Studies van het oude Alexandrië; Wellustige fata morgana

Christopher Haas: Alexandria in Late Antiquity. Johns Hopkins University Press, 494 blz. ƒ 124,30

Maria Dzielska: Hypatia of Alexandria. Harvard University Press, 157 blz. ƒ 33,50

André Aciman: Uit Egypte. Vertaling: Babet Mossel. Meulenhoff, 325 blz. ƒ 45,-

Er zijn plaatsen op aarde waar je wel naar toe kunt gaan, maar waar je, hoe je ook zoekt, nooit aankomt. Je kunt naar Arcadië reizen, maar je zal je er nooit in Arcadië wanen, je kunt Babylon bezoeken maar daar nooit in Babel zijn.

Zo zijn er vele plaatsen die wel bestaan, maar die je toch niet vindt op de plek die de kaart aangeeft. Ze bestaan alleen maar in de wereld van de geest. Geen archeoloog zal in Irak het Babel van Semiramis vinden of het Rome dat de middeleeuwer met ontzag vervulde. Het bevindt zich niet meer op de plekken van die naam. Het verheven Athene van Socrates, de marmerblanke heilstaat van geest en kunsten, de eeuwige maat van alles wat goed en schoon wil zijn, heeft zelfs nooit in Griekenland gelegen. Je kon het wél in het negentiende-eeuwse Pruisen vinden, waar het met zijn vermeende orde en zuiverheid de Duitse intellectuelen in vervoering bracht. Ze kenden er blindelings de weg, want ze hoefden hun ogen maar te sluiten en hun verbeelding de vrije loop laten om er rond te kunnen wandelen.

Er was nóg een klassieke stad die in de verbeelding van het nageslacht zou overleven, maar die naar aard en wezen de ontkenning van het klassieke Athene was. Alexandrië. Strikt genomen was het niet eens een klassieke stad, ze was pas in 332 voor Christus in Egypte gesticht door de toekomstige veroveraar van Azië. De eerste bloeitijd zou vallen in de periode die als het Hellenisme de geschiedenis zou ingaan, volgens de partijgangers van het geïdealiseerde Athene een tijd van het voortschrijdend verval. De nieuwe, artificiële stijl van kunst en letteren waarvan de flamboyante wereld van Alexandrië het onrustig hart was, werd enigszins laatdunkend 'asianisch' genoemd vergeleken met het verheven, klassieke 'atticisme', dat zijn naam ontleende aan de landstreek rond Athene waar Socrates en de zijnen al filosoferend hadden rondgewandeld. Als Athene de hoofdstad van de geest was, dan was Alexandrië die van het lichaam, of liever, van de sensualiteit.

In tegenstelling tot die van Athene heeft de geschiedenis van Alexandrië tot weinig grote studies aanleiding gegeven. Voor de eerste eeuwen hebben we P.M. Fraser's Ptolemaic Alexandria. Nu, met het verschijnen van Alexandria in Late Antiquity van Christopher Haas, krijgt ook de periode van circa 300 na Christus tot de verovering door de Arabieren de geschiedschrijving die haar toekomt. De ondertitel geeft aan waar Haas zijn accenten legt: Topography and Social Conflict. Dat houdt in dat het uiterlijk van de stad en de rol die de openbare ruimtes in het leven van de Alexandrijn speelden, op de voorgrond treden. En waar traditioneler historici geneigd zijn dit tijdperk te zien in het altijd wat schrale licht van kerkgeschiedenis en geestesleven, toont Haas ons hoezeer de verschillende bevolkingsgroepen van de stad - Grieken, Egyptenaren en joden - en de verschillende geloofsgemeenschappen - helleense, christelijke en joodse - naast en met elkaar leefden. Zijn kijk geeft ons een Alexandrië dat we niet kenden, al vermoedden we natuurlijk wel dat het moest hebben bestaan. De bevolking bestaat niet meer alleen uit verkalkte filosofen en ruziënde bisschoppen.

