Algerije

VIJF JAAR GELEDEN annuleerde het Algerijnse regime de eerste algemene verkiezingen onder een meerpartijenstelsel sinds de onafhankelijkheid in 1962 omdat het fundamentalistische Front van Islamitische Redding (FIS) op het punt stond ze te winnen. Nu heeft Algerije alsnog een pluralistisch parlement, inclusief twee 'moderne' of 'gematigde' fundamentalistische partijen.

Wat er van het inmiddels verboden FIS nog over is, kijkt machteloos toe.

Het door het leger gesteunde regime van president Liamine Zéroual heeft op papier zijn legitimiteit opnieuw weer wat versterkt met een bijna perfect geregisseerd verkiezingstoneel. De verkiezingsdag bleef zo goed als verstoken van geweld, internationale waarnemers spraken van een vrij en eerlijk verloop van de verkiezingen en zelfs de uitslag oogt niet slecht. De presidentiële partij heeft wel de meerderheid, maar geen absolute. En de twee fundamentalistische partijen hebben een op het eerste gezicht overtuigend aantal zetels gekregen: samen meer dan eenderde van het totaal. De luide beschuldigingen van de oppositie van geknoei zouden als verongelijkte franje kunnen worden afgedaan.

De annulering van de verkiezingen van 1992 stelde Europa en de VS indertijd voor een pijnlijk dilemma. Aan de ene kant was de interventie van het regime volstrekt in strijd met de altijd beleden roep van het Westen om democratisering, en vroeg zij daarom om sancties. Aan de andere kant verlangde men bepaald niet naar een Algerije onder controle van de FIS-fundamentalisten die misschien nooit meer verkiezingen zouden uitschrijven. Tegelijk vreesde het Westen stromen vluchtelingen - èn wilde het ook graag samenwerken met een olie- en en vooral gasrijk land.

In de afgelopen vijf jaar hebben moslim-extremistische groepen met hun buitensporig geweld de sympathie onder de bevolking voor een fundamentalistisch bewind ondergraven. Door zovele kelen af te snijden op weg naar een islamitische heilsstaat hebben zij het de Westerse landen tegelijk makkelijker gemaakt voor samenwerking met het regime te kiezen. Het duidelijke enthousiasme bij de Algerijnen voor de bevestiging van Zéroual als president in 1995 was hun daarbij een steun in de rug.

In feite echter is dit ook het democratische hoogtepunt voor Algerije gebleven. Het gisteren gekozen parlement is afgelopen november bij een referendum waarmee overduidelijk was geknoeid, van alle eventuele tanden ontdaan. De president is grondwettelijk gemachtigd te doen en te laten wat hem goeddunkt. Dat maakt de verkiezingen van gisteren tot een tamelijk betekenisloze exercitie. De matige opkomst geeft aan dat de kiezers dat ook beseften. Zij mogen hun onvrede uiten door op een oppositie te stemmen en verder blijft het bij het oude - inclusief het extremistische geweld.

VOOR HET WESTEN zal de verleiding groot zijn onder verwijzing naar deze opvoering van democratie de ingezette toenadering tot het regime in Algiers te versnellen, het resterend geweld op de koop toe nemend. Maar uit een ontevreden bevolking kunnen de moslim-extremistische groepen makkelijk nieuwe aanwas putten. Men zou er er goed aan doen zich daarvan rekenschap te geven.