Gesprek met de Zweedse schrijfster Kerstin Ekman; De mens is zo'n breekbaar wezen

De Zweedse schrijfster Kerstin Ekman heeft een afkeer van cynisme. Betrokkenheid moet, maar dat die niet veel uitricht weet ze ook wel. “Onze greep op de wereld om ons heen is zwak. Veel van wat we zeggen is onzinnig.”

Kerstin Ekman: 'Breng mij weer tot leven'. Vertaling: Mariyet Senders en Mats Keuls. Uitgeverij: Bert Bakker, 452 blz. Prijs: ƒ 49,90. Gebonden: ƒ 59,90. 'Zwart water' verscheen onlangs in een goedkope editie bij uitgeverij Bert Bakker. Prijs: ƒ 25,-

Zolang in Valsjöbyn de sneeuw smelt, blijft Kerstin Ekman in Stockholm. De dooi maakt de wegen onbegaanbaar. Zo'n vijftien jaar woont de schrijfster nu in het dorp, dat hoog in het dichtbeboste noorden van Zweden ligt. Hier in de stad bevindt zich alles wat zij en haar echtgenoot, een gepensioneerde jachtopziener, moeten ontberen: theaters, bibliotheken en archieven, vrienden. Thuis in Valsjöbyn lezen ze avond aan avond een boek of kijken ze televisie. Ze kan niet wachten om terug te gaan, zegt ze. Mij zal het niet opvallen, maar de stad stinkt. Wie zoveel stilte gewend is, werkt die aanhoudende stroom geluiden al snel op de zenuwen. In Stockholm wordt ze snel depressief. Hoeveel mensen wonen er in Valsjöbyn? Ze lacht quasi-beschaamd. “Dat zijn er nu minder dan honderd. Voor de mensen uit de streek wordt het steeds moeilijker het hoofd boven water te houden. De bossen worden gekapt, de boerderijen verdwijnen, er is nauwelijks nog werk. Ik kan me voor hen geen toekomst voorstellen.”

De glimlach trekt uit haar gezicht. Ekman (1933) is gedreven en goedlachs, in niets een dame op leeftijd. In haar woorden klinkt echter zware ernst door, die haar af en toe lijkt te overweldigen. Op zulke momenten zwijgt ze en kijkt ze me lang aan. Wanneer ze haar blik op de wereld richt en spreekt over de dingen die haar uit de slaap houden - de teloorgang van de natuur, het falen van de linkse politiek, de onophoudelijke wreedheden overal ter wereld - verschijnt er iets smekends in haar ogen. Besef ik wel hoe belangrijk het allemaal is?

In Nederland is Kerstin Ekman bekend door haar best-seller Zwart water, een adembenemende moordgeschiedenis die diep ligt ingebed in de onherbergzame streek waar ze woont. Die roman komt niet uit de lucht vallen; de schrijfster heeft een even veelzijdig als omvangrijk oeuvre op haar naam staan. In het Zweedse publieke debat wordt haar stem sinds jaar en dag gehoord. Ze stapte uit de Zweedse Academie toen die in 1989 niet ferm genoeg reageerde op de fatwa die Khomeini over Salman Rushdie uitsprak. Vanaf de linkerzijlijn heeft ze zich altijd met de Zweedse politiek bemoeid en tot op de dag van vandaag betreurt ze de kansen die links in de jaren zestig en zeventig heeft laten liggen. “Ik koesterde werkelijk de hoop dat de maatschappij ingrijpend vernieuwd zou worden, maar al snel sloeg het sektarisme toe. Toen ze het Sovjetregime en het China van Mao begonnen te vergoelijken, was het afgelopen.”

