Eric de Kuyper terug naar Oostende; Mijmerend langs de vloedlijn

Eric de Kuyper: Met zicht op zee. SUN, 113 blz. ƒ 24,50.

Eric de Kuyper: In de zon, uit de schaduw. SUN, 480 blz. ƒ 39,50.

Als kind ging de Belgische schrijver Eric de Kuyper (1942) 's zomers vaak in Oostende logeren. Het moet een ervaring zijn geweest die hem op een zo gevoelige leeftijd, voor het leven heeft gevormd. In zijn prozadebuut, het wonderlijke Aan zee (1988), waarvan dezer dagen een herdruk verschijnt in de De Kuyper Omnibus In de zon, uit de schaduw, heeft hij er indringend over geschreven. Niemand die het heeft gelezen kan nog naar kinderen op het Belgische strand kijken zonder aan De Kuyper te denken. Met een groot inlevingsvermogen riep hij in dat debuut de sensatie op die het strand bij een klein Brussels jongetje moet hebben veroorzaakt. Het boek, een aaneenschakeling van korte scènes in de hij-vorm, had een glans van onophoudelijk geluk. De Kuyper wist perfect het tijdloze gevoel op te wekken dat tijdens het spel kan ontstaan. Alsof de hele wereld om jou draait.

Nu, bijna tien jaar later, heeft Aan zee een ongewoon vervolg gekregen. Een gewoon vervolg was er al, in de vorm van enkele boeken met andere 'taferelen' uit De Kuypers kinderjaren (waarvan er twee in de nieuwe omnibus zijn opgenomen). Maar in Met zicht op zee - Aan zee veertig jaar later stapt De Kuyper op een andere register over. Het onderwerp is verwant, het boek gaat weer over Oostende, maar dit keer het Oostende zoals zich dat nu aan de schrijver voordoet. Hij vertelt hoe hij sinds kort een tweede huis in de badplaats heeft, een minieme 'studio' op de plaats van het vroegere Royal Palace Hotel. Daar, met van de vroege ochtend tot de late avond zicht op zee, maakt hij losse notities over wat hij ziet en weet over de stad, en over de kust en de nog verder verwijderde omgeving. Zijn aandacht gaat daarbij vrijelijk alle kanten op. Vanuit het hier en nu schiet De Kuyper naar de bloeitijd van de badplaats, omstreeks de eeuwwisseling, hij stipt nog eens zijn kinderjaren tussen de ooms en tantes aan en gaat door naar de onzekere toekomst van Oostende.

Hij schroomt dit keer niet om zijn eigen ervaringen uitvoerig aan die van anderen te toetsen. Vergeleken met zijn eerste geschriften is het boek dan ook minder narcistisch en naïef. Er is veel plaats ingeruimd voor de schilder Léon Spilliaert, na Ensor de grootste schilder van Oostende. In een paar rake fragmenten beschrijft De Kuyper hoe veel van wat hij schilderde nog steeds aanwezig is, omdat Spilliaert zich, anders dan Ensor, op het diepere wezen van de stad richtte. Elders gaat hij in op de geschriften van Couperus en Marguerite Duras. 'Wat heeft Oostende een geluk gehad een schilder als Spilliaert te treffen, die haar 'imago' voor eens en altijd heeft vastgelegd. (-) Wat heeft de badplaats het getroffen dat niet een equivalent van bijvoorbeeld Utrillo op haar gevallen is. Daar zit Montmartre nu mee!'

Ondanks dit soort uitroepen schrijft De Kuyper in Met zicht op zee bedachtzamer dan vroeger. Het ongeremde, emotionele van het kind en de puber dat zijn vroegere werk kenmerkte, heeft plaats gemaakt voor het meer reflectieve van de oudere man die hij nu is. Het spelen van toen is gevolgd door het - je zou bijna zeggen: peripathetische - wandelen. De Kuyper maakt, zo schrijft hij, tegenwoordig graag lange, mijmerende wandelingen over de zeedijk en langs de vloedlijn. Eén van de aardigste stukken in zijn boek gaat over de vraag wat hem daar zo in aantrekt.

