Pynchon verdwaald in nieuwe roman; Krullen rapen in de prullenbak

Thomas Pynchon: Mason & Dixon. Jonathan Cape, 773 blz. ƒ 48,50 (geb.)

Wat een eigenaardige titel, denk je, als je de nieuwe roman van Thomas Pynchon (V, Gravity's Rainbow) aangekondigd ziet. Mason & Dixon. Nogal klinisch. Nog merkwaardiger klinkt deze als je in het boek zelf al snel de eigenlijke titel vindt: 'The Transits of Venus', woorden die meerdere malen vallen, omdat de astronomen Mason en Dixon, de achttiende-eeuwse helden van deze roman, de bewegingen van de planeet Venus bestuderen, maar ook omdat vrijwel ieder personage dat in de eerste helft van het boek door het beeld buitelt op de een of andere manier de neiging gevoelt juist deze woorden te debiteren: 'Ahaaa! The Transits of Venus!' Jammer van de V, die zo mooi op de voorkant van een roman van Pynchon zou hebben gestaan, maar als je personages met je titel aan de haal gaan moet je een andere verzinnen.

De schrijver had voor zijn nieuwe roman, zo stel ik mij voor, een pracht van een kaartenbak, gevuld met parels van paragraafjes en Pynchoniaanse prullaria, die enkel nog tot roman gesmeed behoefde te worden. Na zijn groteske, aan de jaren zestig gewijde satire Vineland, zou Pynchon weer eens flink uitpakken met een roman waarin de wetten van ons universum onderzocht zouden worden op een wijze zoals enkel personages van Pynchon dat kunnen: argwanend, gekweld door demonen, en zich slachtoffer wetend van een complot dat niet enkel de eigen geest, maar ook de wetenschap, de natuur en de maatschappij onnavolgbaar manipuleert; een complot dat sommige mensen De Werkelijkheid noemen.

Hallucinatie

En alles lijkt aanwezig voor een Pynchoniaanse hallucinatie van een paar dagen: het bezwerende vocabulaire, de woordspelingen, de liedjes, de grappen en grollen, de complotten en demonen, de verwijzingen en allusies. Wat kan er mis gaan?

We volgen sterrenkijkers Mason en Dixon op hun omzwervingen over de wereld, van hun eerste Venus-opdracht in Zuid-Afrika, tot hun beroemd geworden klus in Amerika (die ze aannemen omdat ze acht jaar moeten wachten op de volgende Transitie van Venus): het aanleggen van een grenslijn tussen Maryland en Pennsylvania, een grens die Amerika later zou opdelen in staten met en zonder slavernij. Dat zijn twee obstinate rechte lijnen in één roman van Thomas Pynchon die erom smeken beduveld te worden: de verhaallijn en de grenslijn. Hoe zal de magiër die verhaallijn, zoals zijn gewoonte is, vervormen tot een vector van misverstanden? En hoe zal die grenslijn worden omgebogen tot symbolische cul-de-sac? Wel, wonderbaarlijk genoeg komt het eerste procédé helemaal niet van de grond en wordt het tweede ons helaas met een aanwijsstokje opgedrongen. Vanaf de allereerste bladzijden in deze roman wordt slavernij als fenomeen opgevoerd, letterlijk in Zuid-Afrika, waar Mason en Dixon logeren bij een Hollandse familie die een soort apartheid aanhangt, figuurlijk in de rol die Mason en Dixon in Engeland spelen, waar ze te minderwaardig geacht worden voor opname in de Royal Society, hun opdrachtgevers, zelfs na het voltooien van die opdracht. Elk continent dat bezocht wordt door Mason en Dixon wordt door kolonisten uitgebuit. Slavernij, indianenmoord, kastevorming; het druipt van de bladzijden. Dat de Lijn in Amerika vervolgens niet meer dan een politieke lijn blijkt, omdat, zoals ook weer letterlijk opgemerkt wordt, slavernij overal is, wekt geen enkele verwondering, zelfs niet bij hen die nog nooit een geschiedenisboek hebben ingezien. En dat, twintig jaar na aanleg van die grens, Amerika al geen kolonie meer is, mag het hopeloze karakter van de onderneming nog eens onderstrepen. Handig van Pynchon, om de alwetende verteller, Reverend Cherrycoke (die Mason en Dixon af en toe begeleid heeft), neer te zetten op een punt in de tijd, rond kerst 1786, als de Onafhankelijkheidsstrijd gewonnen is.

Ontrouwbare vingers

Complotten zat dus, in deze roman. Van de schrijver, maar natuurlijk ook van organisaties. De Britse Oostindische Compagnie wekt de indruk een eigen geheime dienst te bezitten. De jezuïeten blijken de anti-grootgrondbezitters in de VS in de smiezen te houden via een ingenieus systeem, voorloper van de telegraaf, dat werkt met ballonnen, stralen en spiegels. Waarom deze nadrukkelijk gemelde onbetrouwbare vingers in de pap? Ik vind maar één reden: ieder 'karakter' in deze roman heeft nu aanleiding om over zijn schouder te kijken. Maar hun argwaan wordt louter gevoed door Pynchons rituele symboliek der paranoia, en niet door duizelingwekkende scènes en sores.

