Vijftig zomers vol verre, hoge, oude kunsten

Jessica Voeten: Een Nederlands wonder. Vijftig jaar Holland Festival. Met bijdragen van Hans Abbing, Jan Blokker en Abram de Swaan. Walburg Pers/Stichting Holland Festival, 239 blz. ƒ 65,-

Alles bestaat vijftig jaar. Johan Cruijff, de Partij van de Arbeid, het Marshall-plan, India, straks Indonesië, Fanny Blankers-Koen en de Navo. Ook het Holland Festival bestaat een halve eeuw, maar anders dan Cruijff en de Navo, is het vandaag eigenlijk nog net zo als in 1948: een zomers festival in Amsterdam en andere steden, waar buitenlandse, en enkele inheemse, kunstenaars deftige voorstellingen geven voor buitenlandse, maar toch vooral inheemse, kunstgenieters. Tien jaar geleden schreef Jan Blokker al een herdenkingsboek over het Festival onder de veelzeggende titel Wij zullen dan maar hopen dat we er met een kleiner bedrag afkomen en de laatste jaren waren er steeds dreigende berichten over een opheffing van het zomerfeest. Tenslotte reizen Nederlanders tegenwoordig gemakkelijk voor een weekeindje naar Parijs, Londen of Berlijn of voor een weekje naar Madrid, Rome of New York om daar musea en schouwburgen te bezoeken. De stroom toeristen die Amsterdam het hele jaar door te verduren krijgt, hoeft ook niet te worden versterkt door de accu van een festival. En dan is er natuurlijk de televisie die de kunstuitingen uit de hele wereld bij de hele wereld in huis brengt. Maar de vijftigste editie van het Holland Festival is zojuist van start gegaan, en de toekomst lijkt, onder een nieuwe baas, verzekerd.

Na 3000 programma's, waaronder 40 wereldpremières, stukken van 200 toneelschrijvers, waaronder elf hamletten (Engels, Duits, Italiaans, Hebreeuws en dansend), onder zeven festival-bazen, was het tijd voor een serieuze terugblik. Ik stel me voor dat het archief van het festival-bureau bestaat uit een paar kasten vol programma's, correspondentie, notulen en krantenknipsels. Wie bij zijn verstand is zou de opdracht weigeren om uit zo'n berg papier een leesbaar boek te destilleren. De essentie van de 3000 programma's is immers vervlogen en hoogstens in de herinneringen van de kijkers nog levend, maar als ik het bij mezelf naga - zoals ik straks zal doen - zijn die herinneringen bedrieglijk en vol gaten. Er is wel een stapeltje cd's uitgekomen, maar je zou natuurlijk een video van tienduizend uur moeten bezitten.

We mogen Jessica Voeten dankbaar zijn dat ze de opdracht wel heeft aanvaard. Ze heeft dat kolossale materiaal intelligent verwerkt tot een elegant boek. Haar verhaal, vaak opgehangen aan individuele kunstenaars, wordt afgewisseld door een achtdelig vervolgverhaal 'De Onderneming', dat de notulen van de bestuurders, slechts in een enkel geval met de witkwast bewerkt, als uitgangspunt heeft, en door drie essays, van de historicus Blokker, van de socioloog De Swaan, en van de econoom Abbing. Niet leesbaar maar wel nuttig is een opsomming in tachtig grote bladzijden van alle drieduizend kunstprogramma's in de vijftig Hollandse festivals.

De schraperigheid bij de geldgevers, de angst voor experimenten bij de organisatoren, de acultureelheid van het Hof (Bernhard in 1959: “Vorig jaar heb ik ook nog een stuk gezien 'Oom Wanja', daar vond ik niets aan. Trouwens, ik vind al die stukken van Dostojewski vervelend”. Juliana zei in 1952 tegen Stravinsky zo op zijn werk gesteld te zijn. Maar toen hij vroeg welk stuk in het bijzonder, wist zij niets te noemen), de motieven van de ministers van cultuur (Brinkman: glijmiddel, d'Ancona: visitekaartje), de ruzies tussen de artiesten, de kleinzieligheden, de mislukkingen, de vergissingen, iedereen kan zich die zelf wel voorstellen. Maar er zijn ook steeds grote successen. De recensie-citaten zijn heerlijk om te lezen. In de eerste jaren valt opvallend vaak het woord 'weelderig'. Alleen Van Delden van Het Parool blijft knorrig over de muziek, zij het niet zo knorrig als zijn collega Prange in die tijd over beeldende kunst was.

