Roman van Michel Boll; Alles kwijt in Amsterdam-Oost

Michel Boll: Krimp. Roman. De Arbeiderspers,162 blz. ƒ 29,90

Het hoeven geen junks of bedelaars te zijn die met een lege blik in hun ogen doelloos door de stad lopen, geen alcoholisten of rafelige daklozen. Om talloze redenen kunnen mensen afglijden naar een staat van complete, aan waanzin grenzende zinledigheid. Omstanders kennen verhalen die de ronde doen over de oorzaak van hun verval en de aard van hun tragiek. Maar als ze lang genoeg bij het straatbeeld of bij het meubilair van het buurtcafé horen, maakt de nieuwsgierigheid naar hun lot plaats voor ergernis of onverschilligheid.

Michel Boll, die twee jaar geleden debuteerde met de verhalenbundel Kus me kus me kus me, heeft zo'n onthechte loser tot hoofdpersoon van zijn eerste roman gemaakt. Krimp heet deze cynische reportage uit de steeds kleiner wordende wereld van een vijfentwintigjarige werkloze academicus, een even laconiek opgeschreven als schrijnend verhaal.

Uit Kus me kus me kus me bleek al dat Boll een realist pur-sang is, een recht-toe-recht-aan verteller ook, die het niet moet hebben van meerduidigheid of literaire gelaagdheid. In zijn eerste boek was zijn directe schrijfstijl nogal eens in tegenspraak met de literaire pretentie van zijn verhalen, waarvan uiteindelijk inhoudelijk soms niet zo heel veel over bleef. In de roman stemmen vorm en inhoud veel beter overeen. In Krimp worden geen verborgen betekenissen gepretendeerd. Michel Boll zet zijn vertellerstalent, zijn gevoel voor details (vooral als het zijn naturalistisch aandoende milieuschilderingen betreft) en zijn onmiskenbare psychologische blik in, voor wat je een moderne zedenschets zou kunnen noemen. De dialogen zijn realistisch gehouden, nergens absurd. Bestaande locaties worden met precisie beschreven. Ook aan de datering van de gebeurtenissen hoeft nooit te worden getwijfeld. Uit dit alles blijkt dat Boll er bewust naar heeft gestreefd de roman een optimaal werkelijkheidsgehalte te geven. Het effect van deze aanpak is verrassend.

Plaats van handeling is Amsterdam-Oost in het midden van de jaren negentig. Het lot van voormalig wiskundeleraar Arthur Weegbree wordt in hoge mate bepaald door onbeduidende mensen en onbeduidende gebeurtenissen, zonder verband of doel, herkenbaar en tragisch. Naarmate zijn buitenwereld krimpt (baan kwijt, vriendin kwijt, inkomen kwijt, familie vijandig), wordt ook zijn binnenwereld krapper en krapper. In feite doet hij niets anders dan op een tijdelijk geleende etage stomme radio-programma's beluisteren, cola drinken en zijn hoofdpijn bestrijden met handenvol tabletten. In zijn hoofd heersen woede en cynisme, voornamelijk jegens zijn naaste familie. Hij is behept met de bitterheid van iemand die de schuld van zijn narigheid uitsluitend bij anderen legt en zelf weinig of niets te bieden heeft. Toch is Krimp geen zeurderig klaagboek over de rotheid van de mensen en de voosheid van de maatschappij. Aan moralisme doet Boll niet. Hij brengt de kwaadheid van zijn anti-held op een lichte, humoristische toon onder woorden in een uit het leven gegrepen, eigentijds idioom. Als vertellende instantie wijst hij geen schuldigen aan, maar wat hij schrijft geeft wel te denken, bijvoorbeeld over de ranzige marges waarin de gemeentelijke hulpverlening intelligente mensen tot debiele stumpers reduceert. Zo moet de werkloze mathematicus van de sociale dienst een vernederende cursus solliciteren volgen. 'Na de pauze hadden ze een deel van de videoband van de befaamde amateur-psycholoog Emile Ratelband bekeken, waarin deze een zaal met langdurig werkloze Surinamers op probeerde te peppen. Het stuk waarin Ratelband vijftien van hen over gloeiende sintels liet lopen had Hilde niet willen laten zien (...). Wel had ze Ratelbands filosofie nog eens herkauwd: willen is kunnen, iedereen die succesvol wilde zijn, echt wilde zijn, die werd het ook. Willen is kunnen ja, had Arthur driftig in gedachten herhaald. Dus wie niet succesvol was, wie niet kon, die wilde niet, dat was een sukkel die het aan zichzelf te wijten had. Dat hij nu in een jaar tijd al tachtig keer afgewezen was bij sollicitaties, kwam dus doordat hij een slappeling en een knoeier was.' De woede van de hoofdpersoon jegens alle gladgeschoren succesvolle mensen die meer geluk hebben dan hij, kun je meevoelen. Toch laat Boll ook ruimte voor twijfel. Wie weet ligt de wezenloosheid waarin Arthur vervalt, wel degelijk aan hem. Of aan zijn geborneerde moeder en fantasieloze vader, danwel aan zijn schraperige, in-burgerlijke grootouders. Krimp is iets dat wordt doorgegeven, net als bijvoorbeeld kattenhaat, verzucht de hoofdpersoon in een vlaag van luciditeit.

Mooi en beklemmend is beschreven hoe Arthur steeds verder losraakt van de nietszeggende werkelijkheid en van zichzelf, om uiteindelijk in psychotische toestand in de bedompte tunnel van het Amsterdamse Muiderpoortstation te verdwijnen. Juist op tijd om de aanstormende trein te halen. Waarom Boll zijn boek vervolgens laat eindigen met een soort nawoord in de vorm van een brief van een medepassagier aan de NS-Klantenservice, waaruit blijkt wat er met Arthur in die trein gebeurde, is me een raadsel. Het is een kunstgreep die hij ook al toepaste in één van de verhalen in Kus me kus me kus me. Ook nu doet dit streven naar volledigheid enigszins afbreuk aan wat een intrigerend open einde had kunnen zijn van een mooi boek, waarmee Boll de verwachting die hij met zijn verhalenbundel wekte geheel waarmaakt.