Chinese overheid pakt de armoede van de miljoenen boeren rigoureus aan; Een wit papier leent zich voor de mooiste tekeningen

In het Chinese boerendorp Luoyi heeft ieder gezin sinds kort een varken, zaaigoed, kunstmest en een televisie. Deze giften maken deel uit van een campagne om de armoede te bestrijden in de binnenlandse provincie Guizhou. Intussen probeert de overheid af te tasten waar de grens van de onvrede ligt bij de negenhonderd miljoen boeren.

Een boer in Guizhou, in het zuidwesten van China, heeft elf lapjes grond. Na een dag ploeteren in de hete zomerzon telt hij de stukjes omgeploegde aarde, maar komt slechts tot tien. Bezorgd kijkt hij in de rondte -totdat hij tot zijn grote opluchting ontdekt dat het elfde stukje grond wordt afgedekt door zijn hoed van stro.

Deze grap kent iedereen in Guizhou, de armste provincie van China. Van de 35 miljoen inwoners leven 6,3 miljoen onder de armoedegrens. De belangrijkste reden is dat de meeste van hen, hoofdzakelijk boeren, onvoldoende ruimte hebben voor de verbouw van hun gewassen. Tachtig procent van het land in Guizhou bestaat uit harde steengrond. Het karstgebergte, dat door zijn uitgesproken kegelvormen lijkt op een kindertekening, wordt bedekt door een dunne laag aarde. Daar waar die wat dieper is, tussen de vele rotspartijen, bewerken de boeren de grond. Lapjes die in twee, drie stappen zijn omgeploegd.

Toch streeft de centrale overheid ernaar om voor het einde van de eeuw het armoedeprobleem op te lossen. Dan moeten de behoeftige boeren in Guizhou, evenals de overige 59 miljoen die in China onder het absolute bestaansminimum van 580 yuan (132 gulden) per jaar leven, volledig in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Volgens de Chinese overheid, die hiertoe de grootste armoedebestrijdingscampagne ter wereld heeft geïnitieerd, is dat voor het voortbestaan van Volksrepubliek van essentieel belang. Tijdens een inspectiebezoek aan enkele achtergestelde gebieden zei president Jiang Zemin in september: “De aanpak van het armoedeprobleem beïnvloedt de voortgang en stabiliteit van de sociaal-economische ontwikkelingen in China. De grootste opdracht van het Chinese kader is het volk te kleden en te voeden.”

Dankzij deze campagne heeft het al langer bestaande 'Bureau voor opheffing van armoede' in Guiyang, de hoofdstad van de provincie Guizhou, meer verantwoordelijkheden gekregen. Het bureau gaat over de verdelingen en de besteding van de financiële hulp die de centrale overheid Guizhou jaarlijks toewijst, en bepaalt waar de bevolking in de provincie de meeste hulp behoeft. De kaderleden zijn dan ook vol vertrouwen. Directeur Xiao Xintian geeft toe dat het 'bevrijden' van 6,3 miljoen mensen binnen de drie jaar die tot 2000 nog resten, onwaarschijnlijk klinkt. Maar Xiao lepelt uit het blote hoofd vele cijfers op die moeten aantonen dat het bureau tot veel in staat is. In tien jaar tijd is het aantal armlastigen in Guizhou met meer dan twaalf miljoen afgenomen, en het afgelopen jaar zouden maar liefst 3,7 miljoen mensen boven het bestaansminimum uit zijn gekomen.

“Vroeger waren we allemaal arm”, zegt Xiao. “We aten hetzelfde en we droegen dezelfde kleren. Gelukkig is die tijd voorbij. Dankzij Deng Xiaoping zijn er nu ook rijke Chinezen. Dat er minder rijken zijn dan armen, spreekt voor zich. Deng heeft immers zelf gezegd: 'laat eerst enkelen rijk worden, daarna volgt de rest'. Dat is precies wat momenteel gebeurt.”

