Limburgs keramiek verliest glans

Aardewerkproducent Sphinx maakte gisteren een verlies bekend van 45 miljoen gulden. Het noodlijdende bedrijf verkocht al zijn tegeldivisie en reorganiseert drastisch. De Maastrichter concurrent Mosa worstelt ook.

MAASTRICHT, 6 JUNI. Op enkele honderden meters van elkaar liggen de laatste twee tegelfabrieken van Nederland: die van de Koninklijke Sphinx aan de ene, die van de Koninklijke Mosa aan de andere kant van het Maastrichtse spoorwegemplacement. Twee monumenten van 's lands industriële revolutie: de Sphinx-aardewerkfabriek werd in 1836 opgericht door Petrus Regout en Mosa in 1883 door diens zoon Louis Regout.

Anderhalve eeuw later staan ze opnieuw model in de strijd tussen handwerk en mechanisering. De verkoop van beide fabrieken aan beleggingsconsortia - Sphinx Tegeldivisie aan ABN Amro Participaties en Gilde Buy-Out Fund; de Koninklijke Mosa aan Holland Venture, TVI Investments en Wagram Equity Partners - zijn een teken aan de wand.

“Als niet door de energie van mijn vader fabrieken waren opgericht, dan zou men eens zien wat een armzalig plaatsje Maastricht zou wezen”, zei een van de zonen Regout in 1887 tegen de parlementaire commissie die de arbeidsomstandigheden in Amsterdamse, Tilburgse en Maastrichtse fabrieken kwam onderzoeken. Petrus Regout heeft van Maastricht een van de eerste industriesteden gemaakt, maar de manier waarop dat hij dat deed is nog altijd zo omstreden dat zijn standbeeld nooit verder heeft mogen komen dan de stoep voor de sanitairfabriek aan de Boschstraat. En dat terwijl generaties Nederlanders hun lichaam hebben gereinigd in Sphinx-wasbakken, het gevoed hebben vanaf Mosa-porselein en het geledigd hebben in Sphinx-toiletpotten.

Maar de glans van de Maastrichtse keramiek is dof geworden. De laatste vijftien jaar is het aantal 'pottemenkes' in Maastricht teruggelopen van 2.000 tot 1.100 bij Sphinx en van 1.100 tot 500 bij Mosa. De nieuwe eigenaren van Mosa hebben aangekondigd dat er nog maar voor 350 mensen werk overblijft. Bij de tegeldivisie van Sphinx hebben de 500 werknemers het beter getroffen met hun nieuwe eigenaren: niemand hoeft eruit.

In de oudste van de twee tegelhallen van Sphinx doet president-directeur J.B. van Vliet zijn best om niet op zijn omstreden voorganger Petrus Regout te lijken, met hier en daar een vriendelijk woordje voor het personeel, dat geen afstompend werk meer hoeft te doen. In de oudste hal, waar de klassieke vijftien bij vijftien centimeter grote tegeltjes nog twee keer (biscuit) door de lange tunnelovens moeten, laat hij de machine zien die aan het eind van de oven de opgestapelde tegeltjes van elkaar haalt: “Hier stonden vroeger tweehonderd vrouwen dag in, dag uit niets anders te doen dan tegeltjes op de band te leggen.” Nu staan er alleen nog voor het sorteren van de tegeltjes en de kwaliteitscontrole vrouwen aan de band, die de kleinste oneffenheid feilloos ontdekken.

“Daar hebben we ons kwaliteitsimago aan te danken”, zegt Van Vliet met een elegant gebaar naar de controleuses. “Sphinx moet het hebben van een perfect product. Wie een Oost-Europees of tegenwoordig zelfs een Thais tegeltje in de bouwmarkt koopt, betaalt minder, maar moet ook niet klagen dat zijn tegeltjes krom zijn, dat ze vol putjes zitten en dat de randen niet geglazuurd zijn. Wij moeten het hebben van een product dat anderen niet kunnen maken.”

