Een weermiddel tegen de dood

Esther Jansma: Picknick op de wenteltrap. De Arbeiderspers, 127 blz. ƒ 27,50

Hoe machtig is de taal? Behoorlijk machtig, als we de dichteres Esther Jansma mogen geloven. In een van de gedichten uit haar laatste bundel Waaigat (1993) werd een leeuw tot leven gebracht door het uitspreken van het woord leeuw. Hij kwam als het ware uit de mond van de spreker voort. Maar uiteindelijk moest het woord het toch afleggen tegen de brute werkelijkheid: 'geen woord/ is groot genoeg voor zoveel/ onbehouwen rood en goud.' Mooie regels, die de aandoenlijke suggestie wekken dat een kleiner en minder vervaarlijk dier, een poes bijvoorbeeld, letterlijk en figuurlijk wèl te behappen zou zijn geweest.

Ook in Picknick op de wenteltrap, haar prozadebuut na drie dichtbundels, geeft Jansma blijk van een onverminderd vertrouwen in de taal. 'De wereld houdt van het woord ontelbaar', heet het, in een van de korte hoofdstukjes, mini-beschouwinkjes eigenlijk, waaruit het boek is opgebouwd. 'Spreek het uit en je hebt de oneindigheid in je mond.' Om die oneindigheid lijkt het allemaal begonnen te zijn, net als in haar gedichten. Of, anders gezegd, om een verzet tegen de eindigheid. Een ongelijke strijd, voor wie alleen oog heeft voor de barre levensfeiten, maar het is een troostrijke gedachte dat met die feiten niet altijd genoegen hoeft te worden genomen. Zoals in de dichtbundel Bloem, steen (1990) een poging werd gedaan een dood kind te doen herademen, zo is het deze keer een jong overleden vader - ook al eerder herdacht in Stem onder mijn bed (1988) - die aan de vergetelheid wordt ontrukt.

Tegelijk worden in Jansma's eerste roman - een veel te logge aanduiding voor haar fijnzinnige en lichtelijk onthechte impressies - ook weinig illusies gewekt over het leven. 'Een picknick op de wenteltrap' is nog wel de minst onschuldige, zelfs tamelijk genoeglijke voorstelling die ervan gegeven wordt. Veel meer is het niet: een kort oponthoud tussen geboorte en dood.

In een wat moeizame proloog, die eigenlijk een epiloog is, proberen de personages van Jansma hun bestaan te rekken. Het verhaal is uit en om hen heen is het wit: het wit van lege bladzijden. 'Mogen we opnieuw gelezen worden?' vraagt dan een van hen. Het enige weermiddel tegen 'het wit', ofwel de dood, is de formulering, de taal, het verhaal. Maar daarvoor is wel de medewerking vereist van een ander personage, dat in het universum van Jansma een belangrijke rol vervult: de lezer. Zijn bijdrage aan het boek is onontbeerlijk en daar zou de schoen wel eens kunnen wringen, voor de liefhebbers van een substantieel verhaal.

Aan de ene kant maakt Picknick op de wenteltrap een nogal geconstrueerde indruk met zijn geprononceerde verwijzing en naar zichzelf, de taal en de lezer. Aan de andere kant is er inhoudelijk betrekkelijk weinig houvast. Een meisje van onbestemde leeftijd probeert zich, samen met een onbestemd aantal zusjes (het zouden er twee kunnen zijn maar ook vijf, van wie er overigens één 'hij' wordt genoemd, om de verwarring nog wat groter te maken), staande te houden in de grote boze wereld. Zo zou je deze fragmentarische roman kunnen samenvatten. Aan de basis ervan liggen waarschijnlijk jeugdherinneringen van Esther Jansma zelf, waarvan de anekdotische laag zozeer is afgeschraapt dat er nauwelijks meer van persoonlijke belevenissen kan worden gesproken. Bovendien zijn er sprookjesachtige elementen toegevoegd die de afstand tussen schrijver en lezer nog groter maken. Zodoende zijn er tamelijk autonome taferelen ontstaan die, in sobere, weloverwogen zinnen, niet veel meer dan een indruk geven van een kinderleven, enigszins vergelijkbaar met hoe dichteres en prozaschrijfster Kreek Daey Ouwens dat deed in Tegen de kippen en de haan (1995).

Toch loont het de moeite zich een weg te banen door de brokstukken van dat kinderleven. Zeker bij de door de auteur zo gewenste herlezing, wint het boek aan zeggingskracht. Jansma heeft zich er duidelijk op toegelegd iets te schrijven dat niet zomaar uitgelezen kan worden. Het is mooi om te zien hoe de wereld door een kinderlijk bewustzijn wordt veroverd en hoe de verschillende personages zich bij stukjes en beetjes ontvouwen. Daarbij wordt de taal niet alleen gebruikt als middel om zich uit te drukken, maar vooral ook om te denken, om de mensen en de verschijnselen als het ware te kunnen rubriceren. Vanuit het spreekwoordelijke niets wordt zo een heel stelsel opgebouwd, waarin begrippen als tijd en ruimte, licht en schaduw, hoogte en diepte verrassend concreet en helder gestalte krijgen. Mooi contrastrijk is bijvoorbeeld een maar elf regels tellend hoofdstukje dat 'De stilte' heet, maar dat gewijd is aan een ruziënd ouderpaar. Op een vertraagde, ingehouden toon wordt waargenomen hoe eerst 'de moeder' in opperste woede een vaas met bloemen door het raam gooit en 'de vader' er vervolgens schreeuwend een broodplank met boterham achteraan smijt. 'Het is weer stil', stelt de ooggetuige dan zakelijk vast. 'Het is kouder in de kamer en je hoort de buren praten in hun tuin.'

Als om de conceptuele aard van haar proza te benadrukken, gaf Jansma haar figuren geen namen, maar een soort genre-aanduidingen. Een ietwat zorgelijk type heet Oud, een verlangend type 'de Romanticus' en de hoofdpersoon, het brein waaruit de meeste gedachten en formuleringen voortkomen, simpelweg 'het hoofd'. Vooral dat laatste is een vondst, omdat het zulke aantrekkelijke zinnen oplevert: 'Het hoofd gaat op de grond liggen', of: 'Het hoofd zit op schoot bij de vader'.

Picknick op de wenteltrap is hard en vertederend tegelijk. Koele observaties worden afgewisseld met bescheiden gevoelsuitbarstingen. In de spanning tussen die twee uitersten ligt de charme van dit eigenaardige romandebuut besloten. De ene keer is er de zekerheid van de eigen woorden, over de verdeling van licht en donker op aarde bijvoorbeeld. Dan stelt 'het hoofd' kordaat vast dat 'ze', aan de andere kant van de wereldbol, niet weten dat hun nacht de echte nacht niet is. Een andere keer steekt ineens de angst de kop op dat 'de lezer' het boek 'straks achteloos' dicht zal slaan. Want de taal vertegenwoordigt geen macht in zichzelf. Woorden kunnen alleen machtig zijn als ze ook door anderen in de mond worden genomen.