Vrouwe Fortuna regeert; Ronald de Leeuw over zijn plannen met het Rijksmuseum

Sinds 1 december vorig jaar is Ronald de Leeuw (1948) algemeen directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Hij volgde Henk van Os op, die hoogleraar is geworden. De Leeuw wist eerder, als directeur, het ingeslapen Van Gogh Museum dankzij een vindingrijk tentoonstellings- en aankoopbeleid te transformeren tot een succesvol museum met jaarlijks een miljoen bezoekers. Onlangs deed De Leeuw revolutionaire uitspraken over de toekomst van het Rijksmuseum. Dat meldde althans het internationale maandblad The Art Newspaper.

Rijksmuseum, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Geopend: ma t/m zo 10-17 uur.

'Na zo'n maand of vijf doe ik hier in het Rijksmuseum nog steeds studies in terughoudendheid. Over een paar maanden weet ik precies waar ik in het museum nodig ben. Want om zaken los te laten, moet je ze wel eerst hebben vastgehad. Het zou onzin zijn als ik binnen deze professionele organisatie die lange lijnen uitzet, direct na binnenkomst mijn eigen plannen zou lanceren, maar het valt me wel op dat veel ideeën, die al vaak en lang geleden verworpen zijn, steeds weer terugkeren. En elke keer zullen ze opnieuw gewogen worden.

Het frisse idee wantrouw ik, want dat is vaak alleen acceptabel omdat het zo fris is. Modieuze opvattingen over herverkaveling van museumcollecties klinken mooi, maar 'ich glaube nicht an Wundern, ich habe zu viele gesehen', zoals Herodias vaststelt in Richard Strauss' opera Salomé.

Een paar weken geleden heb ik in de National Gallery in Londen een aantal van die bestaande denkbeelden als retorische vragen aan de orde gesteld. 'Waarom sturen we de 19de-eeuwse scheepsmodellen niet naar het Scheepvaartmuseum? Hebben we eigenlijk wel een afdeling Nederlandse geschiedenis in het Rijksmuseum nodig? Horen de aziatica hier wel thuis? Kunnen we niet een paar satelliet-musea beginnen net als de Tate Gallery in Londen? Vragen, die door ruimtegebrek en verschillen van inzicht hier al jarenlang de ronde doen, en die soms ook, zoals in het geval van de aziatica, net ondergebracht in de verbouwde vleugel, volledig van de baan zijn.

De staf is ervan geschrokken. Want die lezing is in een internationaal tijdschrift volstrekt ten onrechte als een serie beleidsplannen gepresenteerd, terwijl de Tate me had gevraagd te spreken over de interessante vraag 'Waarom ziet het Rijksmuseum eruit zoals het eruit ziet?' Het verleden inspireert ons, maar het legt ons ook beperkingen op. Het Rijksmuseum heeft bijvoorbeeld voor de oorlog een collectie Spaanse schilderkunst, doeken van Velasquez en Goya, aangekocht, maar dat leidde niet tot een overtuigend ensemble. Het heeft de 19de-eeuwse Franse kunst grotendeels overgeheveld naar het Van Gogh Museum. Dankzij een particuliere schenking is het verrijkt met een collectie Indiase miniaturen. We zouden die zelf nooit hebben aangekocht, maar het zou dom zijn om er na zo'n impuls niet op voort te borduren.

Vrouwe Fortuna bepaalt dus het gedrag van een instelling. De schilderkunst is Hollands, de kunstnijverheid is internationaal geworden. Begin deze eeuw hingen hier vele werken van Cézanne, Gauguin en Van Gogh uit de collectie Hoogendijk. Die verzameling is teruggenomen en uiteengevallen. Een gemiste kans om het museum, dat nu tot 1914 verzamelt, door te laten groeien. De grootste verzamelaar, neemt u van mij aan, is het toeval.

Door die historische ontwikkeling is de buitenlandse schilderkunst in het Rijksmuseum een gepasseerd station, zegt menigeen hier. Ik vind dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Ik ben zeer geïnteresseerd in het kopen van internationale kunst. Een topwerk van Velasquez aanschaffen is uitgesloten, maar misschien zijn er maar drie of vier Franse schilderijen nodig om een link te bewerkstelligen met datgene wat wij al hebben. Het gaat om de context die een museum biedt.

Er is hier ooit vergeefs een schilderij van Claude Lorrain (1600-1682) in bruikleen aangeboden dat later naar Museum Boijmans Van Beuningen is gegaan. Ik zou daar best belangstelling voor hebben gehad. En als zich de kans zou voordoen om een doek van mijn lievelingsschilder Jean-Simeon Chardin (1699-1779) te kopen, een stilleven dat aansluit op de Hollandse stilleven-traditie van dit museum, zou ik die eveneens grijpen.