Haar schrijverschap weerspiegelt haar persoonlijke ontwikkeling. Ze begon onbevangen; begin jaren zestig publiceerde ze een aantal misdaadromans. “Ik had de ambitie om een boek te schrijven, meer was het eigenlijk niet. Waar ik toen woonde, in de universiteitsstad Uppsala, wilde iedereen een detective publiceren, dat was de mode. Nu ik zo'n beetje aan het einde van mijn schrijversloopbaan ben, ben ik dankbaar dat ik in dat genre begonnen ben. Je leert een vorm beheersen. Anders was ik misschien nooit verder gekomen dan mijn eigen hersenspinsels op papier te zetten. Ik ben altijd een schrijver gebleven die zich bedient van zoiets als een plot, in dat opzicht ben ik ouderwets. Maar als het goed is, is de lezer zich niet van een intrige bewust. Pas helemaal aan het eind begrijp je hoe alles in elkaar steekt. Zo leven mensen ook: op het moment zelf begrijpen we niet hoe dingen, mensen in elkaar grijpen, hoe dingen hebben kunnen gebeuren. Achteraf zien we de verbanden, de oorzaken.”

Tetralogie

Vervolgens stortte Ekman zich op een genre dat in Zweden eeuwig populair lijkt: ze schreef een reeks romans, een tetralogie. Daarin legde ze het leven van vrouwen in het stadje Katrinaholm vast, van halverwege de negentiende eeuw tot nu. De stijl was bewust realistisch, op het documentaire af. Ze voelde zich verantwoordelijk, er moest iets in kaart gebracht worden: “Ik moest me houden aan die neutrale toon, omdat ik de toestand van vrouwen zo nauwgezet mogelijk wilde beschrijven, wilde laten zien hoe vrouwen meehielpen met bouwen aan een maatschappij zonder er aandeel in te krijgen. Dat begon steeds meer te wringen. In het laatste deel waagde ik me al aan een veel subjectievere blik, de gevoelens en gedachten van één enkele vrouw.”

Dat bleek het begin van een radicale ontwikkeling. Niet het beschrijven van de waarneembare, sociale werkelijkheid werd het uitgangspunt van haar boeken, maar de manier waarop mensen een eigen werkelijkheid construeren, in een wereld die hun geen houvast biedt. Grote thema's drongen zich vanzelf op. Wat is cultuur, wat is geschiedenis, wat maakt een mens menselijk? Haar blik richtte zich ver voorbij de grenzen van het maatschappelijke. Eind jaren tachtig publiceerde ze De dwaas, een eigenzinnige vertelling over het langgerekte bestaan van het mensdier Skord, die gedurende vijfhonderd jaar het leven aan zich voorbij laat trekken. Het is een fantastisch wezen, maar Ekman plaatst hem in een brute werkelijkheid vol wreedheid en ontbering. “Ik verlangde al vanaf halverwege de jaren zeventig naar het schrijven van dat boek, maar ik moest eerst mijn boeken over Katrineholm afmaken. Ik wilde zo graag in die natuurlijke wereld opgaan. Het was niet mijn bedoeling om een historische roman te schrijven, maar een roman over geschiedenis. Hoe beleven we het verstrijken van de tijd? Hoe maken we een verhaal van de ontwikkeling die we doormaken? De geschiedenis is de ontwikkeling van ons bewustzijn, onze menselijkheid. Skord, een trolachtig wezen, beweegt door de geschiedenis, maar in wezen staat hij stil. De tijd trekt aan hem voorbij - hij wordt geconfronteerd met mensen en hun veranderende ideeën over de liefde, over beschaving en oorlog. Uiteindelijk maakt de liefde hem menselijk. Daarmee bedoel ik niet domweg copuleren en voortplanten, maar de zorg voor een ander, je over iemand ontfermen.”

Dat zijn woorden die gemakkelijk zoetig en sentimenteel kunnen klinken, helemaal wanneer ze over een wezen gaan dat je geneigd bent te associëren met de snoeperige wereld van Rien Poortvliet. Zo niet uit de mond van Ekman. Natuur en cultuur zijn de twee polen van haar schrijversschap. De spanning tussen die twee wordt hoog opgevoerd in haar laatste twee romans, die weer realistisch van opzet zijn, Zwart water en het onlangs verschenen Breng mij weer tot leven.