Wat voor kunst brengt het Holland Festival? Geen jazz, geen pop, geen film, geen amateurtoneel, geen cabaret, geen literatuur. Abram de Swaan onderscheidt in zijn essay De culturele kubus drie dimensies om kunstuitingen langs te leggen: de as laag (populistisch) - hoog (elitair), de as conservatief (oud) - progressief (nieuw), en de as dichtbij (lokaal) - veraf (kosmopolitisch). De programmering van het Holland Festival bevindt zich in de hoek van de hoge, oude, verre, klassieke kunst, ook al kunnen volksdansen mits uit verre streken nog wel door de beugel, en ook al kreeg de avant-garde later meer kansen.

Het essay van De Swaan wordt verpest door wat ik 'imponeer-wiskunde' zou willen noemen. Uitgaande van drie dimensies kun je elk ruimtelijk figuur kiezen, en het blijft onduidelijk waarom het hier juist de kubus moet wezen. Die kubus lijkt er met zijn acht hoekpunten op te wijzen dat er maxima van conservatisme, progressisme, classicisme, moderniteit, nationalisme, internationalisme zouden bestaan, wat natuurlijk niet waar is. De Swaan vergist zich als hij opmerkt dat, wanneer de grootheden langs de drie assen niet onafhankelijk van elkaar zijn (en natuurlijk zijn ze dat niet), de drie assen schuin ten opzichte van elkaar komen te staan. Laat ik een simpel voorbeeld geven: als we in een vierkant elk mens zijn plaats geven naar zijn lengte in centimeters en zijn ouderdom in jaren, dan begrijp je dat de meeste mensen in een bepaalde baan van het vierkant zitten, maar ook voor zulke van elkaar afhankelijke grootheden is het assenkruis van Descartes zeer bruikbaar, en de hoek tussen de assen van geen enkel belang.

Jan Blokker vraagt zich in zijn essay af of een volk in vijftig jaar kan veranderen. Huizinga heeft het Nederlandse volk gekarakteriseerd als onnationalistisch, schoon, en verdraagzaam. Blokker laat zien dat die kenmerken voor het Nederlanderdom van 1997 niet opgaan, maar het blijft de vraag of dit nu op een verandering van het volk wijst of op een trits vergissingen van de Leidse hoogleraar, die ook verder in de hoekpunt conservatief-oud leefde.

Hans Abbing stelt voor om de overheidsbijdrage aan de kunsten niet als subsidie maar als giften te beschouwen. Het is inderdaad moeilijk, en nogal beschamend, om met redelijke argumenten voor die steun uit de schatkist aan te komen. We moeten het er maar op houden dat we het Holland Festival betalen zoals we het nette pak van Kok en de hoedjes van de koningin betalen: omdat we denken dat het zo hoort.

Wie dit jaar in Carré de opening van het festival zag, zal wel enige moeite hebben gehad met de dimensies van De Swaan. We hoorden het Orkest van de Achttiende eeuw (zeer elitair, oud, buitenlands, zij het onder leiding van de Nederlander Brüggen) de Zomernachtsdroom van Mendelssohn (negentiende-eeuws, tamelijk populair) spelen, terwijl in de pauzes van de symfonie een paar beroemde Nederlandse acteurs de essentiële gedeeltes van Shakespeares Midzomernachtsdroom speelden (dichtbij, zeer schmierend-populair). Toen zelfs onder de muziek elke kijker en luisteraar in de zaal een glas champagne kreeg opgedrongen en dus een algemeen gemurmel ontstond en toen ook nog tot overmaat van botheid op de muur de namen Lotto en Giroloterij werden geprojecteerd, barstte de Kubus van De Swaan in een vrolijk, yupperig, zeer luchtig en allerminst elitair avondje in stukken. In 1948 was dit onmogelijk geweest.

Mensen boven de zestig jaar moeten proberen in de lange rij van kunstmanifestaties achterin het boek te kijken welke zij zich nog herinneren. Hier is mijn oogst.