Afgelopen jaar bepaalde de Chinese regering dat de rijke kustprovincies of ontwikkelde steden economisch moeten samenwerken met het achtergestelde binnenland. Xiao: “Dat is de morele plicht van degenen die meer geld verdienen.” De speciale economische zone Shenzhen en de kuststeden Ningbo, Qingdao en Dalian, hebben op die manier Guizhou toegewezen gekregen. Een vette kluif, vindt Xiao, en dé oplossing voor het armoedeprobleem in zijn provincie. “Het is gunstig voor alle partijen. De ontwikkelde gebieden leveren ons financiële en technologische hulp in ruil voor grondstoffen en goedkope arbeid.”

Getuige van het mirakel

Wat met die hulp gebeurt, is zichtbaar in Luoyi, een gehucht op twee uur rijden van Guiyang. In 1995 woonden de 130 inwoners van de Miao-minderheid op een berg een aantal kilometers verderop. Dorpshoofd Luo Mingzhong wijst naar de hoogste top in de omgeving. Vaag zijn enkele bomen op de rotskegel zichtbaar en zelfs van deze afstand is duidelijk dat het geen ideale plek was. “De bewoners zijn voor de communistische bevrijding in 1949 daarheen gevlucht. Ze wisten op die moeilijk bereikbare plaats de dienstplicht van de nationalistische troepen van Chiang Kai-shek te ontlopen. Na de bevrijding zijn de Miao daar gebleven.”

Het dorp was lange tijd het armste in het district en het provinciebestuur besloot hulp te sturen en er een modelproject van te maken. In het dal werden 23 identieke huizen gebouwd, er kwam elektriciteit, stromend water, en op de omliggende bergen werden waar mogelijk terrassen aangelegd voor de verbouw van gewassen. In 1995 werden alle 130 dorpelingen naar het modelgehucht verhuisd. President Jiang Zemin ging er hoogstpersoonlijk naar toe om getuige te zijn van het mirakel. Luo herinnert zich nog de woorden van de president - 'een wit papier leent zich voor de mooiste tekeningen' - en zo is het volgens hem precies gegaan. Enigszins surrealistisch oogt de enorme schotelantenne bij binnenkomst in het dorp. Iedere familie heeft naast een varken, zaaigoed en kunstmest, een gratis televisie gekregen - een bevreemdende primeur voor de meeste inwoners, die grotendeels totaal versleten kleren dragen, op blote voeten lopen en nog nooit een dergelijke moderne toverlantaarn hadden gezien.

Het provinciebestuur zal de gemeenschap drie jaar lang begeleiden, zegt Luo, waarna de boeren zichzelf moeten kunnen redden. “Naast financiële hulp geven we de mensen scholing en daarmee mogelijkheden die ze zonder ons niet zouden hebben gehad.” Overtuigend bewijs van het effect van die hulp is volgens hem de toename van de maïsoogst, van 150 kilo naar vierhonderd kilo per Chinese mu (0,066 hectare). Maar de apathie die in het gehucht heerst, wekt weinig vertrouwen. Op de drempels van de stenen huizen zitten kettingrokende boeren lusteloos voor zich uit te staren. Vervuilde kinderen met broertjes of zusjes op hun rug gesnoerd, zwalken over de strak aangelegde paadjes die, met stoeprand en al, overduidelijk het product zijn van stadse planners. Een vijftigjarige boer, die door zijn ineengedoken houding en diep gegroefd gezicht twintig jaar ouder lijkt, murmelt in dialect dat hij niet gelooft dat hij over drie jaar een zelfstandig bestaan kan leiden. “Ik heb het nog nooit alleen gered. Zonder hulp van de partij zal ik honger lijden”, zegt hij terwijl hij trekjes neemt van zijn krantenpapieren sigaret.

Bonus-stelsel

In het Puding-district, tweehonderd kilometer ten noorden van Luoyi, moeten de kaderleden van het anti-armoedebureau dit jaar negentigduizend mensen boven het bestaansminimum uit helpen. Het districtsbestuur had zelf aan zeventigduizend boeren gedacht, maar het provinciebestuur bepaalde dat er dankzij de extra hulp uit de kustregio, meer mogelijk moest zijn. Directeur Yang Derun geeft de hogere autoriteiten gelijk, maar vindt de nieuwe streefcijfers een zware last. Haalt hij de beoogde cijfers niet, dan kan Yang gestraft worden: “In het ergste geval word ik ontslagen”. Maar lukt het wel, dan wordt zijn loon overeenkomstig landelijke afspraken verdubbeld of zelfs verdriedubbeld.

