Het jongere-ouderenbeleid van de overheid; Gabbers gevraagd

Slechts één op de vier 55-plussers heeft een baan en niemand kijkt er nog van op. Die vanzelfsprekendheid moet verdwijnen voor de komende generatie jongere ouderen, vindt vooral de overheid. Maar welke maatregelen neemt ze daartoe? En hoe wordt er elders in de wereld mee omgegaan? Vierde en laatste aflevering in een serie over de nieuwste vrijgestelden.

Zelden is een begrip zo snel ingeburgerd geraakt als 'demotie'. 'Verlaging in rang, verplaatsing uit een hogere functie naar een lagere. Het tegenovergestelde van promotie', staat in Van Dale. In een samenleving waar ambitie en verbetering van de positie op de arbeidsmarkt het credo is, ligt het voor de hand dat demotie is gedoemd tot controverse. Toch ziet 'Den Haag' het als dè oplossing om oudere werknemers zo lang mogelijk aan het werk te houden. Want van de Nederlandse 55-plussers werken er veel te weinig.

De geringe arbeidsparticipatie van 'jongere ouderen' wordt door kabinet-Kok en parlement als probleem nummer één gezien voor de 21ste eeuw. Waarom? Op de korte termijn kost een groot aantal inactieve 55-plussers simpelweg geld omdat velen van hen gebruikmaken van de arbeidsongeschiktheidsregeling WAO en in mindere mate van de werkloosheidsuitkering WW. Maar dit is niet de belangrijkste reden dat jongere ouderen voortaan zo lang mogelijk op de arbeidsmarkt moeten blijven rondhangen. Natuurlijk, minder WAO- en WW-uitkeringen is mooi meegenomen, maar het probleem strekt zich toch vooral uit over de komende generaties 55-plussers; de 35-plussers van nu. Zo vanzelfsprekend als het voor de huidige jongere ouderen is om te stoppen met werken, zo vanzelfsprekend moet het voor hun opvolgers zijn om tot hun 65ste door te blijven werken.

De noodzaak van die mentaliteitsomslag is tweeledig. In de eerste plaats moeten zo veel mogelijk mensen de komende decennia aan de slag om de premies te kunnen opbrengen voor de oude dag van de steeds grotere groep gepensioneerden. In 2035 zijn er waarschijnlijk twee keer zoveel AOW'ers dan nu en minder mensen om die AOW op te brengen. En in dat laatste zit meteen de tweede reden waarom het beroep op de toekomstige 55-plussers groter zal worden: de omvang van de totale beroepsbevolking daalt. Vrouwen, allochtonen, gedeeltelijk arbeidsongeschikten en ook 'jongere ouderen'; op iedereen zal op de arbeidsmarkt van de 21ste eeuw een beroep worden gedaan.

“De tijd dat je als werkgever kon kiezen uit tien blanke gezonde Nederlandse mannen is echt voorbij”, weet staatssecretaris De Grave van Sociale Zaken. Komende Prinsjesdag zal hij een nota presenteren waarin oplossingen worden aangedragen om het dreigende probleem van het steeds geringer aantal werkende 55-plussers het hoofd te bieden. Wat De Grave betreft zijn de te nemen maatregelen zinloos als niet alledrie de betrokken partijen - werkgevers, werknemers en overheid - bereid zijn water bij de wijn te doen. Werkgevers moeten willen investeren in permanente scholing en verbetering van de arbeidsomstandigheden. Werknemers moeten tot hun 65ste willen doorwerken, ook in kortere werkweken en daarmee tegen een geringer bedrag op de loonstrook. En de overheid, lees het ministerie van Sociale Zaken, moet het stelsel van de sociale zekerheid zodanig aanpassen dat werknemers niet gestraft worden voor hun doorwerken.

Het gaat wat De Grave betreft bij die aanpassingen er vooral om demotie mogelijk te maken. De sociale partners zitten in de Stichting van de Arbeid steeds feller te discussiëren over de voorwaarden waaronder gedemoveerd moet, kan of mag worden.

Wat De Grave betreft is gedwongen demotie 'out of the question', maar wat de uitkomst van de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers ook is, de regeling waarmee een werknemer ná diens 'laatste carrièrestap-terug' mee te maken krijgt, moeten wel op die stap zijn afgestemd.