Aankopen doen zich zelden voor aan de hand van een lijstje. Je moet openstaan voor het toeval, voor een schenking, en ik zal proberen uit te stralen dat dit museum daar zeker voor in is. Stel nu dat de verzameling van baron Thyssen-Bornemisza hier naartoe zou zijn gekomen. Dat zou een aardbeving te weeg hebben gebracht. Maar denkt u nou echt dat er iemand had geprotesteerd tegen de komst van 'buitenlands werk' als van Holbein?

Ja, ik weet dat Museum Boijmans de laatste jaren eveneens oude Franse schilderijen heeft aangekocht. Ik ben altijd voorstander geweest van de Collectie Nederland, van accenten in verzamelingen, maar dat houdt niet in dat je voortdurend moet afzien van wat anderen al hebben. Bij Van Gogh heb ik bewust andere zaken verzameld dan Museum Kröller-Müller al had, zoals mooie pointillisten. Toch kon ik diezelfde stijlperiode niet zo maar overslaan.

Gehoorzalen

Hoe zeer het museum ook ruimte te kort komt, ik wil geen enkele afdeling afstoten en ik wil ook het gebouw niet uitbreiden. Henk van Os zei het al: Een groter Rijksmuseum wordt er niet beter op. Maar er valt binnen het pand wel ruimte te winnen voor een aantal kleinere gehoorzalen. Ik kan me voorstellen dat je bij een enorme financiële impuls letterlijk de diepte ingaat om naar meer depotruimte te graven. Zo'n veertienhonderd schilderijen van het Rijksmuseum hangen al elders. Toch blijven er in de depots teveel zaken liggen. Misschien moeten we de schilderijen net als vroeger weer in rijen van twee hangen.

Een van de regels van het Rijksmuseum die ik wil gaan oprekken raakt het tentoonstellingsbeleid. Tentoonstellingen moeten traditioneel verband houden met het kerngebied van het museum. Is er hier geen specialist over een thema of kunstenaar, dan komt er geen presentatie over. Voor mijn komst is al bewezen dat ook verderweg gelegen genres, zoals Amerikaanse aquarellen, bij een groot publiek een snaar kunnen raken.

Vanaf 1999 willen we in de zomers voortaan iets 17de-eeuws brengen, iets dat met die kern samenhangt, zoals een grote stilleven-tentoonstelling. Het winterseizoen is voor de experimenten. Geen onzin-thematiek, zoals De Koe in de Kunst, maar minder bekende onderwerpen als openlucht-olieverfschetsen uit Italië, terracotta-beelden of renaissance bronzen - ik noem maar wat tentoonstellingen die onlangs elders zijn gehouden.

Zulke overzichten gaan nu onze neus voorbij. Ze worden ons simpelweg niet aangeboden omdat men verwacht dat er toch geen interesse is bij dat typisch Hollandse Rijksmuseum. Dat wil ik veranderen. Het Rijksmuseum moet nauwer bij dat internationale uitwisselingscircuit worden betrokken, want dan ontstaan er ook meer kansen op het gezamenlijk maken van kostbare presentaties.

Het brengen van grote namen is niet onze eerste missie. Er heerst een raar soort eenkennigheid ten aanzien van dat zogenaamde eerste échelon, alsof er elke avond champagne met kaviaar op het menu moet staan. Ik zie in dit museum liever een herwaardering van laat 17de-eeuwse meesters als Gerard de Lairesse en Adriaen van der Werff. Iedereen kent de Albert Cuypmarkt, maar wie weet precies wat Aelbert Cuyp schilderde? Het zou me ook een genoegen zijn als Nederlanders ontdekten dat Michiel Sweerts (1624-1664), een groots genre- en portretschilder is geweest. Sommige kunstenaars zijn al gebaat bij 25 stukken en dan toon je ze toch in hun totale gevarieerdheid. Een van de succesvolste tentoonstellingen in het Van Gogh Museum was Monet in Nederland, de kleinste die we hebben gemaakt.

Heiligheid

Moderne kunstmusea lijken vaak sprekend op elkaar, oude kunstmusea niet. Wat me in deze eerste maanden vooral is opgevallen is de liefde die de staf koestert voor het gebouw. Het grenst aan heiligheid, zo zorgvuldig als een ieder daarmee omgaat. We buigen ons nu over de ophanden zijnde restauratie. Veel is dichtgebouwd, vertimmerd, ontwricht geraakt en daardoor is de structuur verloren gegaan. Het licht leidt je niet meer door het gebouw.

