Een bed met een balkon; Academisch Ziekenhuis Groningen is uitkomst van vele projecten

Het nieuwe academisch ziekenhuis in Groningen verrees in 15 jaar tijd op de plaats van het oude dat stukje bij beetje werd afgebroken. Drie architecten ontwierpen de achtereenvolgende bouwfasen. Het gevolg is een ratjetoe van stijlen - net een echte stad. En de afwezigheid van een grand design, waardoor de gebruikers grote invloed kregen op de bouw.

'Een academisch ziekenhuis is het ingewikkeldste gebouw dat er bestaat. In de patiëntenkamers sterft iemand of wordt net iemand geboren, in de operatiekamers staan chirurgen te opereren, verderop werkt een timmerman in zijn werkplaats en verrichten onderzoekers in ingewikkelde laboratoria hun wetenschappelijk werk. Niemand kan alle functies in zo'n gebouw overzien. Het beste is het daarom om het niet in een keer neer te zetten en de ervaringen van de eerste bouwfase te gebruiken om de latere stadia te optimaliseren.'' Het lijkt een gelegenheidsargument voor bestuursvoorzitter Jan Hamel van het Academisch Ziekenhuis in Groningen (AZG), want hij zat 15 jaar in het bouwstof, maar al snel blijkt dat hij meent wat hij zegt. Onder zijn leiding verrees in Groningen een nieuw ziekenhuis op de plaats van het oude. Vaak kon de nieuwbouw pas verder als oude paviljoens leeg kwamen en werden gesloopt.

De andere Nederlandse academische ziekenhuizen die de afgelopen 15 jaar nieuw bouwden verhuisden van hun historische plaats in de stad naar de stadsrand (Amsterdam, Maastricht, Utrecht), of naar sportvelden naast het oude ziekenhuisterrein (Leiden). Het nieuwe AZG is een mastodont, maar het bleef ook het stadsziekenhuis op loopafstand van het centrum.

Het oude ziekenhuisterrein stond vol met vele aparte klinieken. Iedere hoogleraar had zijn eigen paviljoen of neo-klassiek paleisje. Aanvankelijk wilden de Groningers hun paviljoenbouw handhaven. Dat gaf strubbelingen en de Haagse financiers haalden Groningen uit de bouwplanning voor de vernieuwing van de academische ziekenhuizen van de oude universiteitssteden. Amsterdam, Leiden en Utrecht bleven over. In de planeconomie van eind jaren tachtig had de gedachte postgevat dat uitgaande van technische mogelijkheden, patiënten- en personeelsaantallen, bezoekers- en goederenstromen een ideaal academisch ziekenhuis was te ontwerpen. Dat zou in dan in viervoud aan de randen van vier universiteitssteden kunnen verrijzen.

Dat is uiteindelijk niet doorgegaan. Maar de planninggedachte heeft wel grote invloed gehad op de bouw van de niet-academische ziekenhuizen in Nederland. De nieuwvormen daarvan bestaan bijna allemaal uit een centrale hoge beddentoren, daaromheen laagbouw met poliklinieken en in de overgangszone de operatiekamers, technische ruimten en restaurants en de ingangshal met winkeltjes.

Hamel: “Het AZG in Groningen is uiteindelijk in vele opeenvolgende projecten gerealiseerd. Voor de opeenvolgende bouwfasen heeft het ministerie, of ik moet zeggen: hebben de ministeries, acht maal toestemming gegeven. De laatste klap betrof overigens wel de helft van de bouw. Toen was pas iedereen duidelijk dat er in Groningen toch een nieuw academisch ziekenhuis verrees. Met een centrale ingang.”

Als tegenwoordig het ziekenhuis van de toekomst wordt besproken, zoals eind april op een deskundigenconferentie aan de Universiteit Twente (UT), gaat het over de rol van de overheid, over veranderingen in communicatie, telematica en medische technologie. En de sturing door management, bestuur, financierders en overheid komt aan de orde. De faculteit Technologie en Management van de UT gaat in samenwerking met een regionaal ziekenhuis, verzekeraars en een grote utiliteitsbouwer een wetenschappelijke studie naar het ziekenhuis van de toekomst opzetten.

