Doemdenken als bevrijding; Twee werelden

De wereld gaat vooruit en is tegelijkertijd een tranendal - die combinatie van opvattingen wekt verontwaardiging, ja zelfs haat. “Hoe vervelend het ook is”, schrijft Rudy Kousbroek, “de Vooruitgang berust niet op een democratische meerderheidsbeslissing, en datzelfde geldt ook voor de kunst, modern of niet.”

Is de interpretatie van de werkelijkheid een kwestie van smaak? Iets dat mij lang zal bijblijven is een artikel van Nel Bakker over de hongerwinter ('In tijden van nood', Het oog in 't zeil, Oktober 1988) waarin zij opmerkt hoe men 'in moreel opzicht niet ontwricht' was, zoals blijkt uit het feit dat iemand die met voedsel terugkwam van een hongertocht langs de boeren in de provincie, bij aankomst in de stad niet beroofd werd. Dat treft nu inderdaad als moeilijk voorstelbaar, je moet er niet aan denken wat zo iemand te wachten zou staan in de wereld zoals hij nu is.

Wat het tegelijk duidelijk maakt is dat het nu al steeds moeilijker wordt zich een betrouwbare voorstelling te maken van hoe de mensen voelden en dachten in die tijd. Bakker citeert F.B. Hotz, die een verhaal eindigt met: “Zou dit beeld mij, bij wijze van visioen, elf jaar eerder voor ogen gekomen zijn, ik had geen raad geweten,” en zij concludeert: “Zo zou het ook zijn als onze later geborenen eensklaps verplaatst werden naar die tijd: ze zouden zich geen raad weten.” Dat mag waar zijn, maar wat mij persoonlijk nog veel meer intrigeert is het omgekeerde: hoeveel raad onze vroeger geborenen zich zouden weten als ze verplaatst werden naar de wereld van nu.

Hieraan moest ik denken bij het lezen van een amusante en provocerende column van Gerry van der List in De Volkskrant van 23 Mei. Die begon zo: 'Depressieve mensen hebben de irritante neiging te denken dat ze dieper schouwen dan de rest van de mensheid. De ellende die ze permanent waarnemen vormt voor hen het ware gezicht van de wereld (-) Een dergelijke treurigheid gaat in intellectuele kring voor diepzinniger door dan vrolijkheid. De opvatting van W.F. Hermans dat elk menselijk streven goed beschouwd nutteloos is, oogst doorgaans meer waardering dan de 'ik ben zo blij dat ik leef'-filosofie van Toon Hermans (-) Door de intellectuele hang naar het negatieve dreigt uit het oog verloren te worden hoe goed het - over het geheel genomen - met onze maatschappij en onze bevolking gaat, en hoeveel vooruitgang er - over het geheel genomen - de afgelopen eeuwen is geboekt.''

Het merkwaardige is dat ik het met dat laatste volkomen eens ben, en desondanks de overtuiging koester dat die gedeprimeerde zielen uit de afgrond van hun ellende inderdaad 'dieper' (lees: juister) 'schouwen' dan onbezorgde. De wereld gaat vooruit en is tegelijkertijd een tranendal. Deze combinatie van opvattingen heeft mij in het verleden al eens een reprimande opgeleverd van Hans Ree, die, gezien het feit dat mijn visie op de werkelijkheid misschien wel wat neigt naar het zwartgallige, mijn positieve uitspraken over de verbeteringen in de wereld wilde toeschrijven aan een behoefte desnoods quia absurdum te geloven in de Vooruitgang.

Democratisering

De uitspraken van Van der List maken nog eens goed duidelijk hoe de vork in de steel zit. Niet alleen dat uit de constatering dat er vooruitgang is niet geconcludeerd kan worden dat het leven zin heeft, omgekeerd klinkt er in de kreet 'ik ben zo blij dat ik leef' ook onherroepelijk een valse noot. Dat geldt voor het optimisme van Toon Hermans, maar ook voor dat van C.W. Rietdijk waar Van der List zich in die column op beroept. Het nieuwe boek van Rietdijk, Wetenschap als bevrijding, waar het hier om gaat, is op het moment dat ik dit schrijf nog niet verschenen, maar op een lezing in het Techniekmuseum Delft heeft hij kortgeleden (18 Mei) zijn voornaamste stellingen nog eens toegelicht.

