilde weten of die twee achterlijk geklede lieden homo's waren. Toen de student toegaf dat dat niet het geval was zei de eigenaar: “Gooi ze eruit.” De student legde nog uit dat ik een journalist was uit Amsterdam en een artikel schreef over moderne Turken, waarop de eigenaar zei: “Pers? Gooi ze onmiddellijk eruit.”

We steken de straat over, in de richting van 1001, waar we onder een biertje proberen de vernedering weg te lachen. Het is toch een pikante omkering van alle regels om als hetero door homo's te worden verjaagd; en het is toch volstrekt onredelijk om zo behandeld te worden door een groep waar je juist erg trots op bent!

Maar in dat gevoel van trots schuilt ook een ergerlijke vorm van betutteling. De vooruitstrevende, moderne Turken hadden ontroering bij mij gewekt, omdat ze zo'n afstand hadden afgelegd, maar ik had niet in de gaten dat ze mij intussen waren voorbijgestreefd en ik dus op die ontroering geen enkel recht had. Zonder het te weten hadden ze mijn paternalisme afgestraft.

Datzelfde paternalisme had Özay Fecht geërgerd, toen ze in 1982 haar carrière begon. Ze was een Duitse jazz-gelegenheid binnengelopen waar werd gezocht naar hulp in de bediening. Kom je voor de baan van serveerster, vroeg de Oostenrijkse eigenaresse. Nee, grapte Özay, Ik ben zangeres en doe Billie Holiday. Tot haar stomme verbazing kreeg ze te horen dat ze in de middag mocht oefenen met de pianist en 's avonds kon optreden.

Het werd uiteraard een matige voorstelling, met wat valse noten en een groot aantal onbeholpenheden, maar een paar weken later werd ze opgebeld met de vraag of zij de Turkse was die jazz zong. Er had een stukje over haar gestaan in een jazz-tijdschrift. “Ik werd woedend”, zegt Özay. “Niet mijn talent, maar mijn afkomst wekte interesse. Ach wat snoezig, een onderdanige, onnozele, arme, islamitische vrouw die jazz zingt. Een curiositeit, een kermisattractie!”

We praten na afloop van haar tv-optreden, waar ze bewees dat het waar was wat ze van haar zeggen: dat ze een stem heeft als een alt-sax. Onder de lampen van de studio zag ze eruit als een ware diva, met een glitter-blouse en het haar in weelderige golven. Ze zong twee nummers uit haar laatste album Antiquated Love, zwoele ballades die onverwachte wendingen aannamen. Met groot gezag gaf ze aanwijzingen aan de geluidstechnici en één nummer moest helemaal opnieuw worden opgenomen omdat ze niet tevreden was.

Die kritische instelling heeft ze overgehouden van het trauma van 1982. Na die eerste voorstelling in de zaak van de Oostenrijkse dame weigerde ze een jaar lang alle aanbiedingen, terwijl ze intussen zanglessen nam en intensief oefende. “Bij mijn volgende optreden moesten ze vergeten dat ik Turkse was. Nooit meer wilde ik horen: ze zingt best aardig, voor een Turkse. Ik gebruikte een tijd lang alleen de naam van mijn man, Fecht, en toch kreeg ik uitnodigingen voor jazz-festivals, ook in Amsterdam.”

En Istanbul? Özays blik wordt mat. “Ach, die Turken”, zucht ze. Na drie redelijk succesvolle albums en talloze optredens in allerlei steden heeft ze haar naam in de jazz-wereld wel gevestigd. Maar in Turkije wordt ze nog steeds niet erkend. “Het meest kwetsende is dat muzikanten met wie ik optreed, beroemdheden als David Murray en D.D. Jackson, wel worden uitgenodigd voor het jaarlijkse jazz-festival in Istanbul, maar ik niet. Ik weet niet waar het aan ligt. Is het nederigheid, zo van: jazz is voorbehouden aan zwarten en blanken en wij Turken zullen zoiets moeilijks niet kunnen? Of is het juist arrogantie, vanuit de gedachte dat ik voor een Turkse vrouw veel te vrijmoedig en provocerend ben.”

Vrijmoedig is Özay zeker. Dat is ook de reden waarom ze die eerste grote rol kreeg in de film 40 qm Deutschland. Men zocht een Turkse actrice die bereid was de cruciale scène te spelen waarin de plattelandse vrouw op handen en voeten de vloer van de kleine kamer in Hamburg boent en haar man aan tafel eet. Ineens krijgt hij zin, knielt achter haar, tilt haar rokken op en neemt haar, al kauwend op een stukje brood. “Iedereen weigerde dat te spelen”, vertelt Özay, “terwijl ik vond dat dat de realiteit was van veel Turkse vrouwen.”

Maar de Turkse gemeenschap in Berlijn nam het haar niet in dank af. De vuile was werd buiten gehangen, vooroordelen zouden zijn bevestigd. De verhouding tussen Özay en de Turken van Berlijn balanceert dan ook voortdurend tussen liefde en haat, hoewel die langzaam doorslaat naar het eerste: “Als er, in het begin van mijn carrière, tien Turken kwamen luisteren, dan verlieten er vijf vroegtijdig de zaal omdat ze er niets Turks in herkenden. Maar van de vijf die overbleven kwamen drie weer naar het volgende concert. Zo is mijn aanhang hier langzaam gegroeid.”

Maar zij heeft zelf toch ook een handreiking gedaan door zich recentelijk in te laten met een stroming die 'Orient-Jazz' wordt genoemd en een nummer op haar laatste cd op te nemen met als titel Istanblue? “Dat lied is geen handreiking naar de gemeenschap hier, maar een aanklacht tegen de gemeenschap daar”, antwoordt Özay. “Vroeger was Istanbul een wereldse en veelvormige stad. Er was Oosterse traditie, maar ook Westerse moderniteit. Er was religie, maar ook anarchie. Op de radio hoorde ik in mijn kindertijd muziek van The Beatles en zwarte soul van Motown. Istanblue gaat over een stad die ik ben kwijtgeraakt.”

Maar ze heeft gelukkig Berlijn nog? Özay trekt een smalend gezicht: “Twee keer had ik pech in het leven”, zegt ze. “Dat ik als Turkse geboren werd en dat ik vervolgens naar Duitsland emigreerde. Na de hereniging en het vertrek van de Amerikanen is Berlijn steeds meer in zichzelf gekeerd geraakt. Het wordt zo Duits allemaal. Dat is niet goed voor de jazz. En de films worden er ook niet beter op. Na 40 qm Deutschland was ik getypecast, voor eeuwig ben ik het zielige Turkse boerenmeisje, al heb ik nooit in een dorp gewoond. Ze durven Turken niet weer te geven als moderne mensen die van het leven genieten, die meedoen, avontuurlijk zijn. We moeten en zullen worden neergezet als een sociale kwestie. En anders worden we afgeschilderd als een vijfde colonne, bekrompen moslims die via de achterdeur zijn binnengeslopen en van binnenuit een bedreiging vormen voor Europa. Maar je hebt gisteravond in Paperazzi toch gezien hoe onbevangen en zelfverzekerd de Turkse jeugd met de wereld omgaat?”

Ja, dat heb ik inderdaad gezien.