The Homecoming subtiel en toch ruig

Holland Festival. Voorstelling: The Homecoming, van Harold Pinter, door het Royal National Theatre. Regie: Roger Michell; decor: William Dudley. Gezien: 5/6 Stadsschouwburg, Amsterdam. T/m 7/6 aldaar; inl 020-6276566.

Hoe wilt u uw Homecoming hebben? Als licht-absurdistische klucht of bikkelharde psychothriller? Als dolle komedie of strenge zedenschets? Rauw, halfrauw of zacht? Het Royal National Theatre uit Londen koos voor de halfrauwe variant: hier wordt subtiel gepinterd en toch ruig, vertrouwd en toch vervreemdend.

Dat de heren op het toneel de proletarische klasse verbeelden blijkt reeds uit hun uiterlijke verschijning. Die is verslonsd danwel overdreven verzorgd: puntschoenen aan de voeten, een gouden ring om iedere vinger, een namaakzijden pak om het bleke, met fish & chips gevoederde lijf.

Het blijkt ook uit de manier van praten: de voertaal is cockney, vermengd met statige frasen om indruk te maken. En het blijkt bovenal uit de verwilderde zeden, van het te gulzige inhaleren tijdens het roken tot en met het spuwen en grommen en slaan.

Dergelijke clichés stellen ons op ons gemak. Hoera, we mogen weer aapjes kijken! Zo bekeek ik het eerste bedrijf: cynisch en afstandelijk, ongeroerd en hoog boven de materie verheven. Maar tijdens het tweede bedrijf, als het gedrag van de personages niet meer geheel aan onze verwachtingen voldoet, is het moeilijk om in die superieure houding te volharden. Dan zuigt deze Britse Familie Flodder ons op, dan annexeert zij ons, net zoals ze Teddy en Ruth, de buitenstaanders, weet in te lijven.

De oudste zoon Teddy is in het holst van de nacht teruggekeerd naar het ouderlijk huis, waar de moeder ontbreekt en zijn vader, zijn oom en twee broers de lakens uitdelen. Als enige uit de familie heeft Teddy het gemaakt, in Amerika nog wel; hij is daar filosofieprofessor en anders dan zijn Noord-Londense broertjes, die maar wat aanrommelen als bokser en souteneur, is hij erin geslaagd een gezin te stichten.

Na zes jaar Amerika wil Teddy weleens zien hoever hij van zijn roots verwijderd is geraakt. Tegen zijn verwanten schept hij op over het intellectuele evenwicht dat hij zou hebben gevonden en dat hem in staat zou stellen de dingen als een toeschouwer te bezien, dus zonder zich erin te verliezen. Maar zijn gebluf lijkt verdacht veel op dat van de andere mannen uit zijn familie en die krijgen van hem gedaan wat zij wilden: ze krijgen Ruth, Teddy's echtgenote. Hij vertrekt, met hangende pootjes, zij blijft, als surrogaatmoeder, madonna en hoer.

Machtsspelletjes worden er in dit uit 1965 daterende stuk van Harold Pinter gespeeld, spelletjes waarin men elkaar met slimme en minder slimme leugens vernedert en lokt en bangmaakt - steeds met de mannelijke versus vrouwelijke seksualiteit als inzet.

De gebroeders Lenny en Joey proberen te imponeren met verhalen over geweld tegen het zwakke geslacht, vader Max bluft over de verrukkelijkheden van zijn overleden eega Jessie en zijn broer Sam, een sullige chauffeur, droomt van de zwoele zomeravonden waarin hij deze voormalige vrouw des huizes rondreed.

Ook nu is het zomer, ook nu is het zwoel, en met haar zwoele stem verhit Ruth (een koel-keurige maar o zo geraffineerde Lindsay Duncan) de gemoederen. Lenny hitst zij op met een verhaal over haar voorbije loopbaan als naaktmodel en Joey drukt ze tegen haar borst: sluimerende behoeften aan liefde en warmte wekt, zij maar ook de mannenwens te pronken met een vrouw als statussymbool. Ruth maakt zich onmisbaar, domineert en wint. In het laatste tafereel liggen alle mannen, behalve die van haarzelf, als lammetjes aan haar voeten.

Alleen: waarom wil zij de baas spelen over een stelletje mislukkelingen? Omdat ze zich bij hen thuisvoelt, zoals de titel suggereert? Omdat ze een nymphomane is, een smakeloze hoer? Omdat ze zich te pletter verveelde naast haar filosofische echtgenoot? Bevrijdt zij zich door in gevangenschap te gaan bij een losbollig en gevaarlijk gezelschap? En trouwens, hoe gevaarlijk is dat gezelschap eigenlijk?

Joey (Eddy Marsan) met zijn trage tongval en plotse woedeaanvallen lijkt nogal hulpeloos en Lenny (Michael Sheen) blikkert iets te vaak met zijn tanden om geloofwaardig te zijn. Sam (Sam Kelly) wordt door iedereen uitgelachen en de oude Max (David Bradley) manifesteert zijn autoriteit hoofdzakelijk door woest met zijn wandelstok om zich heen te meppen. Regisseur Roger Michell zet hen in een desolate huiskamer die claustrofobische gevoelens opwekt maar niettemin een uitweg openlaat: doorzichtige gordijnen, bij wijze van wanden, bieden uitzicht op de gang naar buiten.