Rafelranden

DE EX-GENERAAL was binnengehaald om de gezagsverhoudingen te herstellen. Maar ten slotte is hij er zelf over gestruikeld. Een vertrouwensbreuk met het regionale college van burgemeesters heeft de positie van de nieuwe korpschef van Rotterdam-Rijnmond, de oud-landmachtgeneraal Brinkman, onhoudbaar gemaakt.

Het college had onder leiding van de Rotterdamse burgemeester Peper als korpsbeheerder een reddingsplan opgesteld voor de verstoorde verhouding tussen Brinkman aan de ene kant en de Ondernemingsraad en de politiebonden aan de andere kant. Toen de hoofdcommissaris dit plan niet direct accepteerde, viel de bodem uit het vertrouwen van Peper in de man die hij juist naar voren had geschoven als puinruimer.

Was het werkelijk nodig de vlam zo in de pan te laten slaan? Minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken), die de korpschefs benoemt en ontslaat, heeft zijn beslissing aangehouden. Erg veel keus heeft hij niet. De verhouding tussen hoofdcommissaris en personeelsvertegenwoordigers is principieel van andere aard dan die tussen de korpschef en de korpsbeheerder. Tegenover deze laatste heeft hij een “afgeleide positie”, zoals de regering het uidrukte bij de totstandkoming van de nieuwe Politiewet. De ondergeschiktheid van de korpschef aan de bevoegde autoriteiten is “evident”, onderstreepten de ministers voor politie, Dijkstal en Sorgdrager, eind 1994 nog eens naar aanleiding van commotie over de Amsterdamse prima donna, hoofdcommissaris Nordholt.

Tegenover het personeel vertegenwoordigt de korpschef daarentegen de korpsleiding. Het vertrek van Brinkman doet op zichzelf dan ook niet af aan de noodzaak van een “sobere interpretatie” van het inspraakrecht van de Ondernemingsraad, zoals Peper het uitdrukt in zijn rapport 'Beleid in balans', dat de directe aanleiding vormde voor de breuk met Brinkman. In dat rapport werpt de Rotterdamse burgemeester zelfs de interessante vraag op of het op het bedrijfsleven toegesneden en uit het bedrijfsleven geïmporteerde systeem van de ondernemingsraden wel duurzaam toepasbaar zal blijken te zijn voor de politie-organisatie. Die organisatie neemt alleen al door haar geweldsmonopolie een bijzondere plaats in de samenleving in.

VOOR HET MOMENT zijn dit echter academische bespiegelingen. Niet alleen de interactie tussen korpschef en OR heeft geleid tot “rafelranden”, zoals Peper het noemt. Deze kwalificatie gaat op voor zijn hele korps. Zorg baart met name de “erosie van normen en waarden” binnen de Rotterdamse politie die het rapport-Peper signaleert. De waarschuwing dateert niet van vandaag of gisteren. Twee jaar geleden al verklaarde de speciale vertrouwensman zich met reden “geschokt” over het lekken van vertrouwelijke informatie, ongewenste contacten van politiemensen, het rechtbreien van dubieuze zaken in processen-verbaal. Nog afgezien van de omstandigheid dat er “werd gejat bij het leven”.

Wat heeft korpsbeheerder Peper daar in die twee jaar eigenlijk aan gedaan? Deze vraag zinkt voorlopig even in het niet bij de opgave een sterke opvolger voor de afgebrande korpschef te vinden. In politie-Nederland is de spoeling dun, zo is al vóór Brinkman gebleken. Een keuze van buiten wordt niet vergemakkelijkt door diens ervaringen. De oud-generaal mag ernstige inschattingsfouten hebben gemaakt, hij heeft in elk geval geen faire kans gekregen van OR en bonden, zo bevestigt Peper nog weer in zijn rapport. Nu ook nog eens Peper cum suis tegenover Brinkman zo op zijn strepen is gaan staan, mag van hem als korpsbeheerder heel wat worden verwacht.