Herinneringen van Markus Wolf; Drie roebels voor een dubbelspion

Markus Wolf: Man zonder gezicht. De legendarische Oost-Duitse spionagechef. Balans, vertaald uit het Engels door Jaap van der Wijk, 436 blz. ƒ 39,50

Voor Helmut Kohl in 1989-'90 aan zijn tweede leven als kanselier begon en van een aangeslagen en bespotte provinciale politieke brekebeen op slag veranderde in een in en buiten Duitsland bejubelde 'eenheidskanselier' die Adenauer en Bismarck naar de kroon stak, is hij vaak bekritiseerd omdat hij, jaargang 1930, openlijk zei dat zijn biografie begunstigd was door de 'genade van de late geboorte'. Ook de Nederlandse politieke elite en de media hadden Kohl, kanselier sinds 1982, toen nog niet collectief ontdekt als 'een Europese staatsman'. De minister van onderwijs bezon zich nog niet op de opzet en de plaats van het Duits in het vakkenpakket van het voortgezet onderwijs. De koningin had nog niet, per kersttoespraak, onthuld dat niet alle landgenoten in de oorlog een rol speelden in het verzet.

Een storm van protest klonk destijds op na Kohls verzuchting. Had hij niet eigenlijk óók gezegd dat de keuze tussen goed en kwaad in de lange, pikzwarte Duitse nacht van 1933 tot 1945 voor velen vooral afhing van hun geboortejaar? Iets als: wie vroeg genoeg geboren was heeft pech gehad? Ja, had hij daarmee de keuzemogelijkheid tussen goed en kwaad niet zó gerelativeerd dat hij zijn landgenoten en zichzelf als het ware een soort algemeen passepartout verstrekt had? Het gegrom uit het buitenland, maar ook van 'goede' Duitsers, zoals van president Richard von Weizsäcker, was aanzienlijk. Kohl, namens de 'gewone' Duitsers, Weizsäcker namens de 'betere'? Het was en is moeilijk, zowel daar als hier.

Niettemin. Het maakt voor een oudere Duitser inderdaad aardig wat uit waar en wanneer hij in deze eeuw geboren is. Zoals het wat uitmaakte wat zijn ouders deden of dachten in zijn jeugd of jonge jaren, en wanneer ze dat duidelijk zichtbaar deden en hoorbaar dachten. Herkenbaar links bijvoorbeeld. Bovenal maakte het gruwelijk veel uit of men zich, ongeacht welk geboortejaar ook, ariër kon noemen of niet.

Bloedhekel

Zulke gedachten moeten wel door het hoofd gaan bij de terugblik die Markus Wolf, de langjarige en roemruchte chef (1952-1986) van de Oost-Duitse buitenlandse inlichtingendienst, in zijn jongste boek geeft van het proces tegen hem voor de rechtbank van Düsseldorf in 1993. Daar zitten ze tegenover elkaar: Wolf als aangeklaagde en Klaus Kinkel, vice-kanselier en minister van Buitenlandse Zaken van het verenigde Duitsland als getuige. Ze zijn allebei geboren in het Zuid-Duitse stadje Hechingen, alletwee als zoon van een arts, Wolf in 1923 en Kinkel in 1936. In een 'later leven' zijn ze een paar jaar collega en concurrent geweest. De FDP'er Kinkel was van 1979 tot 1982 als chef van de middelmatig succesvolle Bundesnachrichtendienst (BND) in het Beierse Pullach de West-Duitse tegenvoeter van Wolfs uitzonderlijk succesvolle Hauptverwaltung Aufklärung (HVA) in Oost-Berlijn. Kinkel heeft een bloedhekel aan me en 'de gerespecteerde staatsman' vermijdt dan ook me rechtstreeks aan te kijken, noteert de dan 70-jarige Wolf in Düsseldorf met zekere tevredenheid.

Hun levenslijnen zijn zó verschillend als levenslijnen in Duitsland deze eeuw maar kunnen zijn. Kinkel is kind van gewone, burgerlijke, Duitse ouders. Hij is negen jaar in 1945 en dus als het ware hors concours. Bij Wolf is dat anders. Zijn uitzonderlijk begaafde joodse vader Friedrich heeft als arts-vrijwilliger in de Eerste Wereldoorlog gediend, zoals meer joodse intellectuelen vrijwillig dienst namen, mede om uitdrukkelijk hun hechte band met het vaderland te demonstreren.