Ouderen maken nu eenmaal een grotere kans om in de WAO of de WW terecht te komen. En zo'n uitkering is allesbehalve een wenkend perspectief als deze gebaseerd is op het laatst verdiende loon dat door demotie flink lager is uitgevallen dan het voorlaatste salaris. Een oplossing hiervoor is de hoogte van de WAO- of WW-uitkering niet langer te koppelen aan het laatst verdiende loon, maar aan het gemiddelde salaris dat een werknemer gedurende zijn carrière heeft ontvangen.

Deze middelloon-eindloon discussie wordt in de pensioenwereld al geruime tijd gevoerd. Logisch, want dáár gaat het om een uitkering waar iemand Deo volente wel eens 35 jaar van zou kunnen genieten. De meeste pensioenen zijn nog op het eindloon gebaseerd en een minderheid op het middelloon. Maar pensioenfondsen steken elkaar de loef af om producten te verzinnen die bij elke carrière-move de premiebetaler toch de mooiste pensioenvoorwaarden bieden.

Dergelijk maatwerk stimuleert een 55-plusser echter meer om te stoppen, dan om zo lang mogelijk door te gaan met werken. Wat dat betreft doet de overheid - de grootste werkgever in Nederland - het beter. Tussen de 55 en 65 jaar mogen rijksambtenaren bijvoorbeeld vervroegd uittreden, maar geldt: hoe langer men blijft werken, hoe hoger het pensioen. “Deze maatregel is positief onthaald”, zegt de directeur personeelsmanagement rijksoverheid, P. Welling van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Daarnaast geldt sinds drie jaar dat hoe ouder een ambtenaar wordt, hoe korter hij mag werken. Partiële arbeidsparticipatie senioren (PAS) noemen ze dat bij de overheid. Iemand van 57 jaar kan de werktijd met zo'n elf procent terugbrengen van 36 naar 32 uur, terwijl hij zijn inkomen met slechts vijf procent ziet dalen. Naarmate de leeftijd hoger wordt, bestaat de keuze om per week minder te gaan werken; vanaf 61 jaar nog 24 uur. Een populaire regeling, zo blijkt, één op de vijf oudere ambtenaren maakt er gebruik van. “Als werkgever hebben we er belang bij om de oudere werknemer zo lang mogelijk in dienst te houden”, legt Welling uit. “En met de voorspelde krapte op de arbeidsmarkt zal dat belang alleen maar toenemen.”

Met demotie heeft de PAS-regeling helemaal niets te maken, stelt Welling. Waar De Grave het meeste heil verwacht van vrijwillige demotie om oudere werknemers binnenboord te houden, maakt de topambtenaar die over de praktijk van het personeelsbeleid gaat, korte metten met de dromen van de staatssecretaris. “Je bent een dief van je eigen portemonnee als je als werknemer aan demotie meewerkt”, meent Welling. Demotiebeleid bij de overheid, hij ziet het er niet van komen.

Scholing als oplossing om oudere werknemers 'erbij' te houden, daarover zijn Welling en De Grave het wel eens. Het gaat daarbij niet om af en toe eens een bijscholingscursusje, maar om permanente educatie. Juist in een land als Nederland, waar de economie voor het overgrote deel draait op “werken met de hersenen”, zoals De Grave het noemt, is permanente scholing cruciaal om 'economische veroudering' van werknemers tegen te gaan. Ouderen zijn volgens Welling echter nauwelijks bereid tot scholing. Een constatering die wordt gedeeld door het Sociaal en Cultureel Planbureau. “Dat begrijp ik heel goed”, zegt De Grave. Het gaat hem dan ook niet om scholing voor de huidige 55-plussers, maar om de toekomstige jongere ouderen. Voor hen moet éducation permanente net zo voor de hand liggen als werken en slapen.

