Over Europa

Pim den Boer: Europa. De geschiedenis van een idee. Prometheus, 168 blz. ƒ 29,90

Jacques Le Goff: De geschiedenis van Europa. Vertaald door Marianne Gossije. Prometheus, 79 blz. ƒ 29,90

Eén onderwerp, éen uitgeverij, zelfs eén prijs, maar heel verschillende benaderingen in twee boeken. Een Franse historicus verkondigt de jeugd 'het grote Europa', en een Nederlandse historicus zet uiteen hoe uiteenlopend de voorstellingen van dat ideaal door de eeuwen heen waren. Een proclamatie en een tractaat. Overeenkomstig de nationale tradities zou men bijna zeggen, al begeeft Le Goff zich ook in historische schetsen, en bekent ook de Nederlander zich ten slotte tot 'Europa, ons huis'.

Beide schrijvers gaan met reuzenschreden door de geschiedenis van het werelddeel vanaf de slag bij Marathon (490 v. Chr.) tot de vorming van de Europese Unie in 1992. Den Boer stelt vast dat in de loop der tijd Europa achtereenvolgens tot bakermat van het christendom, de beschaving en de democratie is verklaard. Protestanten, Parijzenaars en Engelsen verschilden wel van mening over welke religie, stad of natie de wettige erfgenaam van al dat moois mocht worden genoemd, maar tegenover derden, van de Perzen van toen tot de Turken van nu, leggen Europeanen een eendrachtige superioriteit aan de dag. Die erfelijke pretenties bleven niet onaangevochten: Amerikaanse 'reborn Christians', Japanse couturiers en Aziatische tijgers weten het beter en doen het beter dan de oude merken.

Bij Le Goff stuit de Europese arrogantie op minder bezwaren dan bij Den Boer. Het lijkt maar één stap van de grandeur van Frankrijk naar die van Europa. De Fransman belijdt zijn schuldgevoelens ten opzichte van de voormalige koloniën, maar hij heeft geen twijfel over een roemrijk verleden en een mooie toekomst, tenminste als de jeugdige Europeanen de 'veramerikanisering' en 'verjapanisering' maar buiten de deur weten te houden. De vaststelling dat Amerika Europa wel tweemaal van de Duitse overheersing heeft moeten redden komt bij Den Boer nog wel, maar bij Le Goff niet voor.

Tegen het klaarblijkelijk onvermogen van de Europese politiek om een serieuze crisis, zoals in voormalig Joegoslavië, effectief het hoofd te bieden, vermag een hooggestemde 'Ideeengeschichte' ook weinig. Cyprioten, Albaniërs en Hongaarse Slowaken hoeven zich geen illusies te maken over de slagkracht en het bereik van de Europese aspiraties. Het wantrouwige West-Europese publiek tot wie de boekjes zich richten heeft al bij verschillende gelegenheden laten merken niet gediend te zijn van Europese zwelbasten. De lezer krijgt de indruk dat Le Goff een, overigens loffelijke, poging heeft gedaan om het groeiend rechtse patriottisme van repliek te dienen. Maar de hoop dat Franse tieners buiten de eng nationalistische gezichtskring van hun vaderen zullen kijken, vaart beter bij een onbelemmerde uitwisseling van reggae, Nieuw-Zeelandse films en Big Macs dan bij het getamboereer op Grote Dode Europeanen dat beide boekjes ten gehore brengen.

Op zijn best, in het geval van Den Boer, is het resultaat van zo'n Europese rondgang langs de 'primeurs van de geest' een aardige reisgids door de geschiedenis. Maar de kans is groot dat de gids over de feiten struikelt. Le Goff bestaat het om Zeus met de ontvoerde Europa te laten trouwen, noemt het dagelijks eten van Indiërs 'maïs', negeert het bestaan van de (enige) Nederlandse paus Adrianus VI, beschouwt de toneelstukken van Cervantes als zijn voornaamste geesteskinderen, en meent dat in 1940 eerst Nederland en vervolgens Noorwegen door Duitsland bezet werden. Den Boer roemt het Franse tijdschrift Annales, waartoe ook Le Goff behoort, als een wegwijzer van de moderne geschiedbeoefening. Het slordige vlugschrift van de Fransman heeft met die kritische traditie niets van doen, maar alles met het soort grootspraak dat medeplichtig is aan de kwade reuk waarin de Europese politiek staat. Niet alleen bij de jeugd.