Personal business

Twan Janssens Folly & Sands Murrays Personal Artistic Business. Stedelijk Museum Bureau, Rozenstraat 59, Amsterdam. Di t/m zo 11-17u. Sands Murray is vier dagen per week aanwezig, of op afspraak: tel. 020-4220471 T/m 5 juli.

De jongen in de video kan niet dansen. Het werk mag dan wel My last public dance in 1996 heten, wat de jongen doet is eerder wandelen of flaneren dan dansen. Terwijl Say you'll be there van de Spice Girls door de kale ruimte schalt en een stuk of acht mensen grinnikend naar hem kijken loopt hij rondjes, een beetje wiebelend met zijn handen of tikkend met zijn heupen, af en toe. Het gaat hem daarbij duidelijk om de camera: die houdt hij nauwlettend in de gaten, behaagziek en breed glimlachend - voor een moment lijkt hij zowaar op Brandon uit de puberserie Beverly Hills 90210.

Een paar jaar geleden constateerde Engelse kunstenaar en docent Michael Craig-Martin dat de beeldende kunst de afgelopen decennia de vuilnisbak van de kunsten aan het worden was. Dat klonk denigrerender dan hij het bedoelde: volgens Craig-Martin, oud-docent van onder anderen Damien Hirst, Sarah Lucas en Matt Collishaw, was de beeldende kunst sinds kunstenaars als Duchamp, Nauman, Broodthaers en Beuys een vrijplaats geworden, waar kunstenaars konden doen wat ze wilden, of het nu op toneel, film, literatuur of beeldende kunst leek.

Beuys was daarbij degene die zijn eigen leven inzet van zijn werk begon te maken. Hij heeft daar internationaal school gemaakt, al zullen sommigen van zijn navolgers nauwelijks nog weten wie hij is - van Tracy Emin die haar eigen jeugdtrauma's tentoonstelt tot Sean Landers die foto's laat zien van zichzelf naakt in de bosjes, allemaal zijn het kunstenaars die op zoek zijn naar 'authenticiteit' - het eigen leven is geïnstitutionaliseerd tot kunstwerk.

In het Stedelijk Museum Bureau proberen twee kunstenaars het opnieuw: Twan Janssen en Sands Murray. Janssen begon een paar jaar geleden als een soort schilder. Hij maakte objecten waar de verf vanaf droop, of 'dingen' die wel van verf gemaakt waren, maar nauwelijks nog als schilderijen te herkennen waren. Al dat werk heeft hij nu met terugwerkende kracht opgenomen in een biografie waaraan hij sinds anderhalf jaar werkt. Die biografie schrijft Janssen als een scenario, vooraf dus, en vervolgens probeert hij de mensen (museummedewerkers, critici etc.) die hij daarin een plaats geeft te overtuigen dat ze het scenario volgens zijn aanwijzingen moeten uitvoeren.

Zo mocht Sjarel Ex, directeur van het Centraal Museum in Utrecht een brief ontvangen waarin Janssen meedeelt dat het het jaar daarop zo langzamerhand eens tijd wordt voor een tentoonstelling - Ex reageert, per brief, vriendelijk maar afwijzend.

In het Stedelijk Museum Bureau is deze correspondentie te zien, net zoals allerlei objecten die een rol spelen in Janssens biografie, waaronder een mooi veld vol cirkels van gekleurde pigment en allerlei 'decors' die bij de verschillende scenario's passen. Het ziet er allemaal aardig uit, maar wat het aan die biografie toevoegt wordt eigenlijk nergens duidelijk: het lijkt erop dat Janssen zijn krampachtige career-move al te handig probeert te verkopen.

Loop je langs de objecten van Janssen door naar de achterruimte van het Bureau, dan zit daar plotseling de jongen uit de video aan een tafel, en stelt zich voor als Sands Murray. Zijn 'expositie' lijkt nog het meest op een huiskamer: er hangen schilderijen aan de muur, en Hema-lijstjes waarin met viltstift gekalkte spreuken zijn te lezen als 'ZOMAAR', 'You're not alone' of 'A matress should be flipped every season'. Er staat een kapstok met wat kledingstukken eraan en allerlei spullen die je meestal op een studentenkamer ziet. Aan de tafel neemt Murray zelf plaats: hij biedt je een glas Appelsientje aan of een banaan (“Kijk uit dat je geen houten neemt, die liggen er ook tussen. Gekocht bij de Blokker, vind je het niet mooi?”) en babbelt ondertussen onverstoorbaar door: over het feit dat hij muizen in huis heeft, dat hij daarom zijn atelier maar tijdelijk hier heeft ingericht, dat hij zojuist een Kamer van Koophandel-nummer heeft aangevraagd en dat hij zoveel mogelijk kunstenaars wil leren kennen (“kun je mij zeggen wie jij nou goed vindt?”) - en dat allemaal in het kader van 'Sands Murrays Personal Artistic Business'. Het merkwaardige is dat Murray met de combinatie van charme en naïveteit die hij uitstraalt permanent doet twijfelen aan wat nou echt is of niet - wat hij nu meent of niet. Zelfs als hij op een geven moment opmerkt dat hij voor een van de combinaties op de kapstok (een door hemzelf bedrukt Hema-t-shirt met een een paillettenkraagje in een stomerijzak) 20.000 gulden heeft gevraagd aan Frans Molenaar durf je hem niet uit te lachen - deze jongen zou dat heel goed kunnen menen, en je bent zelfs bang dat-ie het nog voor elkaar krijgt ook. Het lijkt erop dat Sands Murray van zijn hele leven een lange performance heeft gemaakt - een ontmoeting met hem levert in ieder geval meer verbazing op dat het halfslachtige werk van Janssen.