Wel of geen verplichting; Weer ruzie over marktwerking in stadsvervoer

DEN HAAG, 6 JUNI.De onenigheid tussen de regeringspartijen over de invoering van concurrentie in het stads- en streekvervoer is weer in alle hevigheid opgelaaid. Eerder deze week leken VVD, PvdA en D66 het eens over een compromis maar tijdens een Kamerdebat gisteren bleek dat de PvdA een andere uitleg geeft aan het akkoord dan VVD en D66.

Kern van het conflict is de vraag in hoeverre het stads- en streekvervoer moet worden verplicht om marktwerking in te voeren. VVD en D66 willen provincies en gemeenten daartoe wettelijk verplichten, de PvdA voelt daar niets voor. Kamerlid Van Gijzel (PvdA) heeft grote twijfels of marktwerking leidt tot beter openbaar vervoer. Experimenten met marktwerking mogen wel van de PvdA, maar dan wél op vrijwillige basis.

De regeringspartijen bereikten eerder deze week een moeizaam compromis over de kwestie, die ze gisteren via een gezamenlijke motie inbrachten. De inhoud daarvan was duidelijk, zo dachten althans Van 't Riet (D66) en Remkes (VVD). De komende twee jaar zouden gemeenten en provincies op vrijwillige basis buslijnen mogen aanbesteden. In 1999 zou minimaal 35 procent van het stads- en streekvervoer moeten zijn aanbesteed. Wanneer dat niet was gelukt, zou alsnog een wettelijke verplichting ingevoerd kunnen worden. Provincies en gemeenten moeten in het kader van de decentralisatie van overheidstaken optreden als regisseur bij de biedingen van bedrijven op buslijnen.

Maar tijdens het debat bleek dat Van Gijzel (PvdA) een geheel andere interpretatie gaf aan de motie. Wanneer over twee jaar de provincies en gemeenten er onvoldoende in zijn geslaagd buslijnen aan te besteden, dan moet volgens hem allereerst gekeken worden naar de redenen daarvoor. Misschien hebben de lokale overheden wel hele goede argumenten waarom concurrentie niet werkt. En, als er sprake is van “aperte onwil”, dan heeft het volgens Van Gijzel geen zin lokale overheden te verplichten tot marktwerking. Dan moet de rijksoverheid maar zélf buslijnen gaan aanbesteden.

De interpretatie van Van Gijzel wekte grote woede op bij Van 't Riet en Remkes. De laatste kwalificeerde Van Gijzel als “een onbetrouwbare partner” die “veel mist produceert”. Van 't Riet had geen goed woord over voor Van Gijzels suggestie dat de rijksoverheid als laatste middel dan maar zélf buslijnen zou moeten aanbesteden. Ze wees erop dat de Kamer wil dat de lokale overheid de aanbesteding doet. “We hebben met die lokale overheden een contract gesloten om taken te decentraliseren. Als je je daar niet aan houdt ben je als overheid onbetrouwbaar bezig.”

Minister Jorritsma maakte duidelijk dat de draai die Van Gijzel aan de motie gaf “onaanvaardbaar” voor haar was. Jorritsma acht een wettelijke verplichting onontbeerlijk om marktwerking in stads- en streekvervoer van de grond te krijgen.