Stumperds die zich goden wanen

Raoul Schrott: Finis Terrae - een nalatenschap. Uit het Duits vertaald door Ronald Jonkers. Uitg. De Geus, 237 blz. ƒ 39,90 (geb.)

'Toen we het eiland (-) dichter naderden, raakte de zee in opschudding, het eiland beefde en heel de zee bruiste en kookte met hoge schuimtoppen.' De zeevaarder die dit eiland voor het eerst in kaart bracht noemde het Thule. Thule: in de klassieke oudheid was dat de rand van de wereld.

Inmiddels weten we dat de wereld rond is en niet plat, we weten dat Thule IJsland geweest moet zijn en we kennen de naam van de koene zeevaarder. Pytheas van Massalia waagde het, ruim 330 jaar voor Christus, de zuilen van Hercules te passeren en de vertrouwde Middellandse Zee te verruilen voor de ongewisse Okeanos, wiens stromingen hem naar het hoge noorden voerden, ver weg van de Griekse beschaving. We weten ook dat Pytheas die reis niet ondernam om handel te drijven maar alleen om zijn honger naar kennis te stillen. Helaas zijn er van zijn reisverslag maar een paar brokstukken bewaard gebleven. De jonge Oostenrijkse schrijver Raoul Schrott vult ze aan; hij beweert een papyrusrol in handen te hebben gekregen met daarop het origineel van Pytheas' weetgierige logboek.

In zijn prozadebuut Finis Terrae doet Schrott zich voor als de nederige bezorger van andermans teksten. Een zekere Ludwig Höhnel zou hem vier schriften hebben nagelaten: het door Höhnel vertaalde reisverslag van Pytheas, een carnet vol afschriften van Höhnels brieven, een geschrift van Höhnel over zijn jeugd in voormalig Duits-Namibië en een onder andere door Ludwigs grootvader genoteerd verslag van een fatale expeditie naar een eiland in het Keniase Rudolfmeer.

De puzzelstukken die Schrott ons voorlegt passen op het eerste gezicht slecht bij elkaar. Wat hebben het Rudolfmeer, IJsland en Namibië in godsnaam met elkaar te maken? Schrott noemt namen, namen en nog eens namen, van wetenschappers uit alle tijden, van steden, wateren, volkeren, sterren, planeten en manen - en aanvankelijk overheerst de ergernis. Zie deze jongen eens pronken met weetjes van het Internet! Waarom koos hij zo'n ingewikkelde structuur voor zijn boek? En waarom leunt hij zo zwaar op Christoph Ransmayr?

Schrott doorstaat de vergelijking met zijn oudere landgenoot verre van glansrijk: Finis Terrae is onsamenhangender, stroever, omslachtiger en gekunstelder dan De laatste wereld of De verschrikkingen van het ijs en de duisternis, twee Ransmayr-klassiekers uit de jaren tachtig die, toegegeven, moeilijk te overtreffen zijn. En toch gaat er van Finis Terrae, in 1995 verschenen en nu heel mooi vertaald door Ronald Jonkers, een bekoring uit waardoor je Schrott zijn epigonisme uiteindelijk vergeeft. Het sterke punt van zijn boek blijkt juist de raadselachtigheid: die boeit naarmate zij groeit, die prikkelt onze versufte fantasie en tegelijk ons intellect.

Zoals Pytheas van Massalia uit nieuwsgierigheid de rand van de aarde zocht, zo maakt Ludwig Höhnel dezelfde tocht uit nieuwsgierigheid naar de ervaringen van zijn voorganger. Höhnels reis naar het einde van de wereld - hij strandt in Lands End, een rots in het huidige Cornwall - is een reis naar de grenzen van zijn bewustzijn. Maar werkelijk greep op Höhnels innerlijk krijgen we niet, daarvoor verzwijgt hij te veel, daarvoor verschuilt hij zich te vaak achter anderen, net als de auteur, die ook liever ongrijpbaar blijft.

De summiere gegevens die Schrott over zichzelf verstrekt konden best eens onwaar zijn. Geboren is hij, zegt hij, op een schip naar Brazilië, hij groeide op in zowel Tunis als Tirol en later was hij volgens zijn zelfgefabriekte overlevering de secretaris van Philippe Soupault, 'de laatste surrealist'. Zeker is in elk geval dat Schrott gedichten heeft geschreven waarvoor hij vele prijzen kreeg. Hotels heet een van zijn bundels: een toepasselijke titel voor een schrijver die zich niet in een hokje of een huisje wil laten duwen.

De streken die Schrotts literaire alter ego's aandoen zijn dus niet erg huiselijk, eerder unheimlich en doods. Erin wonen is moeilijk door het geweld van de zee en de wind en de dikwijls vulkanische kracht van de aarde. Stukken land zijn het die gedoemd zijn teniet te gaan en zich over te geven aan de vergetelheid. Ook Höhnel zoekt de vergetelheid, hij is ziek, hij heeft waarschijnlijk aids, en hij is weerbarstig, nog even sputtert hij tegen. Alle personages in Finis Terrae zijn weerbarstig. Ze proberen ongenaakbaar te zijn als de rotsen, maar noch zijzelf noch de rotsen bezitten het eeuwige leven en ten slotte verdwijnen zij, in de golven bijvoorbeeld of in een peilloos diep gat.

En dat geschiedt geruisloos. Voor Raoul Schrott, ter wereld gekomen in 1964, heeft de dood iets romantisch, net als een ontdekkingsreis waarvan je niet weet hoe die afloopt. Zelfs het sterven van de aarde is met heroïek omgeven. Misschien zal zij ten onder gaan zonder sporen achter te laten, misschien ook niet. Haar verdwijnen zal hoe dan ook worden bezongen, door buitenaardse wezens die evenveel behoefte aan mythes en legenden hebben als wijzelf. Want hoe nauwkeurig we het heelal ook onderzoeken, toch bevredigen de wetenschappelijke antwoorden op de vragen naar oorsprong en einde van al het bestaande niet helemaal. We floepen het leven binnen door een gat, een gat tussen de benen van onze moeder, en we verlaten het weer door een gat, maar wat was er vóór dat gat en wat is er daarna, daarachter?

Raoul Schrott waagt zich diep in terra incognita, gewapend met landkaarten en routebeschrijvingen - en komt nauwelijks verder dan Pytheas van Massalia. Zo wijs waren de oude Grieken, zo wijs zijn wij tegenwoordig: we blijven stumperds, al menen we goden te zijn.

Tijdens het 28ste Poetry International Festival zal Raoul Schrott drie keer optreden: op ma. 16 juni leest hij gedichten, op wo. 18 en do. 19 houdt hij lezingen over 'De uitvinding van de poëzie'.