We maken straks weliswaar niet elke decoratie van architect Cuypers weer zichtbaar, maar we willen wel lucht, licht, helderheid in oriëntatie. Ik hecht geen geloof aan grondige oppoetsbeurten die het gebouw zelf ontkennen. Nieuwe inrichtingen, kleurgebruik en modieuze vitrines behouden hun frisheid zo'n jaar of drie en dan is het allemaal weer verouderd. Nu ben je per zaal in een ander environment, straks weet je na vijf zalen dat je nog steeds in hetzelfde museum loopt.

De tendens is sterk om van het Rijksmuseum, begonnen als museum voor kunst en geschiedenis, een puur en absoluut kunstmuseum te maken, temeer omdat het kernimago van het Rijksmuseum uit Vermeer, Rembrandt en Frans Hals bestaat. Een van onze opties is nu om deze topstukken onder te brengen in het voornaamste parcours en om van andere categorieën schilderijen en voorwerpen een ingedikte en informelere presentatie samen te stellen. We denken er ook over om op zaal de schilderkunst en beeldhouwkunst te mengen. Sculptuur valt nu onder kunstnijverheid. Er is geen enkele filosofische reden te bedenken waarom die niet met de schilderkunst mag worden getoond.

Maar ik zie het als mijn grootste taak om meer de aandacht te vestigen op de kunstnijverheidscollectie. Die wordt ten onrechte door de 17de-eeuwse schilderijen overschaduwd. Ik zie graag dat we daar briljante tentoonstellingen over gaan maken. Als die verzameling in een apart gebouw zou worden gepresenteerd, dan had je een wereldberoemd kunstnijverheidsmuseum.

Het zijn problematische presentaties, omdat er aan het publiek zoveel meer moet worden uitgelegd; over horloges, wandelstokken, kanten kragen, linnengoed, gegraveerde voorstellingen op glaswerk - noem maar op. Je kan er met gemak een tweede museum mee vullen. De poppenhuizen en de Nachtwacht zijn de prima donna's van het Rijks. Iedereen staat met zijn neus bovenop de poppenkamertjes. Maar het is zeer lastig om de magische schaal van die poppenhuis-interieurs te verleggen naar de zalen waar diezelfde voorwerpen in het groot staan. We streven er nu naar om op al die categorieën voorwerpen systematisch de schijnwerpers te richten.

Nederlanders houden tegenwoordig minder van tin en Delfts blauw. De economische welvaart en de interesse in 'life style' dragen er toe bij dat men een blad als The world of interiors leest, dat men antiek tuinmeubilair en mooie oude stoffen koopt. We kunnen dankzij de kunstnijverheid een referentiepunt zijn voor de goede smaak, hetgeen weer niet wil zeggen hier 'period interiors' in 'country house style' worden ingericht.

Inmiddels is Dierick Elders als zakelijk directeur aangesteld. Het Rijksmuseum is als een van de laatste musea verzelfstandigd en daardoor is een aantal financiële en organisatorische zaken nog niet op orde. In het najaar is dat financiële beeld rond. Voorlopig heb ik nog genoeg vragen over de samenstelling van de organisatie. Toen ik hier kwam werkten er 380 mensen, nu hoor ik dat het er 450 zijn, onder wie vele parttimers en stageaires. Hoe zit dat? Waarom is de werkdruk zo hoog op sommige afdelingen? Hoe liggen de prioriteiten? Houdt men zich daar misschien met de verkeerde dingen bezig? Moet het Rijksmuseum een zuinige of een ruimhartige werkgever zijn?

Financieel zitten we met ons uitgaven patroon muurvast, dus moet er ruimte voor nieuw beleid worden gecreeërd. Veel geld gaat traditioneel naar de exuberante vormgeving van tentoonstellingen. Dat zie ik voortaan liever naar de vaste presentatie gaan.

Passage

Beeldende kunst speelde in mijn ouderlijk huis geen rol van betekenis. Ik heb die interesse te danken aan het gymnasium en aan de bezoeken aan het Schiedams Museum, waar Pierre Janssen toen conservator was. Veel klasgenoten zijn later de kunstgeschiedenis in gegaan. En dankzij de schoolconcerten ben ik ook met muziek, vertrouwd geraakt. Het is nog steeds een droom van me aan het hoofd te staan van een operahuis.

Mijn vader had een bontzaak in de Passage van Schiedam, maar we woonden in Rotterdam. Vlakbij de zaak was een bioscoop en daar ging ik alle woensdagen naar films als De Tien Geboden en Spartacus. Die films hebben de barokke kant van mijn belangstelling ontwikkeld.