Het wandelen blijkt iets te zijn wat volmaakt bij De Kuypers karakter past. 'Wandelen' is eigenlijk maar een gebrekkig woord voor wat hij beoefent. Het heeft niets met de sportieve activiteiten van wandelverenigingen te maken, maar een beter woord, zo beseft hij, is er niet. Het 'flaneren' zoals Walter Benjamin dat cultiveerde (een schrijver door wie De Kuyper duidelijk is beïnvloed) is te veel met oude binnensteden verbonden, waar de flaneur zijn vluchtige contacten met andere passanten kan onderhouden. Bij het wandelen van De Kuyper is daarentegen iedereen op zichzelf, zonder echt alleen te zijn. Alleen met velen om zich heen, die er zorgvuldig voor oppassen om niet te dicht bij elkaar te komen, samen opgaand in een soort oppervlakkige contemplatie over de zee en het strand.Wat De Kuyper in zijn schrijven doet, is eigenlijk hetzelfde. Hij is steeds op zoek naar een wankel evenwicht, naar een grens, zoals die tussen wandelaar en terraszitter, of tussen land en water. Zijn interesse balanceert tussen cultuur en natuur, tussen ik en de ander, en tussen binnen en buiten. Zijn schrijven heeft hetzelfde vluchtige en tastende dat de wandelaar langs de vloedlijn heeft.

Vergelijk je De Kuypers toon met die in Aan zee dan is hij aanmerkelijk essayistischer geworden. Dit keer geen exploratie van het eigen geheugen, en geen ongeremde verbeelding op grond van onstuitbaar opborrelende herinneringen. Nu een secuur aftasten van het heden, in de hoop zo zijn ervaringen en overpeinzingen vast te kunnen houden.

Het lijkt de basis te zijn geworden van zijn huidige schrijverschap. In zijn eigen woorden: 'We moeten de dingen waaraan we zijn gehecht leren formuleren, om te verhinderen dat ze zullen verdwijnen. Zeggen hoe mooi we ze vinden.'

Hoofdpersoon van het boek is dit keer dan ook niet langer De Kuyper, maar de wereld, en meer in het bijzonder Oostende.

Het mooist zijn wel de fragmenten uit het begin van het boek, die daadwerkelijk 'met zicht op zee' geschreven zijn. De Kuyper brengt daar direct, in de vorm van een dagboek, de gevoelens onder woorden die bij hem opkomen bij het zien van de kust. Zo maakt hij mee hoe een eenzame jongen op het strand, waargenomen door maar liefst vierhonderd medebewoners, verliefd een naam in het zand schrijft. Het is voor hem het optimale strandgevoel: weten dat honderden je kunnen zien en toch op je zelf en je verlangens zijn teruggeworpen .

Even was ik, eerlijk gezegd, bang dat het nu verschenen boek een bijproduct van De Kuypers grote project zou zijn: een reeksje bijeen geveegde dagboekaantekeningen over een onderwerp waar hij eerder en beter over geschreven had. Dat is gelukkig niet het geval. In Met zicht op zee staat genoeg wat nog nooit eerder zo beschreven is, noch door De Kuyper, noch door anderen. Al was het maar zijn weergave van de manier waarop Belgen de natuur beleven. Voor De Kuyper heeft de natuur bijna iets goddelijks, dichtbij en veraf tegelijk. Zo'n natuur hoeft zich van de mens en zijn kleinheid dus ook nooit zoveel aan te trekken. Dat de kust wordt volgebouwd met afzichtelijke torenflats, laat hem en zijn landgenoten opmerkelijk genoeg betrekkelijk koud. De natuur is er immers toch altijd, of we ons daar nu van bewust zijn of niet. 'De zee kijkt mij aan', schrijft De Kuyper op een avond voor het grote raam van zijn appartement gezeten, 'ook als ik niet kijk'.

-----

Uit Eric de Kuyper: Met zicht op zee.

Oostende is letterlijk en figuurlijk een plaats waar veel mensen zijn gestrand. Dat verleent haar vooral in de winter die aparte sfeer van een stad waar op een dubbelzinnige manier wordt geleefd en gewoond. Je woont hier en tegelijk ook niet. De bevolking wisselt, en wanneer je er bent, merk je dat het een wisselende bevolking is met een kern van vaste bewoners. Ik kan me voorstellen dat Nice in de jaren voor de oorlog dezelfde sfeer moet hebben gehad. Er hangt een droefheid over de stad die je niet anders kunt omschrijven dan met het ongrijpbare woord 'charme'. Woonden er alleen ouden van dagen en gepensioneerden, dan zou het beeld tamelijk eenduidig en eerder deprimerend kunnen zijn. Natuurlijk zijn hier heel wat nietsdoende ouderen, maar ze omringen zich altijd met een zwerm kleinkinderen.