Gesprek met Catherine David over de tiende Documenta; Kunst is geen intelligent decor

Catherine David geeft vorm aan de tiende Documenta in Kassel, de vijfjaarlijkse, grootste, tentoonstelling van actuele kunst, die over twee weken begint: “Sensualiteit is bij kunst niet hetzelfde als je hand in een pot room steken.”

Documenta Kassel, 21 juni tot 28 september 1997. Inlichtingen Friedrichsplatz 18, D-34117 Kassel tel. 0049 561 707270; fax 0049 561 7072739. email: info@documenta.de internet: http://www.documenta.de

Het stadsbeeld geeft nu alleen nog winkelende ouderen te zien. Maar binnenkort zullen tienduizenden honderd dagen lang de slaperige stad Kassel overspoelen om de Documenta te zien, de vijf-jaarlijkse, belangrijkste en grootste tentoonstelling van actuele kunst. Ze zullen daarbij een parcours volgen dat van het hooggelegen Hauptbahnhof langs een trappenstraat vol kledingwinkels en bloembakken in een rechte lijn naar beneden voert. Naar een groot plein waar zich het Fridericianum bevindt, een classicistisch gebouw dat als centrale tentoonstellingsplek fungeert. Daarna zal de stroom mensenlijven een flauwe bocht maken langs het Ottoneum en de Kunsthalle om tenslotte bij de rivier de Fulda tot stilstand te komen. De massa's kunnen dan werk van vermoedelijk rond de 140 kunstenaars hebben gezien, films hebben bekeken en tenminste een van de in totaal honderd lezingen hebben gehoord, alles volgens plan en selectie van de eerste vrouw in een reeks van tien Documenta-makers, de 42-jarige Française Catherine David.

David bewaart haar geheimen tot het laatst. Wat het parcours precies inhoudt, is nog steeds een bron van gissingen en pas op de eerste persdag zal ze de namen bekend maken van de deelnemende kunstenaars. Die oesterachtigheid van de ex-conservatrice van het Centre Pompidou en het Jeu de Paume in Parijs en haar in rad franglais uitgesproken theoretische vertogen hebben haar bij de pers niet geliefd gemaakt. 'De heilige Johanna van Kassel' kopte Die Woche recentelijk bij haar portret. Tijdens het late middaguur, dat ze met moeite voor mij heeft weten vrij te maken, betoont ze zich echter vrolijk en spraakzaam, ook vóór een fles sekt is binnengebracht. “Waarom die geheimhouding?” vraag ik.

David: “Het gaat niet om namen. Dat is iets voor de kunstmarkt en geeft maar aanleiding tot gespeculeer. Ik wil dat men zich in de inhoud van wat wordt aangeboden verdiept.” Die inhoud krijgt evenwel een bepaalde kleur door wie en wat geselecteerd is en hoe de verschillende kunstwerken worden samengebracht en gepresenteerd. Documenta-maker nr. 7, Rudi Fuchs, gaf er de kleur aan van een kunsthistorisch steekspel, Manfred Schneckenburger van sociaal-politieke verwarring, terwijl de kleur van nr. 9, de Belg Jan Hoet, als multiple choice geboekstaafd kan worden.

David, zo bleek onder meer uit een lezing die zij deze winter in De Balie hield, is een strenge theoretica, type Franse intellectueel. Ze hanteert denkbeelden en begrippen van Benjamin, Deleuze en Bourdieu alsof ze ze zelf heeft bedacht en mengt de oud-linkse cultuurkritische opvattingen van de Amerikanen Buchloh, Foster en Kraus probleemloos met de hare. Wat men daarvan ook mag vinden, één ding staat nu al vast: de gevestigde kunstorde oftewel 'het bedrijf' heeft het nakijken. En dat alleen al zal deze Documenta anders maken dan de vorige.

Jaren zestig

Mijn gang langs het parcours met een persvoorlichtster onthulde dat een tiental kunstenaars als een soort speerpunten zullen functioneren: Pistoletto, Oiticica, Dan Graham, Richard Hamilton, Marcel Broodthaers onder anderen. Het zijn oudere kunstenaars (de helft is zelfs al jaren dood) die tot de jaren zestig en zeventig worden gerekend. Die tijd, zeg ik, is in de mode, zowel in de pop-cultuur als in de kunst.