Met instemming citeert Van der List 'de verworvenheden die de opmars van de rede ons sinds de Verlichting heeft gebracht'. “Neem de medische vooruitgang, de terugdringing van de armoede, de komst van sociale voorzieningen. Kijk eens naar de verbetering van het onderwijs, de democratisering, de mensenrechten. Vergelijk de positie van de vrouw, het strafrecht, de houding tegenover minderheden, de uitbuiting of de seksuele onderdrukking honderd, tweehonderd of vijfhonderd jaar geleden eens met de bijna idyllische situatie in het Westen aan het eind van de 20ste eeuw. De vooruitgangsgedachte berust niet op een geloof, maar op feitelijke constateringen, beweert Rietdijk. Hij heeft volkomen gelijk.”

Zo is het, en dan moet mij nog van het hart dat Rietdijk en Van der List een argument ongenoemd laten dat wel is beschreven als op zichzelf al voldoende om in de Vooruitgang te geloven, namelijk dat pas met de Verlichting een einde is gekomen aan de onvoorstelbare barbaarsheid waar kinderen in het verleden aan blootstonden (zie b.v. Marja Roscam Abbing, Het babymuseum, Prometheus 1992).

Hadden Rietdijk en Van der List het hier maar bij gelaten; maar helaas, zij volstaan er niet mee de alfa-intellectuelen aan te klagen die in hun waan de wetenschappelijke vooruitgang trachten te verwerpen als iets kwaadaardigs en onmenselijks - ze proberen ook de moderne kunst voor te stellen als een deel van die waan, opgelegd door diezelfde elite van misleide intellectuelen. “Juist is ook Rietdijks observatie,” schrijft Van der List, “dat in Nederland een kloof gaapt tussen de dominante ideologie en de visie van de meerderheid van de bevolking. Een aanzienlijk aantal Nederlanders wil de doodstraf, wijst meer immigratie af en ziet niets in moderne kunst. Van dergelijke opinies vind je in de media en de politiek haast niets terug. Dat is vreemd. Dat is ondemocratisch.”

Daarmee devalueert het hele pleidooi voor de wetenschappelijke vooruitgang tot een soort samenzweringstheorie; het is dan niet een op de rationaliteit gebaseerde kritiek maar een onderdeel van een beginsel gebaseerd op de smaak van de massa. Een stommiteit van de eerste orde, maar ze zijn niet te stuiten, Rietdijk en Van der List: de wereld wordt beheerst door 'nihilistische filosofen, absurdistische kunstenaars en journalistieke doemdenkers'; dat is ondemocratisch en verdient door de meerderheid van 'talrijke welvarende, zorgeloze, ijverige, gezellige, levenslustige landgenoten' aan de laars te worden gelapt.

Daar is van alles over te zeggen maar in de eerste plaats dat het een recept is om zichzelf in de voet te schieten. Als je, met een beroep op de democratie, het oordeel van de massa over moderne kunst wilt uitroepen tot de norm die de samenleving heeft te aanvaarden, dan geldt dat ook voor de wetenschap en de techniek. Maar de Vooruitgang heeft bij dezelfde 'meerderheid van de bevolking' een nauwelijks betere pers dan de moderne kunst. Wat daar al hoog in het vaandel wordt gedragen, het is niet de Verlichting, een probleem waar Rietdijk en Van der List zich maar niet over uitlaten. Zo is bijvoorbeeld ook het afschaffen van de doodstraf een verworvenheid van de Verlichting, net als 'de positie van de vrouw, het strafrecht, de houding tegenover minderheden, de uitbuiting en de seksuele onderdrukking', die daarnet (terecht) werden afgeschilderd als de 'bijna idyllische situatie in het Westen'. Hoe zit het nu met de doodstraf, Gerry en Dr C.W.: is het een deel van de Vooruitgang of een onderdeel van de dominante ideologie opgelegd door nihilistische filosofen en absurdistische kunstenaars?

Shit creek

Dezelfde vraag doet zich voor met betrekking tot de houding jegens minderheden van die gezonde, welvarende, ijverige, gezellige en levenslustige meerderheid die 'meer immigratie afwijst'.