Onverschillig

In Zwart water lijken de personages met al hun heftige gevoelens en verlangens bijna verzwolgen te worden door het onverschillige landschap dat hen omringt. “De mens is zo'n breekbaar wezen. In mijn werk breekt de natuur voortdurend door de cultuur heen. In Zwart water is het landschap dan ook de enige echte hoofdpersoon. De mensen komen en gaan, de namen van plaatsen veranderen. Mensen proberen iets op te bouwen, het verdwijnt weer. Goed en kwaad zijn menselijke termen. De natuur staat volledig onverschillig tegenover de mens. Dat ik van de fragiliteit van de menselijk cultuur doordrongen ben, wil beslist niet zeggen dat ik niet geloof in de houdbaarheid ervan. Het vereist alleen een voortdurende inspanning.”

Ze vertelt een jeugdherinnering. “Toen de oorlog begon, was ik zes, zeven jaar oud. Mijn vader was voorman in een fabriek en we hadden twee joodse vluchtelingen bij ons inwonen, die daar ook werkten. In 1945 arriveerden de witte bussen met overlevenden uit de concentratiekampen. Ze kwamen bij ons thuis langs om de vluchtelingen op te zoeken. Ik zag hun gezichten, doodshoofden waren het, hun tandeloze monden, hun broze lichamen. Dat maakte een onuitwisbare indruk. Ik was een kind uit de kleine bourgeoisie, leidde een rimpelloos bestaan in een land dat zich aan de oorlog onttrokken had door voortdurend aan de nazi's toe te geven. En al die tijd had zich iets verschrikkelijks afgespeeld. Toen de oorlog in Bosnië uitbrak en de gruwelen die daar plaatsvonden bekend werden, begon het voor mij allemaal opnieuw. Wat moet je doen, wat kun je doen?”

Die vragen vormen de inzet van Ekmans nieuwe roman, die de bijna smekende titel Breng mij weer tot leven heeft. Het is een grote-stadsroman, die zich geheel en al in Stockholm afspeelt. In alle opzichten lijkt het de tegenhanger van Zwart water; de hoofpersonen zijn zes vrouwen met een verschillende achtergrond, die uit een soort historisch besef van tijd tot tijd bijeen komen om over de grote wereld te praten. Ze lezen de kranten, volgen het wereldnieuws, proberen het wereldleed op hun schouders te nemen. Ekman: “Ik denk dat de meeste schrijvers een soort pendule in zich hebben. Na Zwart water wilde ik een boek schrijven dat er helemaal niet op leek.” Het is een moeilijker boek dan zijn voorganger, merk ik op. “Veel moeilijker, ja. Met dit boek heb ik meer van mijzelf geëist dan met Zwart water, en dus ook van de lezer. Maar een roman mag veeleisend zijn. Ik vind het ook nodig je te verzetten tegen de televisiecultuur, met zijn eendimensionale verhalen. In Breng mij weer tot leven word je vanaf de eerste bladzijde geconfronteerd met de verwarrende gedachten van een groot aantal personages waarvan je niet weet wie ze zijn, wat ze doen en waarom, zodat je je moet inspannen om het geheel te doorgronden. Het is een bewuste provocatie, een boek schrijven dat je misschien wel twee keer moet lezen om het helemaal te begrijpen. ”

Borreltafel

De groep vrouwen spiegelt zichzelf aan de discussieclub van een groep vrienden die eind jaren dertig orde op zaken in de wereld probeerde te stellen aan de borreltafel, in gesprekken die zorgvuldig genotuleerd werden door een van hen. Zijn voormalige minnares, Oda Arpman, inmiddels een oude vrouw, probeert de traditie levend te houden. Maar de wereld, laat Ekman steeds opnieuw zien, is oneindig complex en onoverzichtelijk geworden. De vrouwen zijn vervuld van de beste bedoelingen, maar hun optreden is ineffectief. Bovendien blijkt ieder van hen zelf nauwelijks tegen het leven opgewassen; achter hun ordelijke, burgerlijke levens dreigen pijn en verdriet, waanzin en geweld.

