France Télécom: Jospins eerste gesprek naar buiten

France Télécom is een nationaal symbool: sterk in technologische innovatie, langzaam in het openen van de ramen voor internationale ontwikkelingen. De omgang met dit bastion van de 'service public' is de eerste test van de industrie-politiek van Lionel Jospins linkse regering.

PARIJS, 6 JUNI. Gisteren zou de prijs bekendgemaakt worden van de aandelen France Télécom. Het is niet gebeurd. De 'opening van het kapitaal', zoals de gedeeltelijke privatisering van Frankrijks telefoonbedrijf een tikje preuts wordt genoemd, gaat voorlopig niet door. En toen?

De Europese grenzen gaan per 1 januari 1998 wel open, voor alle aanbieders van telefoondiensten. France Télécom is er op voorbereid. Alle nummers bestaan sinds vorig najaar uit tien cijfers. Dat biedt ruimte voor de klant op den duur zijn favoriete telefoonmaatschappij te kiezen. De directie is al jaren bezig de productiviteit te verhogen. De prijzen naar het buitenland zakken voortdurend, terwijl de weduwe in Oloron-Sainte-Marie meer moet gaan betalen voor het wekelijkse gesprek met haar dochter. En ook de wereldmarkt is niet vergeten. Een grote internationale alliantie staat op stapel met Deutsche Telekom en de Amerikaanse maatschappij Sprint. Een ijzersterke combinatie. En een waarschuwing. Want sinds duidelijk is dat de overheid de baas blijft zit de klad in het plan: samenwerken met het laatste 100 procents staatsbedrijf in Europa's telefoonsector wordt voor hen minder aantrekkelijk.

Het is niet de winst van links die France Télécom dit probleem opeens heeft bezorgd. De rechtse regering-Juppé durfde na alle stakingen van de afgelopen jaren al niet verder te gaan dan het verkopen van 30 procent van de aandelen. De nieuwe telefoonwet, die van France Télécom per 1 januari een NV maakte, staat sowieso geen verdere verkleining van het staatsaandeel dan tot 51 procent toe. Dus ook in stilte, zoals bij Renault, kan het meerderheidsaandeel niet worden verdund tot een kleiner belang. De politieke verschillen zijn op dit punt gradueel, ook al leek dat vorige zomer bij de behandeling van het wetsontwerp anders. Socialisten en communisten deden alsof het hele idee van publieke dienstverlening à la française tegen voor iedereen gelijke prijzen overboord werd gezet.

De regering op haar beurt kon niet anders suggereren dan dat de redding van FT afhing van het openstellen van het aandelenkapitaal. Premier Juppé heeft zelfs de vertrouwenskwestie moeten stellen om de wet door het parlement te loodsen. Ook toen al stond hij tegenover de sociaal-gaullist Philippe Séguin, die nu bezig is Chiracs politieke erfenis over te nemen. Als de verkiezingen niet met tien maanden waren vervroegd, was de eerste tranche France Télécom van de zomer zonder meer verkocht. Opbrengst 30 tot 50 miljard francs (10 tot 16,6 miljard gulden). Dat geld had Juppé willen gebruiken om het kapitaal van noodlijdende staatsbedrijven als Crédit Lyonnais, Thomson, de CIC-bank en GAN-verzekeringen mee op te krikken. Dat zal de nieuwe minister van Financiën en Industrie, Dominique Strauss-Kahn, ook willen doen. En als hij woord houdt en de staatsschuld niet laat oplopen en de belastingen niet verhoogt, dan zal hij een list moeten verzinnen. Tegen het eind van de verkiezingscampagne heeft Lionel Jospin zijn aanvankelijke zeer negatieve standpunt verzacht door te zeggen: we zullen eerst het personeel van France Télécom raadplegen. Uit die hoek komen namelijk lang niet zulke negatieve geluiden sinds FT-president Michel Bon hun op zeer aantrekkelijke voorwaarden aandelen in het vooruitzicht heeft gesteld. Voor 1000 gulden aan aandelen nu zouden zij na een paar jaar het driedubbele kunnen vangen. Alleen als de beurs 75 procent zakt, schatte een financiële analist, lopen zij enig risico. Sinds enige tijd is ook de frontlijn van de binnen FT sterk vertegenwoordigde vakbonden gespleten. De (ex-)communistische CGT en de categorale SUD PTT blijven mordicus tegen: “Onze enige luxe is dat aandelen-douceurtje te weigeren in het belang van de publieke dienstverlening”. Maar Force Ouvrière en de CFDT staan genuanceerder tegenover verkoop van een minderheidsaandeel. Vooral Nicole Notat, de taboe-doorbrekende voorvrouw van CFDT durft de vraag te stellen of France Télécom niet beter haar taken als 'service public' kan vervullen als het bedrijf voldoende vers kapitaal en de kans op sterke internationale banden heeft.

Voor de directie is (gedeeltelijke) privatisering ook essentieel om de op gang gebrachte cultuurverandering een zet te geven. Moeilijk genoeg, want de nieuwe PTT-wet dwingt het bedrijf nog tot 2002 een deel van het personeel als ambtenaar aan te stellen, dat wil zeggen voor het leven. De Canard Enchaîné heeft berekend dat die verplichting de telefoongebruikers 3 à 4 miljard gulden extra gaat kosten, weggemoffeld in de tarieven. Die zelfde bepaling is voor het afwijzingsfront een van de vele redenen waarom het 't alarmsignaal niet meer afzet.

Het fascinerende van de strijd om France Télécom is de veelvoudige symboolfunctie. Is openbare dienstverlening strijdig met aanpassing aan de concurrentie op de wereldmarkt? Hebben de eigendomsverhoudingen iets te maken met de technologische inventiviteit en de commerciële slagkracht van een bedrijf? Hoe komt het dat Frankrijk, waar de minitel een massasucces werd voordat de huiscomputer goed en wel in Europa was doorgedrongen, zo weinig computers en nog minder Internet-gebruikers telt? De wet van de remmende voorsprong, conservatisme in het algemeen, of toch een gevolg van de zware greep van de staat op het telefoonbedrijf, het bankbedrijf en de grote elektronische industrie (Bull, Thomson, Alcatel via de opdrachten van France Télécom). De regering-Juppé heeft altijd gezegd: de overheid heeft gefaald als eigenaar van vrijwel alle staatsbedrijven. De markt moet het overnemen. De communisten wijzen iedere privatisering af en willen liever nationaliseren wat 'verloren' ging. De Parti Socialiste aarzelde achter de façade van een conserverend programma. De grote vraag is of Dominique Strauss-Kahn, die zowel de industrie als de overheidsboekhouding onder zijn brede vleugels heeft, de 'white heat of technology' - waar in een ander tijdperk de Britse premier Wilson de moderniteit van de sociaal-democratie mee samenvatte - nog steeds met zijn staatshanden weet op te roepen. Of zich toch maar aanpast aan waar men elders op is uitgekomen.