Aan de taal ontsnapt; David Macdougall over de functie van de etnografische film

De blik van een buitenstaander die contact legt met een vreemde cultuur, dat is de antropologische film. David MacDougall is wetenschapper èn kunstenaar.

Het Antropologisch Filmfestival Beeld voor Beeld 'Whose story is it?' loopt nog tot en met zondag in het Soeterijntheater Amsterdam (inlichtingen 020 - 5688500). Films van MacDougall werden op donderdag en vrijdag vertoond, maar zijn nog wel te leen bij de videobibliotheek van het festival.

HET GEWONE leven komt in beeld, maar met reality-tv heeft het niets te maken, zelfs niet met een tv-documentaire. De etnografische film is geen kwestie van filmpje draaien en weer naar huis. Wetenschappelijke èn visuele weergave van het menselijk leven is het resultaat van langdurig onderzoek. Maandenlang verblijft etnographisch filmer David MacDougall in het gebied waarover hij een film wil maken, zonder één shot te maken. Negen maanden was hij op Sardinië voor zijn laatste film Tempus de Baristus (1993), over drie generaties Sardijnse herders, in opdracht van het Sardijnse Etnografische Instituut dat hun cultuur door de ogen van een buitenstaander zichtbaar wilde laten maken.

De Amerikaan MacDougall, momenteel verbonden aan het Centre for Cross-cultural Research van de Australian National University, is een paar dagen in Nederland, wegens het retrospectief Whose story is it? dat de Stichting audiovisuele antropologie Nederland (SAVAN) wijdt aan zijn prijswinnende werk - en dat van zijn vrouw die vaak het geluid van de films voor haar rekening neemt. In de warme ochtendzon geeft MacDougall in de tuin van een Amsterdams hotel antwoord op vragen, nadenkend en met zachte stem.

Voor de films die hij in de jaren zeventig maakte over de Oegandese Turkana, bleef MacDougall bijna anderhalf jaar in het gebied. “Het veldonderzoek dat voorafgaat aan een film verschilt amper van wat een schrijvende antropoloog doet. Ik ben voortdurend aan het generaliseren: wat is typisch voor deze cultuur, voor deze situatie? Ik zoek naar contactpersonen, thema's, concrete situaties, voordat ik er één concrete zaak uitlicht om te filmen. Een film kost zo, inclusief montage, al gauw twee jaar van je leven. Dat is niet te vergelijken met een tv-ploeg die ergens in een paar weken een documentaire maakt. Die vinden nooit wat nieuws, die registreren alleen wat al bekend is. De etnografische film is het resultaat van een onderzoek, en van een leerproces. Na een korte bloei aan het begin van deze eeuw heeft de etnografische film lang een marginale positie ingenomen. Antropologen vonden film hooguit wel handig om gegevens mee op te slaan en als een soort tweedehands kennismaking met veldwerk voor beginnende studenten. Voor wat je zou kunnen noemen visuele kennis was nauwelijks aandacht.”

Ziet u uw films als wetenschap of als kunst?

“Als een combinatie van beide. Vooral in de sociale wetenschappen is er altijd een element van kunst of op zijn minst kunstvaardigheid aanwezig. Om de subtiliteiten van menselijke relaties te begrijpen is vaak de gevoeligheid van een kunstenaar vereist. Tegelijk staat de discipline van de kunst dicht bij die van de wetenschap. Filmen is voor mij een vorm van analyseren, het creëren van visuele kennis. Theorieën en analyses van sociale situaties die worden uitgedrukt in woorden zijn belangrijk, maar het gevaar ervan is reductionisme, en een vals gevoel van controle. Een film is deels óók een code, net als taal, maar voor het andere deel is het een analoog van de zichtbare werkelijkheid, een fysiek voorwerp. En dankzij dat tweede deel kan een film ervaringen vastleggen die ontsnappen aan een tekst.

“Aan teksten ontsnapt heel veel van de werkelijkheid. Om alles maar een tekst te noemen, zoals de postmodernisten doen, is veel te gemakkelijk. Voor de menselijke ervaring is ook een ander begrip nodig. Ik bepleit een uitbreiding van het begrip 'kennis': niet alles is een code. Door een film kan een kijker op een participerende manier begrijpen hoe mensen leven. Sommige wetenschappers zien dat helaas als een bedreiging: dat niet alles in taal is uit te drukken.”

MacDougall doorbrak de marginaliteit van de etno-film met To live with the herds (1972, opgenomen in 1968), over de Jie, een herdersvolk uit Noord-Oeganda. Later maakte hij, in dienst van het Instituut voor Aboriginal-studies, veel films in Australië. Sinds een paar jaar trekt hij weer over de wereld. Behalve zijn Sardijnse film maakte hij zo ook een film over de rol van fotografie in een Indiaas toeristendorp (Photo Wallahs, 1991, opgenomen in 1988).

To live with the herds geldt nog altijd als een van de belangrijkste etnografische films, vooral omdat erin werd gebroken met de toen heersende dominantie van de Voice of God, de alwetende en zelfverzekerde commentaarstem die als een comfortabel scherm tussen de kijker en de verre volkeren bleef staan. Op een paar Franse films na waren filmbeelden weinig meer dan illustratiemateriaal bij vaststaande antropologische theorieën en structuren. Zoals de bekende antropoloog C. Levi-Strauss zei: antropologie is de wetenschap die cultuur van de buitenkant bekijkt. Individuele beleving werd altijd gezien als onderdeel van een grotere mentale of sociale structuur. In dat klimaat creëerde de film over de Jie in 1972 grote opschudding op het Festival van Venetië omdat voor het eerst het publiek kon begrijpen wat de inheemsen zèlf zeiden: MacDougall gebruikt niet alleen direct geluid, maar had hun woorden ook gewoon ondertiteld, zonder voice-over. Nu is dat vanzelfsprekend, toen was het een revolutie.

