Liefde, Engeland en India

Hanif Kureishi: Love in a Blue Time. Faber & Faber, 212 blz. ƒ 35,15

Vikram Chandra: Love and Longing in Bombay. Faber & Faber, 257 blz. ƒ 50,80

Vikram Chandra: Stromende regen en rode grond. Anthos, vert. Marijke Emeis, 527 blz. ƒ 59,50

Vikram Chandra is een in het Engels schrijvende Indiase auteur die half in Bombay, half in Amerika woont, Hanif Kureishi een Londenaar die in zijn succesvolle roman The Buddha of Suburbia (1990) schreef over zijn jeugd als kind van een Engelse moeder en een Indiase vader. Liefde in tijden van verwarring is het onderwerp van hun pas verschenen verhalenbundels: Love and Longing in Bombay van Chandra, en Love in a Blue Time van Kureishi. Niet alleen de verwarring waar de liefde zelf - in alle tijden - wel voor zorgt, maar ook de verwarring van het hippe westerse leven tegen een Indiase achtergrond.

Luister. Zo beginnen de vertellingen bij Chandra. We zijn dan steeds al een aantal pagina's op weg in de verhalen, vijf in totaal, die verteld worden door een jonge man van wie we niet veel meer weten dan dat hij in de computerbranche werkt, in Bombay woont, en 's avonds gaat drinken in een obscure tent, de Fishermans Rest. Onder de stamgasten, een mix van oude mannen en jonge trendy types uit reclame en media, staat een oude grijze ambtenaar centraal, die op het aangeschoten gepieker van de computerman over de liefde, over politiek, over de toekomst van India, steeds reageert met een handgebaar en een verhaal: 'Listen.'

Naar Chandra's bundel werd met spanning uitgekeken. Zijn meer dan 600 bladzijden dikke debuutroman Red Earth and Pouring Rain (1995), een duizelingwekkende knot van verhalen in verhalen in verhalen, vol westerse en Indiase mythen, helden en goden, was een groot succes. De vijf verhalen uit Love and Longing in Bombay beslaan nog niet de helft van die ruimte, maar zijn een stuk spannender.

Chandra roept het moderne Bombay op in al zijn verscheidenheid: met villa's bestrooide heuvels waar aristo's sociale veldslagen voeren met hun nouveau-riche rivalen, de shantytowns van hun bedienden, een binnenplaatsje waar een oude man jongens begeleidt in ascese en meditatieve beweging, een blinkende, stampende maffia-sportschool, homo-disco's en politiebureaus waar agenten in burger rondlopen in hun felglimmende polyester overhemden. Steeds staat het oude Bombay tegenover de chaos van het nieuwe. De raamvertelling die ten grondslag ligt aan de hele bundel, het personage van de jonge Indiër die behalve met zijn traditie, in zijn computerwerk duidelijk te maken heeft met de modernste kanten van het bestaan, houdt de volkomen verschillende settings van de verhalen bij elkaar.

Engeland is blij met de nieuwe lichting Indiase auteurs als Chandra en Vikram Seth (A Suitable Boy) omdat ze, in tegenstelling tot veel van hun Britse generatiegenoten, nog ouderwets een verhaal weten te vertellen - ze worden gezien als een soort moderne Dickens-en. Het zou een spottende knipoog aan die nostalgische gevoelens kunnen zijn dat de verhalen in de bundel de vorm hebben van negentiende-eeuwse genres, zoals een spookverhaal, een detective, en een society-romance. De vorm van Chandra's werk is zo zelfbewust en opzettelijk, dat je dat soort grapjes verwacht. Zo krijgt de raamvorm in het laatste verhaal 'Shanti' ineens zoveel lagen, zoveel nieuwe vertellers, dat het een soort op hol geslagen Droste-effect krijgt.

Nog sterker geldt dat voor Chandra's debuut, dat nu in een ruim een kilo wegende Nederlandse vertaling is verschenen. Een terugkerend beeld in Stromende regen en rode grond is een gigantische knoop, een onontwarbare kluwen van planten, ingewanden, staal en zilver, haar, boter en draad, die zelfs met een zwaard niet te klieven valt. Die knoop doet denken aan het boek zelf. Het is een verstrengeling van talloze verhalen, vertelling binnen vertelling, vervlochten, verknot, vervilt tot een ondeelbaar geheel.

Het geraamte is een soort Indiase Duizend-en-een-nacht: ook hier wordt verteld met de adem van de dood in de nek. De verteller, een dodelijk gewond aapje, dat eigenlijk een reïncarnatie is van een eeuwenoude dichter, sluit een deal met zijn belager Yama, de god van de Dood: als hij een publiek voor een afgesproken periode elke dag twee uur weet te boeien met verhalen kan hij zijn naderende einde afwenden. Maar als zijn gehoor gaat zitten krabben, schuifelen, praten of dommelen: finito. De dichter/aap staat onder bescherming van Hanuman, de god van de Dichtkunst, en wordt bijgestaan door een secondant, een jonge Indiase student die vertelt over zijn studietijd in Amerika.