Hamels mondhoeken vertonen de sporen van een onderdrukt cynisch glimlachje als hem wordt gevraagd naar de technische uitgangspunten van het nieuwe gebouw. Hij heeft nooit geloofd in ontwerpen waarin logistiek, techniek, management en automatisering de leidende principes zijn. Hamel: “Het gebouw is de jas van de hele organisatie en die kan een architect nooit overzien. Dan krijg je een architect die een mooi gebouw wil neerzetten, of een die voor zo'n complex gebouw een actueel thema als goederenstromen of automatisering als uitgangspunt kiest. Maar automatisering betekent voor een gebouw alleen maar dat er een heleboel kabels moeten worden getrokken en dat er computers op de bureaus staan. Daar is in ieder gebouw plaats voor. Dit ziekenhuis is zo mooi geworden omdat we in de loop van de tijd steeds meer ideeën kregen over hoe het gebouw gebruikt moest worden.”

De negen vrijwel identieke vier bouwlagen, hoge beddentorens met daaronder de poliklinieken, zijn na elkaar gebouwd. Ervaringen in de eerste beddentorens zijn steeds gebruikt om de latere te verbeteren. Hamel: “Dat begint op het niveau van stopcontacten en de plaats van deuren, maar heeft ook tot hooglopende discussies met de architecten geleid als je ergens een doorgang wilde hebben waar in het ontwerp een windverband zat - een diagonale constructie die hier en daar noodzakelijk is in een gebouw dat op poten staat. Hun eerste reactie op ons voorstel om die technische constructie te verplaatsen was dan: dat kan niet. Bouwers van utiliteitsgebouwen zijn eraan gewend dat de techniek altijd wint. Maar het kon bijna altijd wel anders.”

De ervaring zorgde voor praktische aanpassingen. Maar de basisfilosofie waar het eerste ontwerp uit de jaren zeventig op was gebaseerd, was al eerder verlaten. Resten zijn er nog te vinden. Het Groningse AZG leent zich al voor architectuurarcheologie.

Waarom zijn bijvoorbeeld de overdekte straten waarover patiënten, personeelsleden en bezoekers van het AZG nu naar dokter, werkplaats of ziek familielid lopen zo breed? Er hadden auto's moeten rijden. Op het ziekenhuisterrein hadden de moderne auto-economie en de oude paviljoengedachte samen moeten komen. De aparte beddenhuizen met poliklinieken op de begane grond zouden, door kille Groningse buitenlucht gescheiden, aan een ringweg staan. Automobilisten zouden de patiënten voor de deur van de polikliniek afzetten om dan om het gebouw heen een parkeergarage in draaien. Binnendoor konden ze zich in de wachtkamer bij hun zieke familielid voegen.

Huub Looman, beleidscoördinator van de bouw, verbaast zich nog over de omwenteling die zich in de jaren tachtig voltrok: “We gruwen nu van het idee van die autostroom, maar even erg vinden we aparte gebouwen met aan alle kanten ingangen. Het ziekenhuiscomplex zou niet te bewaken en beveiligen zijn. Duurder was het niet om er een dak overheen te bouwen en de straten in wandelgebied te veranderen. Bezuiniging op de muurisolatie leverde het geld voor de kap.”

Van meer rudimenten uit het eerste ontwerpidee hebben de latere bouwers toch nog kunnen profiteren. Looman: “Er was een ondergrondse transporttunnel gedacht. Daardoor zouden de patiënten in hun bed van specialisme naar specialisme worden gereden, maar ook alle leidingen zouden er in onder worden gebracht. De patiënten gaan bovenlangs, maar de tunnel met de leidingen ligt er. Dat maakt het makkelijk om voorzieningen daar aan te brengen waar de gebruikers ze willen hebben. We trekken de leidingen uit de ondergrondse tunnel zo omhoog.”

En dat schept de gelegenheid om het nieuwe gebouw te gebruiken waar het voor bedoeld is. Hamel: “Sinds 1983 is het enige Leitmotiv eigenlijk dat je een gebouw moet hebben waarin je patiënten en medewerkers als individu kunt behandelen.”

Het ziekenhuis heeft in de negen beddenhuizen negentien afdelingen gehuisvest, in omvang variërend van 10 tot 200 bedden. Ze hebben hun eigen registratie, administratie, verpleging. Alleen de schoonmaak en de technische dienst zijn gecentraliseerd.