Aan de overkant van het terrein staat de fabriekshal voor de grote vloer- en wandtegels die veel sneller in één keer in rollenovens gebakken worden. Alleen kunnen die machines geen kleine formaten aan, zodat de oude arbeidsintensieve procédés naast de nieuwe blijven bestaan. Op die manier heeft Sphinx de concurrentie steeds aardig kunnen bijbenen, ook al kostte dat de afgelopen decennia vijftienhonderd van de tweeduizend werknemers in de tegelfabrieken hun baan. De omzet van de tegeldivisie bleef schommelen rond een niveau van 100 miljoen gulden, een achtste van de concernomzet. Na een verlies van drie miljoen gulden in het boekjaar 1995/1996, te wijten aan een strenge winter en problemen met de nieuwe rollenoven, is over het zojuist afgesloten boekjaar weer een bescheiden winst behaald.

Nieuwe eigenaar van de tegeldivisie is een consortium van ABN Amro Participaties, Gilde Buy-Out Fund en het management. De verkoop is drie weken geleden in een vloek en een zucht geregeld, nadat de divisie al meer dan een jaar in de showroom had gestaan, vanaf het moment dat de verloving van Sphinx Gustavsberg met het Zwitserse bedrijf Keramik Laufen wereldkundig was gemaakt. Tegeltjes maken paste toen al niet meer in de strategie van Sphinx, dat hogerop wilde. In Nederland mag een badkamer of een toilet van Sphinx lange tijd het summum van luxe zijn geweest, minder sober levende EU-genoten kiezen voor Italiaans design of Duitse goed-burgerlijkheid als ze van hun badkamer of toilet écht een statussymbool willen maken.

“In de Benelux, Frankrijk en Scandinavië zitten we in de top van het middensegment, maar in Duitsland komen we niet verder dan de onderkant van dat deel van de markt. Als je daar zit, kun je geen merknaam opbouwen”, stelt Van Vliet vast.

Hij dacht het probleem op te lossen door een alliantie met Keramik Laufen, maar toen vorig jaar de Zwitserse familieleden de huwelijksplannen torpedeerden en tot overmaat van ramp ook de Duitse bouwmarkt het liet afweten, kwamen heel andere motieven voor de verkoop bovendrijven. Sphinx Gustavsberg moest toen op twee fronten strijden: ongezonde onderdelen saneren en op eigen benen zien door te stoten naar de top van de markt.

In twee jaar heeft het concern al 72,2 miljoen gulden moeten uittrekken voor reorganisaties in Nederland, Duitsland en België. Bovendien slonk de winst, die drie jaar geleden nog uitkwam op 30 miljoen, een jaar later tot 9,1 miljoen. Gisteren maakte de directie bekend dat over het in maart afgesloten boekjaar een verlies uit gewone bedrijfsvoering is geleden van 15 miljoen. En terwijl de beurzen record op record boeken, is het aandeel Sphinx Gustavsberg in twee jaar tijd gekelderd van zestig gulden naar iets boven de twintig. Wie toch nog voor overname of fusie bij Sphinx aanklopt, vindt de deur gesloten.

Niettemin blijft het concern, waarvoor in heel Europa nog altijd 3.800 mensen werken, vasthouden aan de strategie van 'het totale badkamer-concept'. Dat wil zeggen dat alle onderdelen van 'de natte ruimte' in één pakket worden aangeboden en dat de productie van tegels, kranen, bad, douche en keramisch sanitair op elkaar wordt afgestemd qua materialen, kleuren en vormen. “We zijn in zoverre van strategie veranderd dat we niet meer alles zelf willen maken”, zegt Van Vliet: “Twintig procent van de productie wordt uitbesteed in landen waar die goedkoper is, zoals Tsjechië of Polen, maar er blijft nog steeds de naam Sphinx op staan.”

Het blijft nog altijd de vraag hoe lang de losgemaakte tegeldivisie van Sphinx en het noodlijdende Mosa los van elkaar zullen blijven. Volgens ingewijden zijn voorafgaand aan de koop van Sphinx-tegels contacten geweest met de nieuwe eigenaren van Mosa, maar die hebben nog niet geleid tot samenwerking. Toch twijfelt eigenlijk niemand er aan dat Nederland straks nog slechts één in plaats van twee tegelfabrieken binnen zijn grenzen heeft.