Vierde van Vermeulen vitaal en krachtig

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v Valery Gergjev. Werken van Vermeulen, Oestvolskaja en Prokofjev. Gehoord: 5/6 De Doelen Rotterdam. Herhaling: 6/6 Concertgebouw Amsterdam.

Critici zijn net vliegjes die krioelen rond componisten, te onbeduidend om dood te slaan, meende Earle Brown. Het had een uitspraak van Matthijs Vermeulen kunnen zijn, want wat werd geschreven over zijn Vierde symfonie - gisteravond op de lessenaars bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest en Valery Gergjev in De Doelen, vanavond in het Amsterdamse Concertgebouw - loog er niet om. “Een barbaarse, bijzonder Germaanse stemming van opdringerige brutale motieven”, noteerde het Vrije Volk na de eerste uitvoering op 30 september 1949, eveneens door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van Eduard Flipse in de Koninginnekerk. Langs elkaar krioelende zelfstandige stemmen in een galmende kerkakoestiek - het zat Vermeulen niet mee!

Aan zijn zoon Josquin schreef de componist op 30 juli 1940 (de eerste noten had hij op 1 juli van dat jaar aan het papier toevertrouwd): “Het steekt van wal met een massa doedelzakken die plotseling beginnen te zingen met duizenden stemmen van eertijds en altijd.” De échte doedelzakken bij het geallieerde bevrijdingsleger lieten vijf jaar op zich wachten. De componist zelf betitelde de symfonie met Les Victoires, al vond hij zelf dit optimisme ongewoon: “Ik werk in het vreugdevolle en opwekkende, wat nogal vreemd is.”

Een dodenmars en een oorlogslied verraden een begrijpelijker gemoedsstemming. Toch is zelfs het karakter van de marcia funebre verre van terneergeslagen. Hobo en klarinet doedelen in de inzet in snelle triolen en na een twee minuten inleiding komt de actie op gang, geleidelijk maken zich langere melodieën los, veel herkenbaarder dan in zijn overige symfonieën.

Er zijn drie thema's: een ritmisch, een lyrisch en een beschouwend. Een enorme kracht ontwikkelt de groot bezette blazersgroep naast het reusachtige strijkerscorpus zes slagwerkers. Maar 'barbaars' en 'brutaal' zijn absoluut ongelukig gekozen karakteristieken. Er is veel rembrandteske clair-obscur en Vermeulens muziek is eerder verwant met Duitse expressionisten dan met zijn speels vrijblijvende Franse tijdgenoten. Krachtig en vitaal is toch echt iets anders dan barbaars en brutaal. Vooral hartstocht en compassie spreken uit deze buitengewoon geïnspireerde muziek.

Hartstocht klonk soms zelfs te veel. Wanneer je het koper enthousiasmeert, moeten de overige blazers extra decibels geven en is voordat je het weet de klankbalans verstoord. Jammer vond ik dat Gergjev na een hoogtepunt (ongeveer op acht minuten) een cesuur aanbracht, want er staat slechts een dubbele streep alvorens een lyrische ontboezeming inzet. Tot het typisch tomeloze Vermeulen-karakter behoort de ononderbroken spankracht. Maar Flipse's devies 'Doe het mijnentwegen met de zool van je schoen, maar speel het met je hart en je ziel' heeft ook Gergjev zich eigen gemaakt en de klankverhoudingen - minder bruut en scherp - zullen in Amsterdam zeker gunstiger uitvallen.

Wat het Concert voor piano, strijkorkest en pauken van Galina Oestvolskaja betreft: de Sovjetrussische critici in Stalins tijd waren geen vliegen, maar horzels, wat zeg ik: slangen. Oestvolskaja werkte zo mogelijk nog geïsoleerder dan Vermeulen. Maar ik had mij meer voorgesteld van dit werk uit 1946: het heeft nog niets van de latere compromisloze onverzettelijkheid. Het is een concert in de speels-grillige stijl van Sjostakovitsj met als curiositeit a-virtuoze cadenzen, vaak eenstemmig, zoals de latere pianopreludes. De piano zingt niet, maar declameert.