Mijn vroegste museumpassie was de Egyptische kunst. Om die reden ging ik in Leiden studeren, dichtbij het Museum voor Oudheden. Urenlang kon ik daar op een bankje naar die vorstelijke beelden van Maya en Merit zitten kijken, net als naar die boeddha's in het Museum voor Volkenkunde. Musea doen er goed aan de theatraliteit van indrukwekkende plekken te koesteren. Daarom is het serene gebouw van het Kröller Müller-museum ook altijd een magische ervaring.

Als student was ik dol op Henry Moore en de geometrische beelden van de Fritz Wotruba. Vraag niet waarom, want het is hopeloos om je liefdes te moeten verklaren. Wat de kunst nà 1914 betreft ben ik een liefhebber gebleven en geen professional geworden. Museum Boijmans Van Beuningen kende ik in die tijd al van haver tot gort.

Na het overlijden van mijn hoogleraar Henri van de Waal heb ik me in Leiden vooral op de boeken gestort, en die hebben me als het ware gevormd. Ik ben dol op het maniërisme, het symbolisme en het neo-classicisme, op de lineaire richtingen in de kunst. Bij mijn aankopen in het Van Gogh Museum heeft die lineaire helderheid altijd gedomineerd.

Uit reacties op de tentoonstellingen daar viel me op hoe vooringenomen deskundigen kunnen zijn. De 18de-eeuwse pruimen van Chardin doen mij veel meer dan de appels van Cézanne. Maar dat mag niet. Cézanne moet je altijd mooi vinden. Menigeen is ook bang voor het barokke, het feestelijke, de humor, voor het 'joie de vivre' in de schilderkunst. Een kunsthistoricus behoort niet in zo'n keurslijf lopen. Het doet me goed dat men met die versmaade Franz von Stuck, Puvis de Chavannes en Alma Tadema beter heeft kunnen kennismaken.

In tegenstelling tot Henk van Os ben ik in het Van Gogh voor het grote publiek nogal onzichtbaar gebleven. Zij die mij dienden te kennen, kenden mij toch wel. Ik hoefde het profiel van het museum niet aan te prijzen. Maar dat ligt bij dit veelzijdige Rijksmuseum volstrekt anders. Ik voeg mij naar de tradities, net als Henk zal ik in de enorme veelheid van dingen af en toe de schijnwerper ergens op plaatsen.

Mijn dag is gevarieerder dan ooit. Dat het Rijksmuseum zo'n brede uitstraling heeft verbaast me nog steeds, het is diep geworteld in dit land. Toch kom ik hier dezelfde problemen tegen als in het flexibele Van Gogh Museum. De schaal is alleen groter, omdat je met veel meer mensen hebt te maken.

We werken hier op afstand van de zalen in een naburige villa. En dat is jammer, vroeger stond je meteen tussen de kunstwerken. Gisterenmorgen zag ik weer die kindergroepen door het museum dwalen. Ineens besefte ik dat je je helemaal niet moet afvragen hoe je allochtonen of andere doelgroepen binnen krijgt, want ze zijn er allang!

Vooral als het hier in de villa stil en leeg is omdat de mensen op pad zijn, heb ik het slecht naar mijn zin. Directeuren van moderne kunstmusea kunnen met kunstenaars omgaan en daar benijd ik ze om, want ik heb altijd een functie geambieerd die dicht bij de mensen en de kunst staat. Daarom buig ik me als hoogleraar aan de Vrije Universiteit. zo graag een ochtend in de week samen met studenten over kunsthistorische onderwerpen.

We bestuderen 'de buitenlandse kunst in de 19de eeuw in Nederland'. Ik heb al aardig wat lacunes in openbare collecties ontdekt. De staat kocht eind vorige eeuw nauwelijks werken aan. Zo is de Franse salonkunst hier dun vertegenwoordigd, terwijl uit de inrichting van het Museum Willet-Holthuyzen in Amsterdam blijkt dat die hier razend populair was. Onze musea weerspiegelen die eeuw nu volstrekt anders. Al die schilderijen van Courbet, Corot en maar liefst 25 doeken van Gerôme zijn uit dit land vertrokken. Het lijkt me goed om nu, zonder dat de strijdbijl van de modernisten er nog aan te pas komt, opnieuw naar die ver verwijderde 19de eeuw te kijken.

Uit zo'n gezamenlijke studie komen weer artikelen en tentoonstellingen voort. Mao Tse Tung nam als hoogbejaarde man af en een duik om te laten zien dat hij nog zwemmen kon. Een museumdirecteur - en dit is geen grootheidswaanzin - moet net als Mao af en toe ook laten zien dat hij nog steeds geïnspireerd kan worden en dat hij er ook nog wat mee kan doen. Ik wil een schrijvend directeur blijven.