Hoe vervelend het ook is, de Vooruitgang berust niet op een democratische meerderheidsbeslissing, en datzelfde geldt nu eenmaal ook voor de kunst, modern of niet. Probeer je te ontdoen van het begrip kwaliteit, hoe ook gedefinieerd, van gespecialiseerde kennis en van het oordeel van een 'elitaire' minderheid die dieper schouwt en het beter weet, en voor je het weet zit je up shit creek zonder buitenboordmotor.

Ik heb veel waardering voor Gerry van der List als iemand met grote oorspronkelijkheid en gevoel voor humor, maar dat is waar het sleeptouw van Dr. C.W. Rietdijk uiteindelijk toe leidt. Rietdijk is minder een 'optimistische wis- en natuurkundige' dan een mysticus die zich al in de jaren '60 beschreef als 'filosoof van het cybernetisch-biotechnische tijdperk' en voorstelde om '10 % van het nationale inkomen te besteden aan het oplossen van het raadsel van de dood, door pakweg eens één loonsverhoginkje over te slaan'.

Een kritische instelling jegens het zwartgallige gespuis met die neiging te denken dat ze dieper schouwen dan de rest van de mensheid is uiteraard heel terecht, maar bij die gezonde, gezellige, welvarende, ijverige etc. optimisten is het bij nadere kennismaking nog benauwder. Rietdijk loopt wat dat betreft weer in de voetsporen van Louis Pauwels, de schrijver van Lettre ouverte aux gens heureux (1973), ook een aanval op het pessimisme uit naam der gezonde en positieve gevoelens. De traditie gaat terug op Chesterton, The Man Who Was Thursday (1908), maar bij Pauwels klinkt al veel duidelijker een ondertoon van morele verontwaardiging, ja van haat jegens pessimisten, alsof zij vertegenwoordigers waren van een subversieve manier van denken, een bewuste ontkenning, uit lamlendigheid, lafheid en defaitisme, van alles wat mooi, edel en goed is.

Er zijn hier zeer veel aanknopingspunten met allerlei stromingen, bijvoorbeeld met het ressentiment vanuit de triviaalliteratuur tegen de literatuur met een grote L, die ook een ongezonde, elitaire en de werkelijkheid misvormende instelling wordt verweten; tegen kritiek als afbrekend en inherent negatief - op zijn beurt weer herinnerend aan hoe in naar het totalitaire neigende regimes de oppositie wordt voorgesteld; en tegen moderne kunst, gezien als een cynische vorm van voordegekhouderij.

En dan tenslotte een merkwaardige affiniteit met het occulte en mystieke, blijkbaar ook gezien als iets moois dat intellectuelen uit kwaadaardig negativisme trachten te ontkennen. Ook Pauwels had die binding met een 'cybernetisch-biotechnisch' georiënteerd mysticisme, iets dat nu New Age zou worden genoemd: hij was de schrijver, met Jacques Bergier, van Le matin des magiciens, het bekende standaardwerk op dat gebied.

Het intrigerende is dat vroeger de Vooruitgang juist gezien werd als iets negatiefs, als Achteruitgang: allerlei wonderbaarlijke vermogens die de mens vroeger had (telepathie, levitatie, onzichtbaarheid, het eeuwige leven en wat dies meer zij) zijn verloren gegaan, merkwaardigerwijze en tegen hun evolutionaire voordeel in, herinnerend aan hoe alfa's soms klagen dat hun geest niet kan gedijen in de dorre bêta-wereld.

Maar voor Rietdijk houdt het dus een ontkenning van de wetenschappelijke en technische vooruitgang in, wanneer iemand van mening is dat het leven zinloos is. “Waarom roept vrijwel iedereen - van W.F. Hermans en Wim T. Schippers tot de meeste filosofen - al decennialang dat de wereld geen zin heeft?”

Het spijt mij voor de filosoof van het cybernetisch-biotechnische tijdperk, maar die vraag is al decennia geleden heel duidelijk beantwoord door Wittgenstein: er is geen verband tussen wetenschappelijke vragen en de zin van het leven. Zie Tractatus 6.52: Wir fühlen dass selbst wenn alle möglichen wissenschaftlichen Fragen beantwortet sind, unsere Lebensprobleme noch gar nicht berührt sind.

Om het nog ingewikkelder te maken geldt dit niet alleen maar voor wetenschap: ook het vermogen om een gedicht (muziek, schilderij) mooi te vinden is heel goed te rijmen met de overtuiging dat het bestaan geen doel heeft.