Nu kunnen mythes slecht tegen feiten, maar in het geval van Alexandrië merk je tot je verbazing en genoegen dat het tegendeel het geval is. In plaats dat de werkelijkheid de verbeelding doodslaat, spréékt ze tot haar. Dat ligt niet alleen aan de feiten maar ook aan de aanpak van Haas. In zijn beschrijving van de Via Canopica - de brede boulevard die van oost naar west de stad doorkruiste, waarlangs de processies trokken, waar staatshandelingen werden verricht en gouverneurs en bisschoppen hun intocht hielden, waarlangs misdadigers naar hun ellendige einde werden gesleept - ontvouwt zich de stad in al haar exotische grandeur. We zien de zuilengalerijen vóór ons, de parken, de wonderbaarlijke tempel van Serapis, de dierentuin, het museum met de bibliotheek en de hogeschool, de paleizen en kerken, het wereldwonder van de vuurtoren en het merkwaardige heiligdom van de herdersgod Pan dat zich op een kunstmatige heuvel bevond en vanwaar men een uitzicht over de stad had.

Haas' boek is des te meer welkom omdat de glans van het laat-antieke Alexandrië enigszins dreigde te verbleken. Nog niet zo lang geleden was men niet alleen door de praal van het Hellenisme gefascineerd, maar ook door de culturele omwenteling die zich in de roerige vierde eeuw na Christus voltrok, de periode dat het christendom zich als maatschappelijke macht ontplooide en, min of meer gedwongen door zijn eigen succes, de confrontatie met de niet-christelijke wereld aanging.

Onverzoenlijk en exotisch

Anders dan het wat brave westerse christendom was het Grieks-Egyptische in de verbeelding van later tijden fel, onverzoenlijk en exotisch. De oriëntaalse kerkvorsten waren eerzuchtiger, de asceten extremer en de monniken gewelddadiger dan in van de rest van de wereld. Hun tegenspelers - de joden en de niet-christelijke Grieken en Egyptenaren die in fanatisme niet voor hen onderdeden - werden vereerd om hun intellectuele tradities, hun oude mysteriën, alchimie en magie en om hun filosofische doctrines die in de tweede helft van de negentiende eeuw, die een broeikas van esoterisch sektarisme was, nieuwe adepten kregen.

Schrijvers en kunstenaars raakten geboeid door deze overgangstijd, die ogenschijnlijk veel gemeen had met hun eigen tijd, waarin een oud en een nieuw Europa tegenover elkaar stonden. Niet voor niets koos Anatole France voor zijn roman Thaïs uit 1890 het Alexandrië van de vierde eeuw na Christus als decor. Hoewel geen propagandist van het christelijk geloof, had hij als zijn hoofdpersoon een door geloofsijver verhitte monnik genomen die zich tot doel had gesteld de schone Alexandrijnse danseres en edelprostituée Thaïs te bekeren en haar het klooster in te voeren. Zijn missie bracht de monnik in de verdorven paleizen van de Alexandrijnse haute volée, waar alles - mens, dier en ding - bedoeld was om de zinnen te prikkelen.

Het Alexandrië van Anatole France is tot in zijn stenen doordrenkt van de wellust, een woord dat op vrijwel elke bladzijde schittert. Hij beschrijft een wereld vol nutteloze objets de vertu en een overdaad aan behaagzucht, die ongunstig afsteekt bij de zuivere eenvoud van het christelijk plattelandsleven. De verdorvenheid van de stad was een negentiende-eeuwse projectie, want in werkelijkheid was het christendom eerder een stadsgeloof dan een plattelandsgeloof.

In tegenstelling tot de oriëntalisten, die zich aan een bestaande werkelijkheid konden vergapen, heeft Anatole France nooit gezien wat hij beschreef. Zoals Arcadië in de oudheid al het onwerkelijke land was geworden van de charmes van het rustieke leven - overigens een Alexandrijnse schepping - zo werd het oude Alexandrië aan het eind van de negentiende eeuw de gefantaseerde hoofdstad van alles waarover een fatsoenlijk mens niet openlijk sprak. De benauwde, met prullen overladen, salon van het fin de siècle werd overgeplaatst naar de late oudheid en daar nog eens gestoffeerd met geweld, erotiek en esoterica.

Verval en zinnelijkheid

De sensuele reputatie van Alexandrië was niet uit de lucht komen vallen. Al in de renaissance was de stad met verval en zinnelijkheid in verband gebracht door de verhalen rond Cleopatra, die met weinig meer dan haar charmes en de grandeur van haar stad de groten van haar tijd zo wist te bedwelmen dat een van hen, Marcus Antonius, een rijk wilde opofferen voor een leven aan haar zijde. Later kwam daar nog de late oudheid bij, waarin men de zinnelijkheid van het oude heidense verleden afzette tegen de wereldverzaking van het christendom. Op die manier kon men zonder veel aanstoot te geven naast de vrome monnik een wulpse danseres ten tonele voeren.