Ekman: “Toen de oorlog in Bosnië uitbrak, herlas ik drie romans van de Zweedse Nobelpijswinnaar Eyvind Johnson, die hij in de oorlogsjaren schreef. Die boeken, de zogenaamde Krilon-trilogie, spelen ook in Breng mij weer tot leven een grote rol. Ze hebben veel voor mij betekend, vanwege de betrokken, idealistische levenshouding die erin verbeeld wordt. Maar wat me bij herlezing ergerde was dat hij zo zeker van zijn zaak was, zo goed wist wat een mens te doen stond. Als je maar weloverwogen en helder dacht, dan kwamen de oplossingen vanzelf. Nergens twijfel. Een dergelijke zelfgenoegzaamheid is voorgoed onmogelijk geworden. Mijn roman is een soort dialoog met zijn rationeel humanisme. Ik verzet me tegen zijn godsgruwelijke zelfverzekerdheid. Begrijp me goed, hij was een belangrijke schrijver. Moedig was hij ook, hij koos voor de geallieerden, terwijl het overgrote deel van de Zweden de kool en de geit probeerde te sparen.”

Haar blik priemt weer. “Hoe moet je het dreigende cynisme in jezelf bestrijden, je instinctieve afkeer van ellende, die je niet persoonlijk aangaat, daar gaat het mij om in Breng mij weer tot leven. Het is zo gemakkelijk je terug te trekken in je eigen kleine wereld, de kring van je naaste omgeving. De vrouwen in de roman zien zelf in dat ze een tikkeltje belachelijk zijn, en dat zijn ze ook, met al hun eindeloze gebabbel. Maar aan het eind zegt een van hen, als we niet bij elkaar zouden komen om te drinken en te praten, dan zou alles alleen maar stilte zijn. Stilte en geweld. Geconfronteerd met de verschrikkingen die op je af komen, is je eerste reactie je gezicht afwenden en handen tegen je oren houden. Maar deze vrouwen geven wel om wat er in de wereld gebeurt. Ik vind die betrokkenheid noodzakelijk, al weet ik heus wel dat we meestal weinig effectief zijn wanneer we die betrokkenheid willen uiten. Onze greep op de wereld om ons heen is zwak, om het zacht uit te drukken. Veel van wat we zeggen is onzinnig.”

Toch moet er gesproken worden, benadrukt ze. “Kijk naar China. De studenten die het Tiananmenplein bezetten, beseffen dat ze hun idealen nu niet kunnen verwezenlijken, en de komende jaren vermoedelijk ook niet, aangezien het regime veel te sterk is. Maar als zij, en wij, ons daar bij zouden neerleggen, en ons ook niet langer zouden inspannen, dan worden ze domweg vergeten - dan is er alleen nog stilte.”

Een soort humanisme tegen beter weten in? “De vrouwen in Breng mij weer tot leven doen ook praktische dingen, ze brengen voedsel bijeen, geld en medicijnen. Daar wil ik niet lacherig over doen. Deze vrouwen zijn misschien dwaas, maar ze zijn niet cynisch. Wel cynisch zijn de profeten van de nieuwe media die in de roman opduiken. Voor hen heeft alles evenveel waarde, dus geen. Die personages zijn karikaturen, ze interesseren me niet echt. Het ging mij erom hoe hun aanwezigheid inwerkt op het bestaan van de vrouwen, hoe ze zich tegen een dergelijke geesteshouding kunnen verzetten. De vrouwen proberen wel onderscheid te maken, te kiezen wat voor hen belangrijk is.”

