Allochtonen in tweestrijd

Ondernemend als altijd had ik iets ondernomen dat onvoorzien mij noopte om me te vervoegen bij het bevolkingsregister. Ik moest daar mijn bestaansbewijs uitgereikt krijgen: een uittreksel uit de geboorteakte. Ergo sum.

Ambtelijke instellingen vormen de voorportalen van het burgerschap en dus zie je daar steeds meer vreemdelingen de hindernissen van de vestiging nemen. Achter de loketten zitten trouwens ook steeds vaker de dochters van de vorige generatie immigranten, die inmiddels gevestigd zijn. Blijkbaar weten veel van die vrouwen van vreemde herkomst goed hoe ze met het publiek in Nederland moeten omgaan. Secretaresses, lokettistes, receptionistes, telefonistes, verpleegsters, winkelbediendes worden in groten getale gerecruteerd onder donkere vrouwen. Vergis ik me niet, dan verschaft een gekleurde secretaresse een zeker cachet: iets ruimdenkends, progressiefs, internationaals. Maar het kan ook zijn dat ik dat er maar bij verzin.

In elk geval, bij het bevolkingsregister werden de pas aangekomen vreemdelingen te woord gestaan door ingeburgerde vrouwen van even verre oorsprong. Die ambtenaressen spraken de nieuwelingen toe in basis-Nederlands, versimpeld tot het strikt noodzakelijke, zonder ooit in krompraat te vervallen. De klant werd niet met 'u' aangesproken, maar met 'jij', dat was omwille van de eenvoud, want ze zeiden wel 'meneer' of 'mevrouw' en spraken daarbij alle achternamen uit zonder de minste hapering, alsof het hier gewoon is om Thandika Mkandawire of Kole Omotoso te heten. Daar kunnen de omroepen nog iets van leren.

Zo op het oog gaat het heel goed met de integratie van allochtone vrouwen in het Nederlandse arbeidsbestel. Die indruk kan gewekt zijn doordat de functies die ze vervullen zichtbaarder zijn dan die van allochtone mannen. Maar misschien weten de vrouwen van buitenlandse komaf zich beter te handhaven dan de mannen, op school en ook later op het werk.

De Nederlandse samenleving biedt vrouwen, wit, zwart en alles daartussen, weliswaar nog niet dezelfde kansen als mannen, maar toch betere mogelijkheden dan in de samenlevingen waar immigrantenvrouwen en -dochters vandaan komen. In de klas waar meisjes en jongens dooreen zitten halen de meisjes minstens even goede cijfers als de jongens en met hetzelfde werk verdienen de vrouwen evenveel als mannen. Die gelijke kansen geven de vrouwen in feite een voorsprong, want mannen uit die buitenlanden gaan ervan uit dat vrouwen minder geleerd hebben, zelden buitenshuis werken en als ze al werken minder betaald krijgen dan zij.

Daar komt bij dat het Nederlands familierecht vrouwen betere rechtswaarborgen biedt bij echtscheiding en in voogdijzaken. Onder de verzorgingsstaat zijn alleenstaande moeders van een uitkering verzekerd. Gescheiden vrouwen worden in dit land niet uitgestoten en kunnen bovendien terugvallen op schoolbegeleiding en maatschappelijk werk, sectoren waar inheemse vrouwen trouwens een overwicht hebben.

Kortom, allochtone vrouwen hebben in dit land minstens zo goede bestaanskansen als allochtone mannen, vóór, tijdens en ná het huwelijk. Ondergronds moeten die overwegingen meespelen in het gezinsleven, ze veranderen iets in de machtsbalans tussen man en vrouw, tussen broers en zusters, tussen ouders en kinderen, helemaal tussen vaders en dochters. Allochtone vrouwen emanciperen dubbel, in de sprong van het thuisland naar Nederland en nog eens op de wieken van de vrouwenemancipatie die zich in Nederland en andere Westerse landen al tientallen jaren doorzet.

Vandaar dat die vrouwen van verre oorsprong zich makkelijker voegen naar Nederlandse omgangsvormen. Ze kunnen wat beter incasseren, want ze hebben maatschappelijk al meer bereikt dan in het land van herkomst te verwachten was en misschien ook meer dan hun vaders, broers en gelieven in Nederland. School en werk beschouwen ze niet alleen als plicht en moeite, maar ook als bevrijding uit overgeleverde en vaak beknellende gezinsverhoudingen.

Maar zijn er dan geen problemen? Dit ìs het probleem.

Er speelt zich in Nederland niet alleen een vestigingsstrijd af waarin immigranten en hun nakomelingen zich behoedzaam invechten in de Nederlandse samenleving. Er voltrekt zich ook een strijd der geslachten tussen immigrantenvrouwen en -mannen. Die mannen verliezen het gezag waarop ze toch vanzelfsprekend aanspraak maken, ze worden op school en op de arbeidsmarkt ingehaald door hun zusters en echtgenotes, ruim gepasseerd door hun dochters. Als die mannen het echt laten aankomen op een open conflict waar schoolhoofden, maatschappelijk werkers, advocaten en rechters aan te pas komen, dan trekken zij vaak aan het kortste eind. Want het overwicht dat zij opeisen wordt door hulpverleners en autoriteiten minzaam weggewuifd. 'Zo zijn wij dat hier niet gewend.'

Die onverhoedse gelijkstelling van mannen en vrouwen stelt de allochtone vrouwen voor een loyaliteitsconflict. Zij willen haar zoons, broers, mannen en vaders niet laten vallen, ze willen hun het gezichtsverlies besparen. Ze delen misschien het ongelijkheidsideaal van vroeger en van thuis, ook al genieten ze tegelijkertijd de voordelen van de nieuwe gelijkberechtiging. Dat maakt het haar heel moeilijk om zich openlijk uit te spreken en dus gaan ze heel discreet en zwijgzaam toch hun gang. Het kan zijn dat ondertussen de allochtone mannen vastigheid en aanzien zoeken in de religie die ze van huis uit hebben meegekregen of in politieke bewegingen die hun mannelijk gezag kunnen schragen.

Het is maar de vraag of de feiten werkelijk zo liggen en dan is het nog de vraag of deze verklaring van die veronderstelde feiten juist is. Maar zelfs als het allemaal klopt dient zich nog niet een oplossing aan. De dubbele emancipatie van de allochtone vrouwen confronteert de mannen met een tweefrontenstrijd, als nieuwkomers om een positie in de Nederlandse samenleving, en als broers, vaders en echtgenoten om hun positie in het gezin. Hoe dan ook, ze zullen het zelf moeten uitzoeken.