Permanente scholing doet in combinatie met demotie een beetje vreemd aan: wie is bereid een opleiding te volgen voor een lagere baan? In plaats van een stap terug, lijkt er in de praktijk meer belangstelling te bestaan voor een stap opzij. Niet een niveau lager, maar korter werken, deeltijd dus. De teruglopende werkweek naarmate een werknemer ouder wordt, zoals de rijksoverheid die sinds drie jaar kent, krijgt gestaag navolging. In verschillende CAO's worden afspraken gemaakt over het 'ouwelullenverlof' zoals het seniorenverlof bestaande uit extra atv-dagen in vakbondskringen wordt genoemd. Zo krijgen in het streekvervoer 50-plussers aanzienlijk meer atv-dagen met als enige doel om ze zo lang mogelijk aan de slag te houden en ook de thuiszorg-CAO kent een bepaling waarmee 55-plussers meer vrije dagen krijgen. Structureler is de regeling in Zweden, dat het zogenoemde deeltijdpensioen kent. Vanaf 60-jarige leeftijd moeten werknemers minimaal 5 uur werken en maximaal 23 uur en van het gederfde loon wordt 65 procent via hun pensioen gecompenseerd. Iets vergelijkbaars bestaat in Japan, waar werknemers na het bereiken van de pensioneringsleeftijd van 60 jaar eenmalig vier maal hun jaarsalaris krijgen en daarnaast nog een bescheiden uitkering. Vervolgens worden de ouderen ingezet op eenvoudige banen om pieken in de productie op te vangen. Ook in de Verenigde Staten beginnen oudere werknemers aan een 'tweede carrière' op een lager niveau. Ze kunnen dit doen, omdat inkomensverlies wordt aangevuld met voor dat doel gespaard vermogen.

In Nederland staan vergelijkbare regelingen nog in de kinderschoenen. Een 'deeltijd pre-pensioen' komt nog het meest in de buurt bij een combinatie van de Zweedse, Japanse en Amerikaanse vondsten. Met zo'n pre-pensioen gaat een oudere werknemer korter werken en vult het daardoor gederfde salaris aan met een pre-pensioenuitkering waar de werkgever eventueel ook nog een steentje aan bijdraagt. Wegens dit laatste wordt deze oplossing voor inactieve 55-plussers ook wel de deeltijd-VUT genoemd, analoog aan de inmiddels uitstervende vervroegde uittreedregeling die werkgevers kapitalen bleek te kosten.

Hoewel oudere werknemers er langer mee aan de slag blijven, is zoiets als een deeltijd-pensioen wegens de zeer hoge kosten voor de werknemer zelf, alleen maar weggelegd voor topfunctionarissen. Die werken juist fluitend door tot hun pensioen en willen daarna vaak nog langer doorgaan. Werken in deeltijd lijkt, los van spaarelementen en pensioenvoorwaarden, evenwel de meest logische oplossing om 55-plussers werkend hun pensioen te laten halen. Liever minder verdienen omdat ik korter werk dan omdat ik minder waard ben, is het credo van de jongere oudere van morgen.

Deeltijd-pensioen, demotie en scholing? Nergens voor nodig, al die maatregelen, vindt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Het 'probleem' van de inactieve 55-plussers lost zichzelf automatisch op zolang de aarde door draait. Een kind kan begrijpen waarom, zo laat de WRR in een rapport over maatschappelijke tweedeling van eind vorig jaar weten. De vraag naar arbeid wordt steeds groter, terwijl het aanbod onder invloed van 'ontgroening' sterk zal dalen.

Oudere werknemers worden daarbij steeds interessanter, omdat ze zoveel ervaring hebben. Bovendien zijn de ouderen van de toekomst veel beter opgeleid dan de ouderen van nu en omdat ze al die jaren geen fysieke arbeid hebben verricht zijn ze als klap op de vuurpijl nog stukken gezonder ook. “Verbazingwekkend, die analyse”, zegt staatssecretaris De Grave. Hij moet moeite doen om het woord studeerkamerwijsheid niet in de mond te nemen. “Als de WRR gelijk zou hebben, dan zou je dat nu al moeten zien aan de WAO-cijfers. Die zouden moeten dalen, maar ze stijgen juist.”

Aan de achterkant van het himmelhoch jauchzende toekomstscenario dat de WRR voor oudere werknemers schetst, ligt een nieuw probleem: het tekort aan jongeren. Het is iets waar de topambtenaar personeelszaken rijksoverheid Welling meer mee lijkt te zitten dan het aan de slag houden van oudere werknemers.

Voorheen kon hij nog een piramide laten zien als het om de leeftijdsopbouw ging van zijn personeel, nu is het een tol. En de buik van de tol gaat de komende jaren als een prop naar boven waardoor over zeven jaar meer dan dertig procent van het overheidspersoneel uit 50-plussers bestaat. “We missen de house-generatie”, zegt Welling. “We moeten aan gabbers zien te komen. Het is niet goed dat er een situatie ontstaat waarbij de directie jeugdbeleid van het ministerie van VWS alleen nog maar uit mensen van boven de vijftig bestaat.