Maar de stad had ook een eerbiedwaardige intellectuele traditie. Degenen die in de christelijke martelaren geen spirituele voorvaders wilden zien, hadden een kampioene gevonden in de persoon van de schone Hypatia, helleens - dus niet-christelijk - filosofe en hoofd van de roemruchte School van Alexandrië. We komen haar tegen in de monografie die Maria Dzielska aan haar heeft gewijd. Het is een dun boek want Hypatia's leven is alleen in grote trekken bekend. Van haar filosofische denkbeelden is niets overgeleverd, haar belang ligt in de manier waarop ze om het leven is gekomen. In het jaar 415 stonden het wereldse gezag, in de persoon van stadsgouverneur Orestes, en het religieuze, in de personen van de later heilig verklaarde bisschop Cyrillus, op gespannen voet met elkaar. De 50-jarige Hypatia, die een geziene gast was bij de gouverneur, werd door een groep christelijke ijveraars op straat overvallen en naar de kathedraal gesleept, waar ze werd gelyncht, in stukken gesneden en verbrand.

Zo werd ze de martelares van de anti-klerikalen en de heldin van aanhangers van het moderne hellenendom als Leconte de Lisle, Barrès en vele anderen. Hypatia was ook de titelheldin van de roman die Charles Kingsley al eerder, in 1844, had laten verschijnen. De schrijver, een dominee met een afkeer van het antieke oostelijk katholicisme met zijn bandeloze monniken en machtsbeluste bisschoppen, had sympathie voor zijn heldin, die door hem werd omgevormd tot het toonbeeld van gematigdheid en redelijkheid.

Ze verschijnt als een schone vrouw - 'de geest van Plato in het lichaam van Aphrodite' - van vijfentwintig jaar, gekleed 'in een eenvoudig, oud, sneeuwwit Ionisch gewaad'. Ook het vertrek waarin ze zich bij haar introductie bevindt heeft niets van de traditionele Alexandrijnse weelderigheid. 'De kamer was ingericht volgens de meest zuivere Griekse stijl, niet zonder een wat geposeerd archaisme door de strengheid van haar vormen en de ingetogen pasteltinten van de fresco's die de muren versierden met episodes uit de oude mythen van Athene.'

Om haar eerbaarheid te benadrukken laat Kingsley zijn heldin dus symbolisch verhuizen naar Alexandrië's tegenvoeter, het negentiende eeuwse Athene. Voor de rest is het decor weer exotisch. Onverwacht komt de lezer een expeditie van een handjevol Gothische huurlingen tegen dat stroomopwaarts de Nijl op vaart. Ze zijn niet op zoek naar de legendarische bronnen van de rivier, een doel van menig ontdekkingsreiziger in Kingsley's tijd, maar naar Asg©1ard, de verblijfplaats van de Germaanse goden.

Zoals ook later bij Anatole France wordt het conflict tussen heiden en christen neergezet als een strijd tussen liberalisme en gematigdheid enerzijds en conservatisme en orthodoxie anderzijds. Toch gebeurde het zelden dat de schrijver het geloof totaal afwees en de absolute vrijheid van lichaam en geest predikte. Juist in de negentiende eeuw werd de Alexandrijnse zinnelijkheid onderdrukt door de kuise verhevenheid van Athene.

Na de verovering door de Arabieren raakte Alexandrië in verval, tot ze aan het begin van de negentiende eeuw nog maar een schamele 5.000 inwoners telde. In die tijd begon de stad door toedoen van Mohammed Ali, de plaatsbekleder van de sultan, aan een wonderbaarlijke wederopstanding. Deze in Albanië geboren onderkoning van Egypte wilde van het onbeduidende stadje de poort naar Europa maken. De zaken werden voortvarend aangepakt. Er werden Europese architecten aangetrokken. Fransen, Italianen, Grieken, joden en Armeniërs gingen in de nieuwe stad wonen en honderd jaar later, aan het begin van de twintigste eeuw, telde Alexandrië al weer meer dan 400.000 inwoners, evenveel als ze gedurende haar glorietijd in de oudheid had gehad. Zeventigduizend van hen waren buitenlanders. Men werd er snel rijk, het mondaine leven, Frans met een Grieks-oriëntaals tintje, bloeide. Net als destijds de stad van Alexander was de stad van Mohammed Ali een nieuwe stad, sporen van een eerder bestaan waren niet zichtbaar, althans niet voor het oog.