De actieve bijdrage van de gefilmden was typerend voor het nieuwe ideaal van de participatory cinema: de film moest een gezamenlijk project zijn van filmer en gefilmden. “De etnografische film is altijd een verslag van de ontmoeting van een filmmaker met een andere samenleving”, schreef MacDougall in 1975. Juist omdat ze geleerd hebben visuele representaties te wantrouwen, gingen filmmakers proberen weer te geven wat niet te zien is: de ervaring zelf, de subjectiviteit van de gefilmde situatie. Zo werden niet langer alle verwijzingen naar het feit dat de filmploeg bij het filmen aanwezig was weggesneden.

De actieve deelname van de 'etnische onderwerpen' aan de productie van de film kan extreem worden. Andere filmers leerden zelfs Navayo-indianen hoe ze zichzelf konden filmen. Want vindt u daarvan?

“Ik zou dat niet doen. Je moet zelf blijven proberen de ander te begrijpen. Een etnografische film moet cross cultural blijven: uit de achtergrond van meer dan één samenleving kijken hoe mensen leven. Het perspectief van de buitenstaander is belangrijk.

“In het verslag van die ontmoeting gaat het om vele niveaus van auteurschap, maar dat hoeft niet voortdurend expliciet te worden gemaakt, zoals we dat in de jaren zeventig deden. Het voortdurend zichtbaar zijn van de filmploeg zegt op zichzelf ook niet zoveel, je kunt hooguit constateren uit hoeveel mensen de ploeg bestond. Het kan een stompzinnig cliché worden en leiden tot een vals gevoel van realiteit: een soort legitimatie om niet over de spanning tussen filmer en gefilmde na te denken. Kijk, uiteindelijk is iedere waarheid te verdraaien en is film nooit een sluitend bewijs dat het inderdaad zo geweest is. Alles kan verzonnen zijn.

“Het effect van een film berust op het vertrouwen in de filmmaker. Dat is bij geschreven antropologie uiteindelijk niet anders, alleen daarin wordt minder met de vorm geëxperimenteerd. Ten onrechte in mijn ogen. Met verhalende elementen, naast meer objectieve beschrijvingen, kan een lezer vaak veel beter begrijpen en aanvoelen welke sociale krachten werken op een bepaald individu en hoe sociale verhoudingen functioneren. Daarin ligt nog een enorm potentieel.”

Landrovers onder een boom

Veel gapen, veel small talk. “Is er nog nieuws”, vraagt een van de mannelijke Jie, Logoth, die bij de vrouwen is achtergebleven, terwijl de meeste andere mannen met het vee naar vochtiger gebieden zijn getrokken. Kinderen rennen om hem heen met een stuk krantenpapier. Logoth staat op, rekt zich uit en trekt zijn kleed recht. Eronder draagt hij niets, zie je in een flits.

The tijd gaat langzaam in To live with herds. A dry season among the Jie. MacDougall nam de film op in 1968 in Oeganda, met geleende apparatuur van de Universiteit van Californië. MacDougall was in het gebied blijven hangen na meegewerkt te hebben aan een andere film. Geld was er niet. “We verkochten onze retourtickets om een oude Landrover te kunnen kopen.” Dankzij een gift van 1.000 dollar konden ze een paar uur zwart-witfilm kopen. “De film, die iets meer dan een uur duurt, is 1 op 3 opgenomen. We moesten ontzettend gedisciplineerd zijn.”

David MacDougall schreef ooit dat de etnografische film balanceert tussen exotisme en 'humanistische nivellering van verschillen' en deze film toont waar dat midden ligt: gewone mensen in een extreem landschap, individuen in een andere cultuur. De intensiteit van de beelden, in neorealistische stijl geschoten, is groot. Joelende kinderen raden wat een van hen in zijn hand verborgen houdt. Logoth klaagt dat hij geen eten voor de kinderen meer heeft, nu het vee vertrokken is.

Een paar maal geeft een tekstbord noodzakelijke informatie. Bijvoorbeeld dat vroeger iedereen met het vee meetrok maar dat de Britse kolonisator dat tegenging, om het volk beter onder controle te houden. “Ik was verbaasd te horen dat de blanken niet meer de baas zijn”, zegt een oude Jie. Het spijt hem, want sindsdien zijn de veediefstallen weer begonnen. “En ook de oogsten zijn slechter geworden.”

De nieuwe 'eigen' regering laat de Jie al helemaal niet met rust. Wie de film ziet zal niet gauw de scene vergeten met de (zwarte) districtleider die een aantal Jie komt uitleggen dat er meer aan landbouw moet worden gedaan, en dat de veeteelt daarvoor moet wijken. Hij spreekt Engels, een hulpje vertaalt zijn woorden in het Jie. “We all must join in to bring about progress.” Een Jie die wat terugzegt, spreekt kalm in korte zinnen, telkens wachtend op de vertaling in het Engels.

Woorden zijn niet zo belangrijk, de lichaamstaal en de situatie des te meer: een paar Landrovers en een man of vijftien onder een grote boom in een onmetelijk savannelandschap. De scène eindigt met het wegrijden van een van de Landrovers. Langzaam verdwijnt de boodschapper van de vooruitgang in de verte. De Jie blijven achter.