In 1948 was ik te jong, maar ik ging wel aan mijn vaders hand in het Rijksmuseum naar schilderijen uit de Münchense Pinakothek kijken, en nu lees ik dat tot 1977 de musea tentoonstelden in festival-kader. In 1949 zag ik Fietsendieven in Scheveningen, en nu leer ik dat in die jaren ook film tot het festival hoorde. In 1950 zag ik voor het eerst een orkest Bach spelen, maar ik kan niet vinden welk programma het was. In 1951 gingen we met de vierde klas naar Elkerlijk in Delft. In 1952 zag ik mijn eerste Sjarov: de Kersentuin. In 1953 zag ik voor het eerst ballet, met Van Manen lees ik nu. In 1954 hoorde ik Brouwenstein als Desdemona, of was het in 1957? In 1956 zag ik Noiret in l'Avare en in 1957 de beroemde voorstelling van Moortje, met Ward als Moy-Aal.

In 1958 speelde Vilar Henri IV, in 1959 ging ik naar de filmweek in Arnhem, in 1960 hoorde ik Bentz van den Berg Onder het Melkwoud voordragen. In 1961 de Krijtkring van Brecht, in 1963 de Uitkomst van Heijermans, en in 1964 Spinoza van mijn vriend Dimitri. In 1966 Warenar en in 1967 vertelde Hoving een paar van mij gekochte grappen in Tingeltangel - dus cabaret hoorde er ook bij, al was Sieto natuurlijk héél erg beschaafd.

In 1968 zag ik het American Dance Theatre en in 1969 kwam Reconstructie alle deftige organisatoren opschrikken. Voeten vertelt het verhaal van de angstige organisatoren prachtig, maar dat het enige Nederlandse politieke stuk in het Holland Festival, geschreven door alle beroemde Nederlandse schrijvers en componisten samen, nu juist de verheerlijking moest zijn van het communistische Cuba, dat nu, afgezien van Noord-Korea, nog het enige fossiel van het communisme vormt, zou ons tot schaamte moeten bewegen. 1970: Orlando Furioso. 1971: Alice in Wonderland van Manhattan. 1972: de ontdekking van Freek en Bram in Neerlands Hoop. 1973: Het Nederlands Blazersensemble met zang van Kweksilber. 1974: ik zie en hoor op Poetry International (toen nog festival-onderdeel) de dichters Charles en Brodsky. 1975: Endgame van Beckett. 1976: de spiegeltent op het Museumplein. 1977: Vrouwencabaret.

In 1982 zie ik de Zauberflöte in Den Haag waar het zo warm is dat ik in een korte broek ga. 1983: Philoktet (dus Duits). 1984: Raaijmakers. 1985: Herenleed. 1986: De geschiedenis van de Cambodjaanse vorst Norodom Sihanoek in het Tropenmuseum, politiek theater waar je je niet voor hoeft te schamen. In 1987 moest ik in De Nieuwe Kerk over iets spreken, maar ik herinner mij alleen een ontbijt met Den Uyl en dat ik als honorarium een kaartje voor een uitverkochte voorstelling vroeg. Toen ik dat ging halen gaf het Festival mij een kaartje voor iets anders, omdat mijn keus 'uitverkocht' was. Ze kunnen zeuren wat ze willen, maar ik zal nooit de Otello voor ze zingen.

1988: Nixon in China, dat was pas politiek theater! 1989: ik vond Pantagruel (na de eerste keer 'wegens gebrek aan kwaliteit' afgelast) beter dan De Materie. 1990: Kagel in de IJsbreker. 1991: foto's van Blazer uit het Spanje van 1937 en de Ebony Band van Herbers. 1992: Gyges, omdat mijn dochter dat met Duits op school las. 1993: Vervelend ballet van De Keersmaeker in de Beurs. 1994: twee verrukkelijke Chinese operaatjes in de Westergasfabriek plus The Man Who van Brook. 1995: Esmée van Loevendie en Blokker. 1996: Otello met een afgrijselijke Rus. 1997: Piccoli en Childs onder regie van Wilson in Amstelveen, maar nee: dat zie ik pas vanavond in Amstelveen.

Ja, ik heb veel aan dat stomme Festival te danken, en als u onder de zestig jaar bent, kunt u er de komende vijftig jaar nog veel aan gaan danken.