Een dergelijk bonusstelsel leidt tot uitwassen. Enerzijds rapporteren veel kaderleden dat in hun regio meer armoede heerst dan daadwerkelijk het geval is - in de hoop extra financiële hulp van de overheid te krijgen. Anderzijds blijkt tijdens de evaluatie van de anti-armoedeprogramma's dat er dikwijls te optimistisch wordt gerapporteerd - in de hoop sancties te ontlopen. De constatering van de Chinese overheid dat zeven procent van de totale bevolking onder de armoedegrens verkeert, is dan ook uiterst onbetrouwbaar. Volgens dat cijfer zou er in China minder armoede bestaan dan in bijvoorbeeld de Filippijnen (21 procent), Indonesië (15 procent) en zelfs de Verenigde Staten (15 procent). De Wereldbank stelde vorig jaar echter vast dat het armoedepercentage in China aanmerkelijk hoger zou liggen als de Chinese overheid zich zou houden aan de internationale armoedenorm van één Amerikaanse dollar per persoon per dag. Volgens die telling leven in China 350 miljoen armlastigen, bijna eenderde van de totale bevolking. Desondanks hanteert de Wereldbank beide cijfers omdat het levensonderhoud in China veel goedkoper is dan in de Verenigde Staten.

Of de 170 miljoen Chinezen die volgens de Chinese overheid sinds 1978 door hervormingen op het platteland boven de armoedegrens uit zijn gekomen, structureel een beter bestaan hebben gekregen, is onduidelijk. Zelfs in het Puding-district (378.000 inwoners), waar de afgelopen tien jaar 115.000 van de 245.000 armlastigen zouden zijn geholpen, weet men niet precies hoeveel boeren onder het bestaansminimum zijn teruggevallen. “Hoewel wij jaarlijks langs alle dorpen gaan, is controle heel lastig. We zijn onderbezet en er is heel veel werk te doen”, aldus directeur Yang van het anti-armoedebureau.

Pinda's voor rijst

In Ganbacun, een dorp van de Buyi-minderheid, dat onder het district van Yang valt, wacht de bevolking al jaren op de hulp van de Chinese overheid. Dorpshoofd Wang Busong, die tevens leraar is, heeft derhalve zelf een initiatief genomen en een 'niet-gouvernementele organisatie voor de bestrijding van armoede' opgezet. “Ik tracht contact te houden met oud-leerlingen die naar de stad zijn getrokken. Op die manier probeer ik gebruik te maken van hun kennis.” Eenderde van het dorp heeft gebrek aan voedsel en Wang gelooft dat met behulp van moderne landbouwtechnieken meer uit de arme grond gehaald kan worden.

Op sommige houten deuren van de huizen zijn roodgouden plakkers aangebracht waarop staat vermeld aan hoeveel 'sterren' de bewoners voldoen. Die geven aan of de boeren geen strafblad hebben, hun belastingen hebben betaald en aan de geboortebeperkende maatregelen hebben voldaan. De sterren zijn bedoeld als aanmoediging van overheidswege, maar ze doen niet af aan de onvrede van veel inwoners in Ganbacun. De één heeft te weinig land, de ander een lekkend dak en veel dorpelingen klagen over de belastingen die ze moeten ophoesten. Een zestigjarige boerin wier oogst verloren is gegaan door de aanhoudend droogte van het afgelopen jaar, moest haar voorraad pinda's op de markt verkopen om te kunnen voldoen aan de belastingplicht van vijf procent. Aangezien in Ganbacun de belasting nog in natura wordt betaald, was ze genoodzaakt van het verdiende geld rijst te kopen die ze weer aan de staat moest afdragen. “Ik ben niet boos, zo is het nu eenmaal.”