De roman beweegt zich heen en weer tussen India, Amerika, Europa, tussen de tijd van de goden, van Alexander de Grote, van de grote Indiase veldslagen, van het Amerika van Generatie X. Wees omslachtig, instrueert Hanuman de vertellende aap in het begin. Wees uitvoerig, wees kronkelig. Een van de talloze andere vertellers zegt: elk verhaal draagt het zaad van elk ander verhaal in zich - als het maar lang genoeg doorgaat wordt elk verhaal andere verhalen. Luister.

Net als in Chandra's bundel gaat het in Kureishi's werk om de chaos van het leven in de grote stad tegen het decor van oude tradities. Zijn verhalen beginnen altijd met verwarring, met ambivalentie, op een kruispunt: waar Indiaas-heid snijdt met Engelsheid, homo's hetero kunnen zijn en andersom, intellect botst met straatwijsheid, waar ambitie en vrijheidsdrang, yuppie en punk, verlangen en afkeer elkaar ontmoeten.

We kennen dat thema van de tweeënveertigjarige Kureishi - ooit binnengehaald als fris jong geluid in de Engelse literatuur maar nu een gevestigde naam - behalve van zijn eigen boeken ook van zijn scenario's voor de succesvolle Stephen Frears films My Beautiful Laundrette en Sammy and Rosie Get Laid, zijn minder geslaagde filmdebuut London Kills Me, en zijn theaterstukken. De 'Blue Time' uit de titel, slaat behalve op een tijd net als bij Chandra ook op een plaats: Londen ditmaal, Engeland, in de jaren tachtig en negentig, onder een schijnbaar eindeloos regime van yuppies en Tory's.

Hoewel het onderwerp van Kureishi en Chandra opvallend overeenkomt, kon de vorm nauwelijks meer verschillen. Kureishi zegt waar het op staat. De broeierigheid van Chandra's bundel, met zijn omwegen, dwaalsporen, vergezichten - een broeierigheid die bijvoorbeeld Sammy and Rosie wel had - ontbreekt.

Eén gegeven is de basis voor een verhaal in beide bundels. 'Kama', bij Chandra, en 'My Son the Fanatic', bij Kureishi, draaien om een nieuw soort zoon. Een stille jongen met op elkaar geklemde kaken, de handen tot vuisten gebald, de blik ernstig, niet-lachend. Hij brengt zijn tijd door in zijn lege, barre kamer. Hij bidt. Zijn ouders, progressieve mensen, tolerant, westers, veracht hij.

Bij Kureishi ziet de vader, een drinkende taxi-chauffeur, in machteloze woede toe hoe zijn zoon hem ontglipt. 'Hij wist dat de jongen onbereikbaar was, maar hij haalde toch uit. De jongen weerde zich niet en sloeg niet terug; er was geen angst in zijn ogen. Hij zei alleen maar, met zijn gescheurde lip: Wie is er hier nou fanatiek?'

In 'Kama' is de moeder van de jongen, een welgestelde vrouw met een wat pikant seksleven, dood in de rivier gevonden. De agent die de dood onderzoekt, Sartaj, een melancholieke Sikh, stuit op de zoon Kshitij en zijn vriendenclub, een fundamentalistische splinterpartij. Het loopt zo af: 'Een busje reed voorbij met die lelijke dreunende Amerikaanse muziek die Sartaj in zijn borst voelde. In het schelle rumoer van de avondspits kon hij de gigantische stad voelen, de miljoenen en miljoenen, haar enorme leven en al haar onopgeloste doden. Op een poster op een bus voor een nieuwe film stond: Love, love, love. Ergens, ook in de stad, waren Kshitij en zijn partijleden, met hun gebouw vol wapens en hun dromen van het verleden, en Sartaj wist dat niets af was. Net toen hij over wilde steken sprong het licht op rood, en de stroom auto's stootte krankzinnig naar voren, zodat hij terug moest springen. Mensen lachten en hij moest ook lachen, terwijl hij op zijn beurt wachtte. Toen stortte hij zich er in.'

Kureishi's functionele proza steekt wel erg mager af tegen de sfeer die Chandra oproept met al zijn beelden, herinneringen en geluiden. De chaos en verwarring waarbij Kureishi ooit in zijn element was, drukt hem nu in het defensief. Een bleue tijd is dit in elk geval voor zijn schrijverschap.

Chandra drukt met zijn rijke stijl meer uit dan zijn verhaal: hij geeft vorm aan een overtuiging. Wees vol en divers zegt hij, veelzijdig, weelderig. In het huidige India, waar de invloed van naar eenduidigheid en zuiverheid strevende fanatici als Kshitij dagelijks sterker wordt, is dat een uiterst relevante stellingname. Zoals Sartaj zich in het verkeersgewoel stort, zo stort Chandra zich in de rijkdom van de Engelse taal, steeds kiezend voor pluriformiteit, voor chaos, voor verwarring.