Zwarte sport in Amerika; Een atletenlichaam als alibi

John Hoberman: Darwin's Athletes. How sport has damaged black America and preserved the myth of race. Houghton, Mifflin Company, 242 blz. ƒ 56,15

Het is exact een halve eeuw geleden dat voor het eerst een zwarte honkballer het slagperk betrad in Amerika's Major Leagues. Het was in een wedstrijd tegen de Philadelphia Phillies, en de spelers van die ploeg verwoordden vanuit hun dug-out massaal het ongenoegen van de meerderheid van blank Amerika. 'Ga terug naar de katoenvelden,' schreeuwden ze Jackie Robinson toe, 'of naar de rimboe waar je thuishoort!'

Het zou lang zo doorgaan, totdat Robinson met zijn prestaties menigeen het zwijgen zou opleggen; meteen al in zijn eerste seizoen was hij de beste 'honkensteler' van de National League en hij werd bovendien uitverkoren tot Rookie of the Year (meestbelovende eerstejaars).

Tot dan hadden zwarte honkballers hun eigen competitie, de Negro League, maar Brooklyn Dodgers-manager Branch Rickey komt de eer toe de eerste blanke te zijn die het aandurfde een zwarte in de tot dan toe lelie-blanke sportliga toe te laten. Geheel idealistisch waren zijn motieven niet: het was allang bekend dat er in de zwarte competities beter geslagen en gelopen werd (nog niet gegooid: dat zwarten in de optiek van blanke managers ook kunnen werpen werd pas in de jaren tachtig door statistieken onderbouwd) dus zijn stap werd vooral een ingegeven door behoefte aan resultaten.

Interessant hierbij is dat de keuze niet op Robinson viel omdat hij zo'n superieure speler was: er waren er in de Negro League die beter werden geacht dan hij. Maar Robinson had andere capaciteiten die hem geschikt maakten de barrière te doorbreken. Hij was intelligent, hij had in het leger gediend en daar met blanken gespeeld en vooral: hij was verloofd.

Dat laatste was belangrijk, zo onthulde een sportredacteur van de Baltimore Afro-American later, 'want Branch Rickey wilde zeker weten dat-ie niet achter blanke vrouwen aan zou gaan.'

Robinson wist dat hij als symbool werd gebruikt en hij liet zich zo gebruiken omdat er een hoger doel was dat ook voor hem belangrijk was. Hij was actief in de burgerrechtenbeweging en bleef tot aan zijn vroege dood, op 53-jarige leeftijd, een smetteloos rolmodel voor zwarte jongens in heel Amerika.

Hij was ook een welvarend man, in zijn tijd. Zijn topinkomen bedroeg in 1956 42.500 dollar, waarmee hij negenmaal zoveel verdiende als de Amerikaanse Jan Modaal. Maar dat is bijna zielig vergeleken met het inkomen van een hedendaagse zwarte honkballer als Ken Griffey jr., wiens inkomen voor het afgelopen jaar (reclame-inkomsten inbegrepen, evenals in het geval van Robinson) op zeven miljoen dollar wordt geschat, dat wil zeggen 172 maal het modale Amerikaanse inkomen. En dan is Griffey op zijn beurt een kleine jongen vergeleken bij basketballer Michael Jordan wiens inkomen het vorig jaar boven de 50 miljoen dollar uitkwam.

De integratie (en in sommige sporten bijna dominantie) van zwart Amerika in de topsport is sindsdien een succesverhaal dat volgens Hoberman in zijn controversiële boek een zeer schadelijke schaduwzijde kent. Topsport is tegenwoordig in de VS in het geval van atletiek, basketball en in toenemende mate football een zwarte aangelegenheid; alleen Major League Baseball is, ondanks de Robinsons en de Griffeys, nog een sport waar althans qua aantal spelers de blanken de meerderheid vormen. Al begonnen managers ook daar in de jaren zeventig toe te geven dat 'je simpelweg geen winnend team meer kunt hebben zonder zwarten.'