Hij is zwaar gewond geraakt, overleeft en komt gedesillusioneerd terug als humanistisch communist. Hij is een onconventionele man, die vader, in een land waar burgerlijke rancune tegen 'anders zijn' norm zal worden. Hij raakt aanhanger van de natuurgeneeskunst, wordt vegetariër, toneelschrijver en zal bij vier vrouwen vijf kinderen hebben al blijft hij zijn leven lang gelukkig getrouwd met de moeder van Markus en diens jongere broer Konrad. In 1933, wanneer Hitler de macht heeft overgenomen, komt de keus tussen goed en kwaad voor het jonge gezin Wolf praktisch overeen met de keus: uit Duitsland vertrekken of niet. De Sovjet-Unie is dan, ideologisch gezien, de logische vluchthaven. Dat geldt voor meer joodse of linkse Duitsers, en zeker voor joodse én linkse Duitsers.

De in dit levensverhaal bepaald niet erg onzichtbare hand van de geschiedenis zorgt ervoor dat de Sovjet-Unie voor Markus Wolf zijn tweede, vaak zelfs zijn eerste, vaderland wordt. Hij heeft het in eerdere boeken beschreven. Hoe hij gelovig communist werd, hoe weinig hij destijds nog echt begreep van de woeste stalinistische terreur in dat beloofde land, ook onder angstige Duitse linkse immigranten. Hoe hij als 'man van Moskou' na de oorlog in de Sovjet-zone, even later de 'antifascistische' DDR, een bliksemcarrière maakte en al op zijn 29ste chef van de buitenlandse inlichtingendienst wordt. Als 'man zonder gezicht', want het zal nog tot 1979 duren tot hij in het Westen 'toevallig' door een Oost-Duitse overloper wordt geïdentificeerd op een foto die eerder dat jaar in Stockholm is gemaakt. Daarna zou hij de 'Paul Newman' van de inlichtingenwereld gaan heten. Zoals hij allang werd gezien als de man die model had gestaan voor de romantisch-mysterieuze Oost-Duitse superspion uit John le Carrés The Spy who came in from the cold. Toen ik hem eind 1991 in het Oostberlijnse Palasthotel vroeg wat hij daarvan dacht mompelde hij iets als: 'onzin, maar wel bruikbaar in het werk dat ik had'.

Van 1933 naar 1945 en vervolgens van 1945 tot zijn vrijwillige en vroegtijdige pensionering als spionagechef loopt de twijfel over zijn ideologisch bepaalde lot als een rode draad door het leven en de boeken die Markus Wolf sinds 1990 schreef. Hij blijft trouw aan het devies dat men in zijn branche niet achteraf zó moet uitpakken over allerlei kwesties dat vroegere medewerkers er vandaag de dupe van zouden kunnen worden. Dat betekent dat de lezer die hoopt op 'mooi nieuws' of 'grote onthullingen' ook bij lezing van Wolfs jongste boek bedrogen uitkomt. Want wat hij schrijft over zijn agent Guillaume, die na een jarenlang bestaan als 'slapende mol' het in de SPD brengt tot medewerker van kanselier Brandt en wiens ontmaskering in 1974 tot Brandts val leidt, tot verdriet van Wolf trouwens, is allang bekend.

Spectaculaire successen

Dat geldt ook voor wat hij vertelt over andere spectaculaire successen en nederlagen van zijn Oost-Duitse spionage-organisatie. Ook zijn soms rake typeringen van DDR-staatschefs als Ulbricht en Honecker, en de intellectueel vaak evenzeer armlastige leden van het SED-politburo, zijn niet nieuw. Al liegen sommige kenschetsen er desondanks niet om, bijvoorbeeld van zijn oude baas Erich Mielke, de vooroorlogse communistische geweldpleger, die hij beschrijft als een paranoïde man ('een gevaarlijke gek') die in de DDR nochtans minister van Staatsveiligheid alsook vertrouweling van Honecker kon worden.

