P.C. Hooft

Het herdenken van een geboortedag is feestelijker dan die van een sterfdag. Toen in 1981 de vierhonderdste geboortedag van Pieter Cornelisz.

Hooft herdacht werd, verschenen er maar liefst drie boeken: een bloemlezing van de poëzie in modern Nederlands, een bundel met essays waarin ook een paar vertalingen van zijn gedichten in het Engels en een introductie op de schrijver door Hella Haase en Arie-Jan Gelderblom. Op 21 mei was het 350 jaar geleden dat Hooft stierf en dat is niet helemaal ongemerkt voorbijgegaan. Er is een symposium geweest en de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam organiseerde een kleine tentoonstelling. Daar komt nog bij dat in de tussenliggende tijd, in 1994, de wetenschappelijke editie van zijn lyriek in twee fraaie banden werd uitgegeven (Athenaeum-Polak & Van Gennep). Hooft is allerminst vergeten.

Op de tentoonstelling ligt het accent op een aspect dat zelden of nooit zichtbaar is: de handschriften. Het is dus vooral een zaak voor liefhebbers en specialisten, want het kost niet alleen moeite het zeventiende-eeuwse schrift te ontcijferen, ook de transcripties ervan zijn in kleine letters weergegeven en nogal ver in de vitrines opgesteld.

Toen Hooft overleed liet hij een enorme voorraad handschriften na. Deze gingen over op zijn enige zoon Aernout en toen die overleed op diens dochter. Bij haar dood, in 1719, zag de opsteller van de inboedelinventaris er niet veel meer in dan 'een kist met ouwe papieren'. Gelukkig waren er mensen die de werkelijke waarde inzagen. Zo iemand was de Amsterdamse koopman en verzamelaar van schilderijen en oudheden Gerard van Papenbroeck. Hij wist een groot deel van de papieren te verwerven en legateerde die aan het Atheneaum Illustre, de directe voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Vandaar dat de UB de grootste collectie Hooftiana bezit en het is dan ook een goed idee om hier aandacht aan te besteden. Andere delen van de handschriftelijke nalatenschap zijn terechtgekomen in de universiteitsbibliotheek van Utrecht en in de bibliotheek van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Als Hooft nog gelezen wordt, dan toch vooral als dichter en als hij nog in de openbaarheid treedt, dan is het als toneelschrijver. Maar in zijn eigen tijd kwam hij vooral naar buiten als geschiedschrijver en als ambtenaar, als drost van Muiden. Daarnaast was hij in de privésfeer, vriend, echtgenoot en vader. Al deze functies worden op de tentoonstelling belicht. Op het gelige foliopapier zien we zijn klad- en netversies van zijn altijd speelse en vernuftige gedichten. Er liggen officiële rapporten aan de burgemeesters van Muiden en aan bestuurders en juristen in Den Haag over allerlei juridische beslommeringen. Er zijn brieven aan vrienden en vriendinnen, zoals die van augustus 1636 aan Maria Tesselschade, die begint met de vrolijke regels 'De pruymen beginnen al teffens op een bodt te rijpen, en te roepen Tesseltje, Tesseltjes mondtje! De particuliere brieven van Hooft en zijn gedichten ruiken altijd sterk naar de zomer en roepen de vrolijke buitenpartijen op, zoals die geschilderd zijn door Willem Buytewech en Dirck Hals. Zou Hooft het serieuze werk gereserveerd hebben voor de winter? Er liggen indrukwekkende bundels handgeschreven tekst voor zijn geschiedenis van Hendrik IV, voor de Nederlandse Historiën en van zijn vertalingen van Tacitus. Hoofts historisch proza maakt door zijn ingeklonken aard een grimmige indruk. Hechte taal als als een onbewegelijk, bevroren landschap. Hoeveel moeite hij deed om dat effect te bereiken, om een zuivere, preciese stijl onder de knie te krijgen, en hoe onzeker zelfs hij was over het juiste Nederlands en hoe beducht voor bastaardwoorden en neologismen blijkt uit een brief aan Hugo de Groot. Daarin vraagt hij hem of De Groot hem zou willen corrigeren. Uit zo'n brief blijkt niet alleen Hoofts zorg en nauwlettendheid, maar ook dat hij worstelde met een taal die nog in wording was en die nog niet gestandaardiseerd was. Een ander aspect is het schrift. Ook dat was in ontwikkeling. In 1635 schrijft Hooft aan zijn vriend Joost Baek dat hij niet meer de wat stijve Duitse letter zal gebruiken, maar het Latijnse of 'ronde Italiaensche' schrift.

Deze brieven tonen aan dat Hooft niet alleen worstelde met de inhoud, met de materie, maar ook met zijn gereedschap: de taal zelf, de woorden, de grammatica en het schrift. Wat deze tentoonstelling laat zien is de dichter, de historicus en ambtenaar aan de arbeid. Dat het resultaat van zijn geploeter zo hecht en vanzelfsprekend is geworden dwingt dan ook alleen maar respect af.

De taal van Hooft blijft mooi, al moet je geregeld puzzelen om de betekenis te achterhalen. Citeren kan volop. Hieronder volgen een paar regels die mij nog niet eerder waren opgevallen, een vertaling van Lucretius:

Door 't geesslen van den wint, wanneer de Zee gemartelt.

Met grauwen, tegens 't swerk en vliênde wolken spartelt

Ist zoet te zien van duin, oft haeven, af, hoe dat

De bootsman worstelt met de doodt in 't holle nat.

Men schept geen vreughd nochtans uijt ijemants zijn bedroeven:

Maer 't zien van 's anders ramp doet best onz'welvaert proeven.

P.C. Hooft en zijn handschriften. Tot 25 juli in de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Singel 421-425. Er is voor vijftien gulden een mapje te koop met een brochure en vijf prentbriefkaarten met Hooftiana.