Konstantinos Kavafis was een van de 30.000 Grieken die in het laatste kwart van de negentiende eeuw naar Alexandrië waren verhuisd. Opgegroeid met de Griekse cultuur was hij vertrouwd met het Alexandrië van de geest. Nergens was die stad meer een oord der verbeelding dan op die plek waar ze meer dan duizend jaar geleden in werkelijkheid had bestaan. Zoals Mohammed Ali op de oude stad een nieuwe had gebouwd, zo bouwde Kavafis op de oude mythe een nieuwe. Daardoor woonde hij niet alleen in de stad, maar woonde de stad ook in hem, waar ze samensmolt met het oude Alexandrië, tot er een nieuwe stad ontstond die tegelijk werkelijk en onwerkelijk was, die zich zowel in het heden als in het verleden bevond - zo alomtegenwoordig was er geen ontkomen aan. 'De stad zal je altijd volgen' schrijft Kavafis in het gedicht De stad, en verder: 'Altijd kom je in deze stad terug, hoop niet op iets anders'.

Kavafis zou voor onze tijd de genius loci, de geest van de stad, worden. De verspreiding van de literaire roem van het nieuwe Alexandrië was het werk van E.M. Forster, die er gedurende de Eerste Wereldoorlog verbleef en met Kavafis bevriend raakte. Toch speelt de sensuele stad in Forsters werk - niet in zijn leven - een minder grotere rol dan in de monumentale romancyclus, The Alexandria Quartet van Lawrence Durrell, die gedurende de Tweede Wereldoorlog in de stad terecht kwam. Al schrijvend herbouwt hij later in zijn hoofd een mythisch Alexandrië, 'die grote wijnpers van de liefde', waar je gekneusd uitkwam. Zijn figuren hebben iets dromerigs en in zichzelf gekeerds, alsof de tijd waarin ze leven niet verstrijkt. Het zijn de ongrijpbare bewoners van een stad die als een trillende fata morgana uit het woestijnzand oprijst. Je kunt hem zien, maar er nooit echt in binnengaan. Ze zijn de gevangenen van die plek die tegelijk boosaardig en verleidelijk is en waaraan - Kavafis wist het al - geen ontsnappen mogelijk is, want een stad in het hoofd heeft geen uitvalswegen.

Arabiseringspolitiek

André Acimans Uit Egypte draagt het kosmopolitische Alexandrië van Kavafis, Forster en Durrell ten grave. Op onderhoudende wijze beschrijft hij het wel en wee van zijn uitgebreide joodse familie, die als zoveel Alexandrijnse families nog banden had met de rest van het Middellandse Zee-gebied omdat ze pas in 1905 uit Constantinopel naar Alexandrië was verhuisd. Tijdens de Suezcrisis van 1956 moesten de Fransen en Engelsen uit Egypte vertrekken. Maar ook al werden de Franstalige straatnaambordjes in het kader van Nassers arabiseringspolitiek weggehaald, in de deftige voorsteden bleef het parfum van de dagen van weleer nog even hangen voordat het voorgoed verwaaide.

Bij Aciman lees je hoe je met de tram van het hart van Alexandrië naar het mondaine Ramleh kunt komen met zijn casino en zijn strand, dat halverwege het antieke Canopus lag, waar de oude Alexandrijnen al voor hun uitstapjes naartoe gingen. De namen van de haltes klonken Lawrence Durrell als poëzie in de oren: Mazarita, Chatby, Camp de César, Ibrahamieh, Petit Sporting, Cleopatra, Sidi Gaber, Victoria, Glymenopoulos. In 1964 werden de joden gesommeerd het land te verlaten.

Geleidelijk aan heeft Alexandrië haar kosmopolitische karakter verloren, het is nu een Arabische stad. Egyptische schrijvers zullen haar nieuwe mythe schrijven. Het andere, oude Alexandrië leeft alleen verder in de verbeelding.

Maar wat geeft het, je kon er toch al nooit naartoe. Alleen lezend en schrijvend kon je er komen.