Prins en luipaard

“Twintigers en dertigers storten zich op het jeugdboek”, meldde de Volkskrant vorige week. Het was de opening. Wat moesten we daar van denken? Dat de mensen per tiental jaar van soort veranderen.

Dat is al lang bekend. Eerst had je de tieners, toen kwam het blad Twen voor de twintigers, Nietzsche zei al: Mit dreissig Jahren ist man im Sinne der Kultur nur ein Anfänger, ein Kind. Daarna is er een vereniging opgericht: het leven begint bij 40. Nu heb je de plussers die telkens met 10 jaren omhoog gaan, tot het niet meer de moeite waard is, een plus achter de 0 te zetten. Het leven heeft zijn eigen tientallig stelsel.

Mij gaat het om de lotgevallen van een woord: zich storten op. Dat roept een voorstelling van woest begeren of vernietigen op, en die is dikwijls weer zeer persoonlijk bepaald. Zo heb ik, als ik het woord zag, lang gedacht aan een schrikaanjagende illustratie uit een boek met Engelse spookverhalen. De held overnacht in een herberg, wil in zijn kamer zijn pak in de klerenkast hangen, doet de deur open en daar stort zich een groot, zwart en glibberig monster op hem. Mijn archetypische voorstelling van het zich op iets/iemand storten. Die werd een jaar of dertig geleden vervangen door een tekening uit de Corriere della Sera. Deze krant bracht in zijn zondagsnummer altijd een tekening van een situatie die wél bestaan had, maar nooit fotografisch vastgelegd had kunnen worden. Bijvoorbeeld: een vliegtuig dringt een huis binnen, in de keuken waar iemand staat te koken. Deze is getekend op het ogenblik dat ze de punt van de neus van het vliegtuig door het keukenraam ziet komen.

Prins Bernhard ging in die tijd soms naar Tanganjika, op safari. Eens in de wildernis lopend werd hij besprongen door een luipaard dat in een boom zat. De tekenaar had het ogenblik vastgelegd waarop het luipaard zich nog in de lucht bevindt, de prins het al ziet aankomen en van schrik zijn geweer laat vallen. Dit luipaard vertegenwoordigde voor mij het zuiverste zich op iemand storten. Toen brak in Nederland de ironische revolutie aan. Het woord dat we hier bespreken, bleek een goed middel om bijvoorbeeld uitdrukking te geven aan twijfel over betoond, althans voorgewende felle belangstelling. Als van iemand gezegd werd dat die zich op het een of ander had gestort, dan gaf dat een wanverhouding aan. Het ging niet zo ver dat je kon zeggen: dit sop is de kool niet waard, maar er zat wel een verwijzing naar verspilde energie in.

Zo had je nog wel meer uitdrukkingen die met een ironische bedoeling werden gebruikt. Ik noem: felbegeerde, toeslaan, of beter nog genadeloos toeslaan, oorlog als je een burenruzie bedoelde - al die woorden en uitdrukkingen die voordien naar een treffen op leven en dood verwezen. Zulke woorden vervingen de in dat geval ook ironisch bedoelde overtreffende trap, of zelfs, waren meer dan de overtreffende trap.

Deze fase - opper ik - hebben we langzamerhand weer achter de rug. De ironische waarde is afgesleten maar het woord is gebleven en het heeft zich intussen een gewoonheid verworven. Het is in zijn oude gedaante een nieuw woord geworden. Als dus “twintigers en dertigers zich op het jeugdboek storten,” willen we daarmee zeggen dat onverwacht veel mensen tussen de 20 en de 40 boeken kopen die geschreven zijn voor mensen onder de 20. In de verste verte doet deze situatie niet meer denken aan de verhouding tussen de prins en het luipaard. Geen wilde toestanden in de boekhandel, alleen verrassende cijfers.

Maar toch, zegt mijn gevoel, is er een rudiment, zowel van de vroegere uitzonderlijkheid als van de daarop volgende ironie. Het zich storten op, het fel begeren en de andere uitdrukkingen die ik hierboven heb genoemd, en nog meer die ik niet heb genoemd, zijn in hun oorspronkelijke waarden versleten, maar dienen de gebruiker toch nog om zich te onderscheiden. Dat zijn de kenmerken van de gemeenplaats. De ironie van gisteren is de gemeenplaats van vandaag.

Blijft de vraag wat de twintigers en dertigers met het jeugdboek moeten. Welk jeugdboek? Dat van hun jeugd of dat van de jeugd van nu, of van alle jeugden van weleer? Ik hoop dat ze zich niet van de wijs zullen laten brengen door de psychologen die op infantilisering wijzen. Een volgend keer zal ik iets uit mijn hoofd citeren, uit de avonturen van Bulletje en Boonestaak, zoals die zijn opgeschreven door A.M. de Jong. En W.F. Hermans zei al: “Goed schrijven is onthouden worden.”