Hoberman betoogt dat het succes van de zwarte atleten, de alomtegenwoordige Michael Jordan voorop, heeft geleid tot een fixatie binnen de zwarte gemeenschap op atletische resultaten en daarmee tot een chronische en desastreuze onderwaardering van andere capaciteiten, c.q. het nastreven van de verwerkelijking daarvan. Zijn uitgangspunt is de nog steeds voortdurende maatschappelijke achterstand van zwart Amerika. Het beeld is veranderd en veel complexer geworden, maar ondanks alles wat er sinds de jaren zestig is bereikt, is het aandeel in de economie van een zwart huishouden nog steeds slechts een-tiende van dat van een blank huishouden. Een zwarte arbeider gaat nog steeds met minder dan tweederde naar huis van wat een blanke in een vergelijkbare positie verdient. De statistieken over de maatschappelijke kansen van een zwarte mannelijke teenager in de grote steden zijn nog steeds rampzalig. En wat de sport betreft: ondanks het numerieke overwicht van zwarten op het veld zijn de clubs, in alle takken, nog het exclusieve eigendom van blanken, zoals ze ook door blanken zakelijk worden geleid.

Met die gegevens in het achterhoofd is het niet vreemd dat heden ten dage nog steeds geldt wat al decennia geleden een dooddoener heette: dat er voor jonge zwarten drie uitwegen zijn uit de uitzichtloosheid, namelijk showbusiness, misdaad en sport. Helaas zijn de kansen voor een zwarte jongen, hoe talentvol ook, om een goede boterham te verdienen in de sport even groot als het winnen van de hoofdprijs in de loterij. Voor elke Michael Jordan zijn er honderdduizenden die even kansarm blijven als tevoren. Maar het bombardement in reclame en media van de beelden van het zwarte atletische succes, de nadruk die er ook op scholen en universiteiten op sportresultaten wordt gelegd, en de graagte waarmee sommige zwarte atleten hun dédain verwoorden voor alles wat niet-fysiek is, draagt bij aan een klimaat waarbinnen het niet cool is voor een zwarte jongere om iets na te streven dat met hersenwerk te maken heeft.

Hoberman probeert de schuld daarvoor proportioneel te verdelen tussen het historische gegeven van de slavernij en de racistische mythes die sindsdien niet meer uit het land weg te denken zijn. Het blanke Amerika van corporaties als Nike die baat hebben bij het instandhouden en verspreiden van de bestaande stereotypen, en de zwarte intelligentsia die zich volgens hem te weinig uitspreekt over de 'ruïneuze gevolgen van de symboolfunctie die atletische prestaties hebben gekregen voor zwarte creativiteit.'

Zijn boek is vooral interessant in de hoofdstukken waarin hij laat zien hoe de wetenschap met name sinds de vorige eeuw is gebruikt om theorieën van zowel zwarte inferioriteit (in intellectueel én fysiek opzicht) als superioriteit (in fysiek opzicht) te onderbouwen. Het is, het comfort van hindsight in aanmerking genomen, verbijsterend welke onzin er van beide zijden werd en wordt aangedragen om de verschillen te verklaren. Nu de atletische prestaties van zwarten die van de blanke Amerikanen doen verbleken is dat een bron van trots voor de zwarte gemeenschap geworden, maar, zo redeneert Hoberman, 'de culturele acceptatie van het zwarte atletische lichaam (...) is altijd al de weg van de minste weerstand geweest voor blanken die de zwarte niet als een volwaardig mens wensen te zien.'

Hobermans boek is duidelijk bedoeld als toevoeging aan de discussie over raciale inferioriteit en superioriteit die sinds de publicatie van The Bell Curve over de verschillen in IQ tussen etnische groepen, nog steeds voortduurt. Maar het is de vraag of zijn aandeel erin ook in brede kring zal doorklinken. De auteur, germanist aan de Universiteit van Texas in Austin, komt moeilijk terzake en laat zijn betoog dikwijls bezwijken onder de citaten dat het uiteindelijk vaak moeilijk is de essentie van wat hij bedoelt te achterhalen. Daarnaast is hij weliswaar heel kwistig met zijn adjectieven (zo wordt de flamboyante basketballer Dennis Rodman met een merkwaardige verbetenheid afwisselend als 'zelf-mutilerend' en 'pathologisch' in het betoog opgevoerd) maar ook niet bijster creatief. Als het woord 'racist' uit zijn boek was geschrapt zou het vele pagina's korter zijn geweest.