Er waren niet eens kussens in de oertijd

De reis ging per fiets en niet per teletijdmachine; toch is groep 8 van openbare basisschool De Kiekendief uit Zeewolde terecht gekomen in de prehistorie. Dat betekent de hele dag hard werken om aan eten te komen. Er moet hout worden gesprokkeld, deeg gekneed, kruiden geplukt en pijlen gescherpt. Maar echt op jacht gaan hoeft niet tijdens deze schoolreis van drie dagen in de Prehistorische Nederzetting Flevoland.

Dat doet alleen poes Zondag. “Hij kraakte net een muis tussen zijn tanden,” rilt Remy. “De darmen waren het toetje.” Behalve Zondag lopen overal witte geiten rond met statige sikken. Ze klauteren over de houtstapel en knabbelen aan het gevlochten afdak boven de klei-oventjes, maar komen niet te dicht bij het vuur.

Het vuur brandt de hele dag en de hele avond. De kinderen wikkelen brooddeeg rond de punt van hun zelfgesneden speren en houden het in de vlammen. Aan dezelfde speren rijgen ze 's avonds speklapjes, doordrenkt met honing, voor bij de capucijners.

Het leven in de oertijd is zwaar, vindt Susan. “Er is geeneens een spiegel hier. Hoe kan ik me dan opmaken?” In de pikdonkere hut uit de Bronstijd (ongeveer vierduizend jaar geleden), slapen ze met zijn veertigen in het stro. Een lampje zou toch wel handig zijn, vinden de meesten. Josephine: “Gelukkig heb ik wel een zaklantaarn en een superkoffer met een cijferslot.”

Het slaapgedeelte van de hut lijkt op een stal. Aan weerszijden van het gangpad vormen schotten vierpersoonskamertjes. “Dat noemen ze kribbes,” zegt Remy, “maar dat klinkt zo jezusachtig.” Meisjes slapen bij meisjes en jongens bij jongens, verkering hebben moet worden uitgesteld tot overdag. Kinderen met hooikoorts slapen in een tent. 's Nachts is het koud, dus kruipt iedereen tegen elkaar aan. “Ik kreeg zo een knie in mijn oog,” moppert Minke. Kussengevechten kunnen niet worden gevoerd: er zijn geen kussens.

De meesters liggen lekkerder, denken sommige kinderen. Maar de met dierenhuiden beklede banken voor in de hut prikken dan wel niet, ze zijn veel harder dan stro.

Wie 's nachts kletst, moet voor straf bij de meesters slapen. Een voordeel is dat daar ook al het snoep ligt opgeslagen, in grote plastic zakken, onbereikbaar voor de ratten. Er zijn nog meer gevaarlijke beesten rond het kampement. “Met die steentijdkano gleden we zo het riet in,” vertelt Jody. “Er kwamen boze broedende ganzen aanstuiven. Gakkend!”

De kinderen zijn in groepen opgedeeld: 'families' met een hoofd. 's Ochtends vroeg bespreken de familiehoofden wat er gedaan moet worden. Een speciale ploeg plukt citroenmelisse en mint voor de thee. Daar hebben ze veel tijd voor, want het duurt anderhalf uur voordat de ketel water op het kampvuur kookt. In de groentetuin is de 'spelt' helaas niet opgekomen. “Spelt is net zoiets als rogge en tarwe, maar dan heel oud,” zegt Josephine. “Een beetje te oud om te groeien blijkbaar.”

Toch is het eten heel anders dan thuis, maar ook heel anders dan op gewone schoolreizen. Geen grote pannen macaroni met ham en kaas, geen rijst met een prutje, maar 'buhhh, prehistorische linzensoep' uit kommetjes van rode klei. Die hebben ze van tevoren gemaakt, net als de uit hout gesneden lepels. “Sommige lijken verdacht veel op pollepels van Blokker,” mompelt meester Aart. Helemaal prehistorisch willen de leerlingen nou eenmaal niet zijn. 's Avonds worden in toneelstukjes reclames nagespeeld en is er disco rond het kampvuur, met muziek van de Spice Girls. En alleen de meesters dragen het op school gemaakte prehistorische jak, van jute.