Het gaat om het moment

Holland Festival. La maladie de la mort van Marguerite Duras. Regie: Robert Wilson. Gezien: 6/6. Cultureel Centrum Amstelveen. Herh. aldaar 7, 8 en 10/6.

De Franse cineaste en roman- en toneelschrijfster Marguerite Duras (1914-1996) had tegelijkertijd een te hoge en een te lage dunk van de liefde. Die ambivalentie ten aanzien van de romantiek en van menselijke verhoudingen in het algemeen is een belangrijk thema in haar werk en uit zich bij uitstek in de vluchtige ontmoeting. Geen relatie is zo extreem als die in een kortstondige passie, zoals in La maladie de la mort uit 1982: enerzijds verliest men zich tot stervens toe in de ander, anderzijds kennen de gelieven elkaar niet en willen ze elkaar ook niet kennen. Het gaat om het moment en, later, een naamloze herinnering. Het is duizelingwekkend leven op z'n best maar tegelijkertijd is het wreed en absurd: juist in zo'n hartstocht toont zich de eenzaamheid, de onmogelijkheid tot contact, het bankroet van het gevoel, de dood kortom.

In La maladie de la mort, nu te zien in een enscenering van de Amerikaanse theatermaker Robert Wilson, zijn de personages een anonieme hij en zij. Zo spreken zij over elkaar en over zichzelf als ze het verhaal vertellen van hun ontmoeting die luttele nachten duurt. Hun verhaal is afstandelijk en observerend, alsof niet zij maar anderen het beleefd hebben. Het moment en de herinnering zijn samengesmolten; hun relaas is een poging de intensiteit aan de vergetelheid te ontrukken.

Deze vorm die, hoe afstandelijk ook, een maximum aan melancholie oproept wordt nog versterkt door Duras' typerende beelden en vreemde poëtisering van de werkelijkheid. Als hij zegt dat hij bij het klaarkomen “als altijd vervuld van tranen” is, dan doet hij dat op gezag van een idealiserende schrijfster. Hoe moeilijk het moet zijn om Duras' poëzie te ensceneren zonder sentimenteel te worden is aan Wilsons voorstelling niet af te zien.

Met behulp van twee fantastische spelers - de Amerikaanse danseres Lucinda Childs en de Franse acteur Michel Piccoli - combineert hij zijn eigen koele stijl treffend met Duras' dubbelzinnige observaties. Het door de geraffineerde belichting veranderende achterdoek suggereert een uitsnede van een kamer, een nabije zee ruist en buldert. In dit ijselijke universum gaat een helwit uitgelicht vlak voor een bed door en zijn een in een zwarte, lange jas gehulde hij en een in een lang wit gewaad met lange sleep gestoken zij de minnaars.

Ze genaken elkaar nauwelijks, poseren meer dan dat ze bewegen, hun door microfoons versterkte stemmen hebben een onaardse dictie en acteren - in psychologische zin - doen ze niet. Ze zijn er slechts, samen maar alleen, en ze veranderen traag en slepend van positie terwijl ze onafhankelijk van elkaar hun versie van hun herinnering geven. De krijtwitte sfinx Childs kan schril gillen als een heks, soms fluistert ze als een vamp, soms is ze een toon- en geslachtsloos wezen. Piccoli verbeeldt onverzettelijkheid, kwaad soms, maar vooral onthecht, met een bronzen stem en een opmerkelijk soepel lijf dat, hangend op een heup, verstard op de grond kan liggen. Beiden maken zich ondergeschikt aan esthetiek maar zo beheerst dat de beeldenreeks waarvan zij deel uitmaken gaat zinderen als de hartstocht die zij juist niet tonen.