Niet alle boeren zijn zo gelaten als in Ganbacun. In Tongren en Kaili, twee middelgrote steden in het oosten van de provincie, gingen drie jaar geleden duizenden boeren de straat op om te protesteren tegen de belastingheffingen en om aandacht te vragen voor hun uitzichtloze situatie. Het leger herstelde de orde, maar bij de Chinese autoriteiten zat de schrik er flink in. Niemand in China voorspelt nu een boerenopstand, zoals in het verleden, vóór de oprichting van de Volksrepubliek, geregeld gebeurde, maar de autoriteiten kunnen niet bevroeden waar de tolerantiegrens ligt.

De afgelopen twee jaar zouden zich meer dan duizend boerenprotesten van kleinere omvang hebben voorgedaan. Hoogtepunt was de demonstratie afgelopen zomer voor de ingang van Zhongnanhai, het hoofdkwartier van de communistische partij in Peking. De protesterende boeren eisten de verhoging van de door de staat vastgestelde minimumprijzen voor landbouwproducten. De Chinese media melden geregeld zelfmoordpogingen van tot wanhoop gedreven boeren.

Formeel telt China negenhonderd miljoen boeren; sommige experts in China die de boeren die in de plattelandsindustrie werken niet meerekenen, komen uit op ruim de helft minder. De Chinese autoriteiten nemen in ieder geval de klachten zeer serieus. De Staatsraad, het Chinese kabinet, riep begin deze maand de lokale autoriteiten op korte metten te maken met de illegale heffingen die haar medewerkers, uit het zicht van hun bazen, de bevolking opleggen. Boeren werden aangespoord ambtenaren die zich schuldig maken aan afpersingen, aan te geven. Diverse keren heeft de regering de boeren eraan herinnerd dat ze overeenkomstig het negende vijfjarenplan dat vorig jaar van kracht werd, niet van plan is de belastingen te verhogen.

Gecodeerde nummerplaten

Met het voortschrijden van de economische hervormingen wordt de kloof tussen de rijke kustprovincies en het achtergestelde binnenland steeds schrijnender. Daar waar die kloof groter wordt - de economische groei van meer dan tien procent in de afgelopen jaren kwam hoofdzakelijk voor rekening van de kustregio - is de ongelijkheid voor een steeds groter deel van China's achtergestelde bevolking zichtbaar. Zelfs in Guizhou zijn de verschillen opvallend. In de hoofdstad Guiyang heeft het ene na het andere luxe restaurant zijn deuren geopend en op de parkeerplaatsen voor pas gebouwde hotels staan de nieuwste modellen van Mercedes, Audi en BMW - door hun gecodeerde nummerplaten onmiskenbaar bezit van overheidsfunctionarissen.

Corruptie is een van de uitwassen van de ongelijkheid die in toenemende mate bestaat in China - zelfs in een arme provincie als Guizhou. Uit vrees voor de onvrede van de miljoenen boeren treedt de overheid daar met zichtbare maatregelen tegen op. Begin 1995 bijvoorbeeld werden het hoofd van de openbare veiligheid en de vrouw van de voormalige gouverneur ter dood veroordeeld wegens misbruik van publieke fondsen. Op weg naar het executieterrein buiten de stad werd de gouverneursvrouw in een open vrachtwagen door de straten van Guiyang gereden. De autoriteiten hoopten daarmee duidelijk te maken dat ze wel degelijk aan de kant van de boeren staan en oneerlijke uitwassen bestraffen. Alsof men de boeren ervan wilde overtuigen dat ook de autoriteiten vinden dat het geld van het volk daar terecht behoort te komen waar het het hardst nodig is. Want hoewel in Guizhou het gezegde bestaat dat in die provincie de zon niet langer dan drie dagen achtereen schijnt, de weg niet langer dan drie kilometer horizontaal loopt en de bevolking niet meer dan drie yuan op zak heeft, beseft de overheid dat de boeren met dat laatste niet lang meer genoegen zullen blijven nemen.