Woningcorporaties

“Hoge huurstijging begin jaren negentig gèèn gevolg van verzelfstandiging woningcorporaties”. In een lezenswaardig artikel schetst Paul Wessels in NRC Handelsblad van 17 mei de worsteling van de Haagse politiek met de invoering van marktwerking in enkele door het Rijk gesubsidieerde sectoren.

Het geloof van de politici in de heilzame effecten van de markt begint te tanen, onder meer omdat, aldus Wessels, marktwerking de burgers met hoge prijzen opzadelt. Hij noemt in dit verband de sociale huursector: “De verzelfstandiging van woningbouwcorporaties, begin jaren negentig, had forse huurverhogingen voor miljoenen huurders tot gevolg.” De huurstijging is gedurende de eerste helft van de jaren negentig inderdaad fors geweest; de huurverhoging ging toen jaarlijks gemiddeld zo'n 2,4 à 2,8 procent boven de inflatie uit. Het is echter een misverstand te menen dat dat het gevolg was van de verzelfstandiging van de corporaties! Het was het directe gevolg van bewust gevoerd overheidsbeleid, dat erop gericht was de kosten van het wonen meer dan voorheen in rekening te brengen bij de bewo ers.

Van feitelijke verzelfstandiging van de corporaties was in de eerste jaren in financieel opzicht overigens in het geheel nog geen sprake. Daarmee is pas vanaf 1993 een eerste begin gemaakt met de mogelijkheid voor corporaties de huurverhoging binnen zeer smalle, door de overheid bepaalde marges te differentiëren. Vervolgens heeft de zogeheten 'brutering' de financiële zelfstandigheid, onder meer op het gebied van de jaarlijkse huuraanpassing, verder vergroot.

Wat leert de praktijk sedertdien? De jaarlijkse huurverhoging wordt steeds geringer, niet alleen nominaal, maar ook in reële zin, dus in verhouding tot de inflatie. Naar verwachting zal de gemiddelde huurstijging per 1 juli 1997 de voor dit jaar verwachte inflatie nog slecht ongeveer 1 procentpunt te boven gaan.