David: “Nostalgie levert geld op in de mode, maar in de wereld van de ideeën is geen sprake van nostalgie. Er zijn kwesties uit die tijd blijven liggen die onderzoek verdienen en waar men nu op ingaat. De geschiedenis wordt niet uitsluitend bepaald door succesvolle kunstenaars. Delen ervan zijn nog steeds niet door iedereen geaccepteerd.”

Veel jonge kunstenaars lijken de jaren zestig en zeventig over te doen zonder het te weten.

David: “Ja, daarom heb ik kunstenaars als Pistoletto en Richard Hamilton uitgekozen die met oud en recent werk vertegenwoordigd zullen zijn. Pistoletto zei recentelijk dat het in de jaren zeventig voldoende was om een concept te hebben, terwijl nu het accent ligt op de activiteit, het maken. Vandaar de enigszins naïeve en banale kant van een groot aantal hedendaagse kunstwerken. Dat zegt nog niets over de kwaliteit ervan, maar ik ervaar het gebrek aan afstand en aan een veelomvattend concept soms als teleurstellend. Je ziet dan dat er geen utopieën meer zijn, geen radicale ideeën. De sfeer nu is er vaak een van onderhandelen op de korte termijn.”

Niet bekend

“Helemaal niet. Aspecten in het werk van Matta-Clark zijn nog steeds actueel en komen me als heel juist en precies voor.”

Wat bedoelt u met 'juist'?

“Matta-Clark heeft op een manier die tegelijk politiek en poëtisch was, laten zien hoe pervers de relatie is tussen de waarde van de ruimte en het geld. Dat heeft hij precies aangegeven en zo werkt het nog steeds. De formele en intellectuele strategieën die hij toepaste zijn zeer uitgesproken. Dat gebeurt tegenwoordig misschien anders en ik vind het interessant om zijn foto's samen met werk van jonge kunstenaars te tonen.”

Naast Gordon Matta-Clark (1943-1978), een architect die als kunstenaar naam kreeg door de grote, geometrische uitsnedes die hij maakte in voor de sloop bestemde gebouwen, zijn er nog twee architecten uitgenodigd, de Nederlanders Aldo van Eijck en Rem Koolhaas. Van Eijck krijgt zelfs een zeer prominente plaats in het Fridericianum. Schakelt zij architectuur en beeldende kunst gelijk?

David: “Die architecten nodigde ik niet uit omwille van de architectuur, maar omdat ze urbanist zijn, mensen die op een zeer antropologische manier werken. Van Eijck heeft geprobeerd in andere dan Europese plaatsen vorm te geven aan de ruimte van het kind en van de stad. Hij deed dat op de wijze van een pionier.”

Hij is een humanist. Dat kun je van Koolhaas niet beweren.

David (lacht): “Nee, maar Koolhaas interesseert zich wel voor de ruimte, de mens en de economie en stelt zich daarbij scherp op. Hij heeft een klassieke architectuuropleiding gehad, maar durft tot aan de grens van zijn discipline te gaan zonder te vergeten wat hij heeft geleerd. De kwesties die hij aan de orde stelt gaan boven het terrein van de architectuur uit en in bepaalde opzichten benadert hij het veld van de antropologie.”

Lelijkheid

De ruimte, de mens en de economie: steeds zal David daarop terugkomen. Wanneer ik vraag of zij de kunstenaars op die probleemstelling heeft geselecteerd, bevestigt ze dat. Het parcours dwars door het centrum van Kassel heen functioneert op zichzelf al als bewijs dat een en ander grondige discussie behoeft.

David: “Kassel is in zijn lelijkheid exemplarisch voor deze eeuw. De stad is in de oorlog plat gebombardeerd en de reconstructie ervan is een voorbeeld van een urbaan en menselijk project dat niet heeft gewerkt. Het gaat mij er niet om het als mislukking belachelijk te maken, maar om te laten zien hoe de kunst zich tot die historische en urbane gegevens verhoudt. Een meerderheid van de werken die ik heb gekozen is geïnspireerd door de situatie van de stad aan het eind van de eeuw. Dat is in deze tijd van globalisatie een gemeenschappelijke situatie voor de meerderheid van de mensheid. Kassel is everywhere/nowhere.”

