Zetfouten en de dood

De prachtige Vlaamse dichter Maurice Gilliams (1900-1982) begon zijn lyrisch prozawerk Winter te Antwerpen 1946-1952 met de beschrijving van een ziekenhuiservaring. Hij wilde zo graag zijn verwondering uiten over de vreemde gemoedstoestand waarin hij verkeerde, maar er was niemand om hem te begrijpen. Zijn pogingen om zijn pijn te beschrijven mislukten al evenzeer en er werd hem ironisch gevraagd of hij er misschien een kunstwerk van wilde maken.

Hij schreef: “Door zulke kwetsende ofschoon liefderijk bedoelde waarheid ontnuchterd, werd ik er meer dan ooit toe aangespoord om mij in het mysterie te verdiepen waar de kunstenaar door geadeld wordt, n.l. de drift die hem vervult om de enige juiste uitdrukking voor een enig juiste gewaarwording te verwerven. Daarbij viel me een vers van Karel van de Woestijne te binnen, waarmee ik mijn gedachtengang meende te verduidelijken. Doch de unieke onmiddellijkheid van deze geheimtaal ging eveneens het gehoor dat mij omringde naar de geest te boven.”

Gilliams had het over één strofe. De dichter waakt bij een stervende en smaakt, zoals Gilliams het uitdrukt, zijn eigen doodsverlangen thans als een zaligheid. Dit is de strofe:

Gij brandt mijne ogen toe, gij

brandt mijne ogen open

o Wake; en waar de koorts blij

hamert aan mijne slaap

zie 'k in die diepte van me-zelf, en

gaat mijn hopen naar even-schonen slaap.

Gilliams vertelt dat hij de geneesheer had willen tonen waarom de dichter “schijnbaar willekeurig, 'mijne' in plaats van 'mijn' slaap schrijft, al is er metrisch geteld één syllabe te veel in het vers. Ik herhaalde, binnensmonds: en waar de koorts blij hamert aan mijne slaap..., wat nu evenveel betekende als een innigst-stipte, eigen gewaarwording, die me, doorheen een andermans gedicht, voor mijn persoonlijke ervaring rijper ontvankelijker maakte. Doch dit gehamer van de koorts zou in het vers zijn natuurlijke nood moeten missen, ware er niet die éne, schijnbaar overbodige maar in feite mirakuleus organisch-noodzakelijke lettergreep uit de pen van de meester gevloeid.”

Ik las jaren geleden, na veel ziekenhuiservaring, Gilliams' tekst met de schok van herkenning, en herkende dankzij hem Van de Woestijne's doodsverlangen. De koorts had blij gehamerd aan mijne slaap.

Aan het slot van dat mooie geschrift Winter te Antwerpen staat een 'verantwoording'. Al is volstrekte zekerheid niet gegeven, er blijkt toch wel dat 'mijne slaap' een zetfout is en dat Van de Woestijne 'mijn slaap' heeft bedoeld. Gilliams maakt er geen kwestie van. Ik vermoed dat zijn geheugen het later niet kon stellen zonder die zachte, strelende, vermoeide stomme e. Nooit zal een zetfout met zoveel liefde bewonderd zijn.

Iets heel anders. In 1910 las Thomas Mann een versje van de door hem zeer gewaardeerde Theodor Fontane. Het luidde zo:

Leben; wohl dem, dem es spendet

Freude, Kinder, Täglich Brot

Doch das Beste, was es sendet

Ist das Wissen, das es sendet

Ist der Ausgang, ist der Tod.

Thomas Mann was diep onder de indruk. Hij had eruit begrepen dat pas de rijpheid van de ouderdom de ware rijpheid van het leven is, en de conclusie getrokken dat Fontane, deze zeldzame en beminnenswaardige natuur, steeds vrijer, steeds wijzer naar de ontvangst van het laatste antwoord toe rijpte. Zo ongeveer drukte hij zich uit.

Hij schreef dit in 1910. Tien jaar later bleken duffe geleerden zich over het versje gebogen te hebben, en zij lazen de twee laatste regels als volgt:

Ist das Wissen, dass es endet, Ist der Ausgang, ist der Tod.

Maurice Gilliams, enige decennia later, liet Van de Woestijne in zijn recht zonder zichzelf het recht te misgunnen om hem verkeerd te citeren en in alle vrede zweeft de misplaatste stomme e in ons brein. Thomas Mann werd woedend. Zijn vereerde Fontane kon toch niet zoiets luis en lafs hebben geschreven. Het beste van het leven is de zekerheid dat het eens ophoudt! Je hoeft toch bepaald niet oud en wijs te worden om zo'n banaliteit neer te schrijven! Kortom, de geleerden hadden ongelijk, ze moesten ongelijk hebben.

Het beste van het leven, volgens Theodor Fontane in de visie van Thomas Mann, is niet het weten dat het eindigt maar het weten dat het zendt, en de spreuk is zo in proza over te brengen: “Gelukkig is de mens aan wie het leven behalve het noodzakelijke ook nog wat vreugde gunt. Maar niet in zulke dingen moet men de zin en waarde van dit grote geschenk zoeken. De zin en de waarde van het leven bestaat erin dat het ons tot inzicht leidt, - tot het inzicht namelijk dat ons bij zijn afloop wacht.”

Wie heeft er gelijk? Ik weet niet hoe de ruzie is afgelopen maar wantrouw Thomas Mann. Met de dood hield hij zich vaak bezig, wijsgerig en emotioneel, doodsverlangen kende hij en observeerde hij, en hij wilde waarschijnlijk bij Fontane iets van dat romantisch-destructieve terugvinden. Het niet-rijm sendet/sendet nam hij op de koop toe, en met de spelling van 'das' smokkelde hij. Toch, meen ik, heeft de zetfout een zeker gelijk gekregen. Erdoor herdicht is het versje meer Thomas Mann dan Theodor Fontane.

De familie Mann had een ongebruikelijke relatie met de dood. Twee zusters van Thomas pleegden zelfmoord. Een schoonzuster van hem pleegde zelfmoord. Twee zoons van hem pleegden zelfmoord. In 1920 had hij het over het leven als over een 'groot geschenk'. Dertig jaar later noemde hij het een 'twijfelachtig en schuldig geschenk'. Hij stierf op zijn tachtigste, rustig blijkbaar, wie weet met de wijsheid die hij Fontane had toegedicht. Dat was in 1955. Fontane was in 1898 gestorven, 78 jaar oud, na het avondmaal, in zijn slaapkamer, door een hartverlamming. Comfortabel. Maar veel 'weten' zal die dood hem niet gezonden hebben.