Hamel: “En van het oorspronkelijke idee om de grote afdelingen in een beddenhuis op verschillende verdiepingen onder te brengen is snel afgestapt. Het bleek veel handiger om horizontaal georganiseerd te zijn, op één verdieping. Een wat langere horizontale verbindingsgang is altijd sneller dan de trap nemen of op de lift wachten.”

Aan de logistiek is niet gerekend. Om bedden-, personen- en goederenstromen te beheersen moeten specialismen die vaak patiënten aan elkaar doorverwijzen zo dicht mogelijk bij elkaar gehuisvest zijn. De longafdeling zit naast de thoraxafdeling. De ruimte voor de darmspecialisten ligt naast die van de leverspecialisten en die ligt weer vlak bij chirurgie. Hamel: “Dat is een kwestie van knutselen. Het bestaat volgens mij niet dat iemand dat in een grand design allemaal ontwerpt. Wel zijn we veel in andere nieuwe ziekenhuizen gaan kijken. In het Elisabeth in Tilburg zagen we brede gangen. Die geven stilte. In het nieuwe academisch ziekenhuis in Maastricht zijn alle poliklinieken vlak bij elkaar rond een plein gegroepeerd. Dat moest niet. Je moet je bij deze overwegingen altijd realiseren dat het uiteindelijk voor veel patiënten niets uitmaakt hoe het ziekenhuis er uit ziet. Die zijn veel te ziek om daar oog voor te hebben. Maar als ze weer opknappen en mobiel worden, is het heerlijk als je een aangename omgeving hebt en er even uit kunt.”

Wie door de gangen loopt en omhoog kijkt ziet balkonnetjes waarop soms een patiënt op de drukte beneden uitkijkt. Vrijwel alle verpleegafdelingen hebben zo'n uitzicht op de buitenwereld. De volgende stap is een wandeling langs de restaurants, de supermarkt, de kapper, het reisbureau en de andere winkeltjes die in de overdekte straten op de begane grond zijn gevestigd.

Daar zijn ook de thuiszorgbalie en de spreekkamers van de verpleegkundige consulenten van het Coördinatiecentrum Chronische Zieken Noord Nederland te vinden. Hamel: “Aan de stormachtige ontwikkeling van de thuiszorg de afgelopen jaren zie je dat je je gebouw nooit kunt plannen op nieuwe ontwikkelingen. We hebben eind vorig jaar weer subsidie gekregen voor het coördinatiecentrum chronische zieken. De bemoeienis met chronische zieken is een belangrijke functie voor ons. In het AZG komen veel chronische patiënten vaak terug. Dat komt doordat we vanouds het regionaal topcentrum zijn voor ernstige langdurige ziekten als CARA, reuma, multipele sclerose, cystische fibrose, atopisch eczeem en neuromusculaire aandoeningen. Bovendien maakt de acute geneeskunde veel chronische patiënten. Iemand met cystische fibrose die een orgaantransplantatie heeft gehad is gered, maar blijft patiënt. Wij vinden dat het ziekenhuis een taak heeft bij de coördinatie van de thuiszorg. Dat versoepelt de overgang tussen ziekenhuis en thuis. Wij hebben daarom verpleegkundigen die de sociale dienst of de woningbouwvereniging bellen voor extra geld of voor woningaanpassingen. Het is voor de patiënten die voor het eerst met zo'n situatie worden geconfronteerd prettig als een ervaren verpleegkundige dat overleg voert. Voor een paar projecten die nu in het noorden lopen coördineren we de hulp door huisarts, fysiotherapeut en thuiszorg voor patiënten die bij ons opgenomen zijn geweest. Het ziekenhuis betaalt de thuisverzorgers soms ook en declareert bij de verzekeraar. De patiënt die zorg nodig heeft kan die hier krijgen of thuis, maar de artsen hier kennen de medische problematiek, de verpleging weet welke zorg nodig is, wij kunnen de thuiszorgkosten relateren aan de kosten in het ziekenhuis, zodat we kunnen helpen bij het maken van een keus. Wat dat met het gebouw te maken heeft? De thuiszorg zorgt ervoor dat veel high tech van het ziekenhuis naar thuis verhuist. En de bouwtechneut verbijt zich dat de gebruikers zijn dure ziekenhuisruimte daarna als kantoor voor de thuiszorgverpleegkundigen gebruiken.”