Dus zijn er ook demonen: zo weet Mason de geest van wijlen zijn vrouw op te roepen in de mist, en in een zeldzame terugblik op zijn jeugd vinden we Mason in een scène met zijn vader, een bakker, die hem het wonder van het brood probeert aan te praten. Waarop Mason denkt: als dit deeg het lichaam van Christus kan aannemen, waarom dan niet dat van kwaadaardige wezens? Goeie vraag, daar niet van, maar hij komt wel uit de lucht vallen. Waarom? Omdat we na een slordige 200 bladzijden nog geen enkel zicht hebben op de karakters van Mason en Dixon, behalve dan dat het malle meneertjes zijn die elkaar de oren van het hoofd kletsen in een soort pseudo-historische taal die bol staat van de koddige kreten: 'Ay, eey, oy', enzovoorts. En dat is, op een paar verre van onderhoudende biografische notities na, alles wat we van de heren te weten komen.

De afstand die Pynchon neemt van zijn helden lijkt, zoals in zijn andere werken, bedongen door zijn beroemde 'ironie der argwaan', maar Mason en Dixons karikaturale eigenschappen, hun oeverloze gezwets en het hemeltergende taalgebruik zijn hier slechts overdaad, want 'de werkelijkheid' zoals geponeerd door de verteller is onbetrouwbaar genoeg. Daarop wordt zelfs niet aflatend letterlijk gehamerd. Van de toenemende wanorde in de communicatie, die in andere werken van Pynchon zo'n grote rol speelt, komt niets terecht, vooral ook omdat elke dubbele bodem hier een lolletje in de conversatie lijkt. Pynchon ondermijnt 'de waarde van het vertelde', enkel door de hopeloze kunstgreep van de onbetrouwbare verteller bij uitstek, Cherrycoke, op te voeren. Hij vertelt zo wijdlopig en gedetailleerd en dus vanuit de dikke duim over de wederwaardigheden van onze astronomen dat je halverwege de roman zelfs hoopt dat de argwanende toehoorders, de familieleden van Cherrycoke, de oude zeurkous het huis uit smijten.

Terug naar die titel. Mag deze roman Mason & Dixon heten, hij gaat natuurlijk over de tijd waarin de astronomen leefden en werkten. De beschrijvingen van steden en gehuchten, opgetuigd met achttiende-eeuwse parafernalia, op de verschillende continenten die Mason en Dixon aandoen, laten een Pynchon zien wiens stijl onmiddellijk als een roesmiddel werkt. De scènes in Zuid-Afrika, waar Mason en Dixon hun eerste onderzoeken doen naar de bewegingen van Venus, zijn hier en daar groots. Tot die malle meneertjes weer beginnen te kletsen. En dat euvel treedt telkens weer op. Nergens gunt Pynchon zich de ruimte eens uitgebreid onder te duiken in de onbetrouwbare sferen van het strijdtoneel. Zijn alle hoofdstukjes in deze roman al opmerkelijk kort, en springen ze ook nog eens van de hak op de tak (Pynchon gelooft niet in chronologie, maar ziet de tijd als een cycloon waarin oorzaak en gevolg onontwarbaar rondcirkelen en waarvan de as - het Nu - zich stuurloos door het landschap van de roman beweegt), er is bovendien geen personage in dit boek dat niet vijf seconden lang zijn muil weet te houden.

Ik schat dat tachtig procent van Mason & Dixon bestaat uit dialoog, en iedereen lult ook nog eens op een manier alsof de mens van nature grappig is. Nu kan men deze euvelen op het conto schrijven van kletsmajoor Cherrycoke ('who was there in but a representational sense, ghostly as an imperfect narrative to be told in futurity'), maar zo is de Lezer niet met de Roman getrouwd, ook niet met die van Pynchon.

Overmoed

Doordat Pynchon in al zijn ambachtelijke overmoed de blunder begaat te denken dat pionnen in een schaakspel altijd vergelijkbaar zijn met pionnen in een literair spel, als de context van die pionnen maar beweegt, helpt hij zijn eigen opzet om zeep. Hoezeer ook het slachtoffer van ongrijpbare manipulaties: een pion in een literair spel dient uniek te zijn en dus behept met bijvoorbeeld een opdringerig verleden dat hem beweegt en aannemelijk maakt, zodat de lezer zich die manipulaties aantrekt. Mason en vooral Dixon zijn echter niet meer dan potsierlijke trekpoppen. En ondanks de hete adem van de Pynchoniaanse hocus pocus die hen in de nek blaast blijven ze eindeloos dansen op het slappe koord van een verhaallijn, die slechts doorhangt als gevolg van de ontelbare tierelantijnen. Een van de weinige prachtige formuleringen van Cherrycoke - 'out of Mercy, we are blind as to Time, for we could not bear to contemplate what lies in its heart' - is eenvoudig in tegenspraak met het karakter van dit boek. Want alle branie van Pynchon ten spijt: de chronologie blijft moeiteloos overeind.

Zit je vervolgens met zwakke hoofdrolspelers opgezadeld, dan wordt een boek al snel vervelend. Dat tegen het slot, wanneer de narratieve hoofdrol van Cherrycoke af en toe ondermijnd wordt, enkele aangrijpende scènes opduiken, kan de volslagen desinteresse in de lotgevallen van de personages niet meer verhelpen.

Hoe prachtig gevuld die kaartenbak van Pynchon ook geweest mag zijn, hoe aantrekkelijk het materiaal ook dat hij verzameld heeft, na het schudden van die kaarten toont een van de grootste schrijvers van deze eeuw ons niet meer dan een prullenbak waarin het aardig krullen rapen is. De allusies zijn geen verlokkingen voor de lezers, maar puzzels voor de fanatici onder de literatuurwetenschappers. De moppen zijn flauw en de liedjes zijn volslagen idioot en irritant. Deze ingrediënten maken nu eens geen specie aan, zoals in Pynchons eerdere grote werken, maar los zand. Als roman is dit eenvoudig een mislukking. Binnen het oeuvre van Pynchon beschouwd, is het een in ironie en opzichtige bedoelingen verzopen prul.