Hoe David dat wil laten zien, was op mijn rondgang nog onduidelijk. Op alle plekken werd getimmerd en gesjouwd. Vooral het werk van de jongere, vaak weinig bekende kunstenaars verkeerde in een embryonaal stadium of was nog niet zeker van zijn plek. Van wat ik maar de 'kerngroep' uit de jaren zestig/zeventig zal noemen, was al wat meer te zien, zoals de vreemde kostuums en kleine, kleurige voorwerpen van, de mij totaal onbekende, Braziliaanse Lygia Clark (1920-1988) in het Ottoneum. Ze leek me daar, in de combinatie stad en individu, symbool te staan voor het intieme en nabije.

David: “Haar werk zegt, net als dat van anderen in het Ottoneum, veel over de relaties van mensen onderling in een urbane omgeving. Lygia Clark is, na een loopbaan als schilder en beeldhouwer, therapeut geworden en de voorwerpen die ze creëerde dienden voor interactie tussen mensen. Ze waren nooit als kunst bedoeld.”

Ze worden wel als kunst gepresenteerd, keurig gerangschikt op tafels en met een aanrakingsverbod.

“Ja, het is moeilijk om zulke kwetsbare stukken zo te presenteren dat je begrijpt dat aanraken toentertijd essentieel was, terwijl dat nu niet meer kan. Ze krijgen al snel het karakter van een relikwie. Maar ik vind dat de vormen en kleuren zo sterk zijn dat het werk nog steeds leeft. Daarbij is het belangrijk dat je de voorwerpen bij elkaar ziet. Gelukkig zijn ze nooit interessant geweest voor de handel. Dat heeft met Brazilië te maken, maar ook met de houding van Clark. Net als Hélio Oiticica, wiens oeuvre wordt beheerd door een stichting die niets verkoopt, zette zij zich af tegen het kunstvoorwerp als fetisj. Dat was niet zonder gevolg voor de receptie en verspreiding van haar kunst. Beider betrekkelijke onbekendheid heeft daar zeker mee te maken.”

Fetisj

Ze spreekt 'fetisj' uit alsof het een vies woord is. Het staat in haar theoretisch leerboek voor kunst als een ding dat verhandelbaar is, een middel om zich sociaal te onderscheiden en macht uit te oefenen en voor, zoals ze dat uitdrukt, 'de geprivilegieerde ruimte van de subjectiviteit'. Ook dat leerboek stamt uit de jaren zestig en zeventig, maar heeft zijn grondslagen grotendeels ontleend aan de cultuurkritische filosofen van de Frankfurter Schule. Deze Documenta zal er dan ook een zijn van moeilijk of niet verhandelbare kunst, zoals geluidssculpturen, installaties en film. Schilderkunst hoort daar niet bij, te besmet. Die weinige (oudere) schilders die zijn uitgekozen, zoals Maria Lassnig en Gerhard Richter, zijn vertegenwoordigd met tekeningen of, in het geval van de laatste, met foto's. Richter is er zelfs met heel veel foto's, want zijn zogeheten Atlas, een gigantisch werk dat je zijn foto-dagboek kunt noemen, zal, en dat is een zeldzaamheid, in zijn geheel te zien zijn.

U lijkt, wat de recente schilderkunst betreft, op een lijn te zitten met de samenstellers van de grote tentoonstelling in Berlijn 'Het tijdperk van het modernisme, kunst van de 20ste eeuw'. Ook die konden geen goede jonge schilders vinden.

David: “Het spijt me, maar schilderkunst nu is op z'n best academisch en op z'n slechtst reactionair.”

Reactionair?

“Men wil maar niet inzien dat er na Manet een heel andere omgang met de picturale ruimte is ontstaan. De schilderkunst is daardoor als het ware in stukken gevallen. Als ik een tentoonstelling over schilderkunst had willen maken had ik bijvoorbeeld een lijn Malewitsj, Oiticica, Palermo getrokken. Wat mij interesseert is het picturale in strikte zin, zoals je dat aantreft bij een schilder als Robert Ryman.”

Dat is schilderkunst over schilderkunst. Bent u van mening dat de schilderkunst niets meer weet te zeggen over het leven?