Soms zijn er wel mooie anekdotes te lezen, die iets zeggen over de moeizame manier waarop de DDR op het oude grondgebied van Pruisen haar plaats in de wereld zocht. Wel vijf gala-uniformen bijvoorbeeld hadden de hogere inlichtingen-collega's van Moskou. Soms was dat nog niet genoeg. Op een plechtige bijeenkomst in Moskou droegen de Duitsers dezelfde smokings als de obers. Wolf, die een Russisch-orthodoxe metropoliet die avond begeleidt naar het toilet, kreeg derhalve een fooi van drie roebel. Komisch is ook de passage over een eigensoortig type instant-bordeel dat de daaromtrent kuise DDR op last van de KGB had ingericht ten tijde van een geallieerde conferentie in Berlijn. De bedoeling was de hoge gasten naar deze malina te lokken om ze wat spraakzamer te maken, af te luisteren en te fotograferen. Maar de enige klant voor dit kortstondige huis van plezier was een journalist, die flink at en dronk maar van de dames afbleef en uiteraard geen bruikbare inlichten kon verstrekken. De inderhaast aangezochte dames hadden de hele avond niets te doen. Voor Wolf, die met zijn Oost-Duitse Romeo's later op afstand furore zal maken bij eenzame West-Duitse secretaresses bij de NAVO en ministeries in Bonn, was dat een rare ervaring. Opmerkelijk is ook hoezeer het intensieve liefdesleven van kanselier Brandt blijkens de rapportage van Wolf betekenis had voor het Oost-Duitse inlichtingenwerk. Wolf brengt bijvoorbeeld in herinnering dat Brandt in de vroege jaren zeventig in een SPD-verkiezingstrein veel tijd inruimde voor een wel zeer exclusief interview met een West-Duitse journaliste. Hij vertelt er niet bij dat in diezelfde trein PvdA-lijsttrekker Den Uyl vergeefs wachtte op de gelegenheid om zich samen met de Duitse Nobelprijswinnaar te laten fotograferen. Mooie anekdotes allemaal, ook die over de gewaardeerde Fidel Castro, die - op bezoek in Oost-Berlijn - trek in van alles kreeg en 's nachts betrapt werd toen hij langs de regenpijp van zijn hotel een weg naar de vrijheid zocht.

Maar de werkelijk interessante vraag in het ideologisch en anderszins bijna gepredestineerde leven van Duitsers als Markus Wolf blijft in dit boek opnieuw onbeantwoord. De vraag namelijk wanneer zij, na hun gedwongen vertrek uit Hitlers onaanvaardbare totalitariteit naar de Sovjet-Unie, in de gaten kregen dat zij van de regen in de drup waren beland, eerst in Moskou en daarna in Stalins creatie die DDR zou gaan heten.

Wolf laat, ook in zijn jongste boek, weten dat hij al vroeg twijfels had of de keus waartoe hij qua communistische opvatting en joodse familiegeschiedenis gedwongen was, op langere termijn wel de juiste is geweest. Hij schrijft dat hij al vroeg, misschien al bij de Oost-Berlijnse arbeidersopstand in 1953, die twijfels kreeg. Met respect voor alle dwangmatigheid die in zijn biografie zit, rijzen hier toch vragen over die nu weer omstandig beschreven twijfels van Wolf. Zijn leeftijdgenoot, gewezen vriend en Moskouse klasgenoot Wolfgang Leonhard bijvoorbeeld, die in '53 naar West-Duitsland was gevlucht, rekende in zijn boek De revolutie laat haar kinderen gaan in 1956 al af met de notie als zou de Sovjet-Unie de moeder van een democratische wereldrevolutie kunnen zijn.

Markus Wolf, in de DDR gezien en gevreesd als 'Man van Moskou', omschrijft Leonards boek in 1989 nog smalend als: 'starthulp voor een succesvol bestaan als Kremlinkenner'. Pas nadat hij kort daarna, tijdens een enorme anti-SED-demonstratie op de Oost-Berlijnse Alexanderplatz, vergeefs heeft gepoogd om een leidend personage van een 'werkelijk socialistische' DDR te worden, schrijft hij over 'het stalinistische systeem dat abusievelijk als socialisme werd aangemerkt'.

Maar dan is het te laat, de joodse dokterszoon uit Hechingen is dan al ingehaald door alweer een nieuwe Duitse tijd.