Verdwenen meisje

Hoe gedreven Ekman nu ook spreekt, in haar roman hoedt ze zich zorgvuldig voor het sentiment van het grote gebaar, de klaroenstoot van het statement. De vrouwen in Breng mij weer tot leven mogen nog zo betrokken zijn bij de wereld, ze blijken blind voor wat zich onder hun ogen afspeelt. “Er verdwijnt een meisje, praktisch waar ze bij zijn. Maar ze zien niets. Het interesseert hen ook niet. Mensen zijn bang voor andere mensen. Ik zelf leid natuurlijk ook een uiterst comfortabel middenklasse-bestaan. Toen ik nog een kind was, zag ik veel meer mensen die lager op de maatschappelijke ladder stonden dan wij. Dat is een van de redenen dat ik zo geïsoleerd woon. Daar in het noorden ontmoet ik allerlei soorten mensen, niet alleen de goed geïnformeerde welgestelden die ik hier in Stockholm als vrienden heb. De vrouwen in mijn boek leven in een enclave. Ze lezen dezelfde, zorgvuldig gekozen boeken, kijken naar dezelfde televisieprogramma's. Dat brengt een zekere blikvernauwing met zich mee. Dat verdwenen meisje is een raadsel, een symbool. Ze is niet belangrijk, ze wordt over het hoofd gezien. Ze bevindt zich in een andere maatschappelijke laag dan de vrouwen, die zo betrokken zijn bij de wereld, die zich zo druk maken over moraal en humanisme. Het meisje heeft geen waarde voor haar omgeving, alleen voor haar zusje die haar zoekt. Haar verdwijning is een misdaad zonder suspense, want de personages zijn zich nergens van bewust. Maar haar zusje heeft een wezenlijk, reëel probleem, waarover ze juist met niemand kan praten.”

Ze benadrukt dat ze zelf ook geen antwoorden kan geven. “Ik schrijf romans. Ik ben geen filosoof, geen politicus. Mijn personages zijn levende mensen, die zichzelf en elkaar voortdurend tegenspreken. Maar de notie dat een cultuur levend gehouden moet worden, ideeën, herinneringen, is expliciet aanwezig in mijn boek. Dat vergt inspanning. De titel zegt wat dat betreft genoeg. Hij kan slaan op het verdwenen meisje in het het boek. Maar daarnaast zijn er dingen in ons bestaan die levend gehouden moeten worden omdat ze anders eenvoudig verdwijnen. Ook al gaat het om idealen die niet te realiseren lijken, dan moeten we ze toch blijven koesteren. Daar zit ook de dreiging van wanhoop in, dat besef ik, de gewaarwording dat het allemaal toch niets uitmaakt. Ik heb een hekel aan het postmodernisme, dat gelijkschakelen van alles, de notie dat iets even zo gemakkelijk in te ruilen is voor iets anders. Als schrijver kan ik mijn eigen werk niet duiden, maar als lezer vind ik dat literatuur betekenis moet geven, mijn zintuigen moet scherpen, mijn bewustzijn moet voeden. Dat is een morele plicht.”

Haar stem klinkt zacht. Ze is duidelijk niet gewend om lang achtereen te praten. Helaas moet ze eerst nog een paar dagen naar Parijs, maar ze verheugt zich nu al op haar terugkeer in Valsjöbyn. Daar kan ze verder denken over een nieuw boek. “De roman is voor mij bij uitstek het menselijke genre. Daarmee bedoel ik dat, anders dan in essays en opiniestukken en redevoeringen, de roman samenvalt met de wijze waarop wij het leven ondergaan. Hoe wij de werkelijkheid ervaren, daar gaat de roman over. De rede, logica, het verstand spelen daar maar een beperkte rol in. Ook al zijn we niet gelovig, we klampen ons voortdurend aan zogenaamde zekerheden vast, die op momenten van wanhoop allesbehalve zekerheden blijken te zijn. De roman kan dat allemaal laten zien. Natuurlijk heeft de verbeelding ook een schaduwzijde. Een roman kan gevaarlijk zijn, omdat je mensen van vrijwel alles kunt overtuigen, wanneer je het weet in te bedden in een goed verhaal, een dwingende stijl. Ik vind Céline een zeer overtuigend schrijver, en ik moet me voortdurend inspannen om wat hij te zeggen heeft ver van me te houden. Als we onze verbeeldingskracht essentieel vinden voor onze menselijkheid, dan zullen we met die duistere kant moeten leven, daar zit niets anders op.”