David: “Dat is zeldzaam, ja.”

Schilderkunst is een sensueel medium, in die sensualiteit zit veel verborgen dat op een andere wijze niet gezegd kan worden.

“Sensualiteit is een ideologische constructie, een cultureel bedenksel.”

Het kon niet uitblijven en zijn naam valt dan ook nu: Duchamp. Voor David is geen kunstenaar zo sensueel als Marcel Duchamp, de man die schilderkunst verfoeide en de aartsvader van kunst als concept. Hij is de kunstenaar van het hoofd, werp ik tegen en ik vraag of zij het boek van de jonge Franse filosoof Michel Onfray heeft gelezen: De kunst van het genieten. Onfray stelt dat de westerse cultuur in het hoofd leeft en het lichaam in feite als minderwaardig beschouwt. David (met tegenzin): “Dat is waar, maar tegelijk geloof ik dat sensualiteit bij kunst niet hetzelfde is als je hand in een pot room steken.” Er is nog iets wat David aan schilderkunst niet bevalt en dat is de metafysische kracht die eraan is toegeschreven. Voor haar is dat quatsch, een vorm van mystificatie, net als de zogenaamde lijfelijkheid van het schilderij. Schilderkunst moet, als ze van deze tijd wil zijn, beelden voortbrengen die zich “op een strategische manier opstellen tegenover de media, bepaalde politieke situaties en de heersende cultuur”. Ze denkt daarbij aan onderwerpen als hiërarchie, het centrum en de periferie, architectuur en geld, het inrichten van de ruimte. Maar schilders die zich op die manier naar de wereld keren, zijn zeldzaam. Waarom dat zo is, is voor David snel beantwoord: ze houden zich te veel met het métier bezig.

Is de schilderkunst dan toch, zoals men aan het eind van de jaren zeventig zei, dood? Ja en nee, want hij bestaat volgens haar nog in een 'uitgebreide vorm': gecombineerd met tekenwerk, foto's en allerlei andere vormen van illustratie. Kunstenaars als Larry Pitmann, David Reeb en Kerry James Marshall staan daarvoor in haar Documenta. Naar ik vermoed fungeert Richard Hamilton als oriëntatiepunt in de geschiedenis. Hij zal er zijn met oud en recent werk.

David hecht aan de geschiedenis, ze ziet alles in het kader daarvan. Ze heeft om dat te onderstrepen zelfs een term bedacht: retroperspectief. Daarmee geeft ze aan dat ze het heden ziet met het oog op de geschiedenis. En andersom, want ze is zich tegelijk ten zeerste bewust van de voorlopigheid van iedere geschiedschrijving. “Een Documenta”, zegt ze, “kan nooit een pure constatering zijn: ziehier de kunst van nu. Ik zit meer op de lijn van Pascal die zei dat iedere moraal, ieder criterium voorlopig is. Het is produktiever om te zeggen: in de actuele context heeft dit meer zin, meer betekenis dan dat. Daarover kan men dan discussiëren. Dat is de rol van de kritiek. Ik geloof dat de rol van de kritiek is om betekenis te geven. De kunstenaar doet dat ook, maar dan op zijn manier.”

U geeft de kunstenaar een sociale plaats.

David: “Ja, maar hij is geen sociaal werker, geen slippendrager van de politiek en hij is voor mij het minst van al een fabrikant van 'een intelligent decor'. Kunst is geen intelligent decor. Dat vind ik reactionair. Deleuze zegt: 'De filosoof bedenkt concepten, de wetenschapper bedenkt functies en de kunstenaar draagt gevoelige aggregaten aan'.”

Ziet u de tentoonstellingsmaker als kunstenaar?

“Op die lijn speel ik niet. Deze Documenta is een blik op de wereld en op de esthetiek van nu.”

Uw blik.

“Ja, er zit altijd een blik van iemand achter. Ik geloof dat een tentoonstellingsmaker ook een criticus is, iemand met een stellingname ten opzichte van esthetiek en ethiek. Het is niet voldoende om, zoals mijn voorganger Jan Hoet, te zeggen: 'Hier houd ik wel of niet van'. Je moet je positie duidelijk maken, hoe voorlopig die ook is.”