Diagnoses van de vermaledijde jaren zestig; Omzien in woede

Biechten in boekvorm is in zwang onder de overlevers van de jaren zestig. Maar vaak legt een eerlijke analyse van die omstreden periode het af tegen flagellantisme of gelijkhebberij. Herman Vuijsje weet aan beide te ontkomen, in een gedegen onderzoek naar de erfenis van een culturele revolutie die inmiddels is gestrand op de totem der consensus.

Herman Vuijsje: Correct. Weldenkend Nederland sinds de jaren zestig. Contact, 219 blz. ƒ 39,90

David Horowitz: Radical son. A journey through our times. Free Press, 468 blz. ƒ 64,65

Paul Berman: A tale of two utopias. The political journey of the generation of 1968. Norton (1996), 351 blz. ƒ 48,60

Eén van de meest gebruikte lemma's in ons politieke vocabulaire is 'correct'. Het begrip is geïmporteerd uit de Verenigde Staten. Daar doet political correctness (kortweg pc) vooral in de academische wereld opgeld. Een 'neger' werd er eerst 'zwarte' en heet nu 'Afro-Amerikaan'. Want wetenschappelijk werk moet dienstbaar zijn aan de normen van vandaag. In Nederland heeft onwelgevallig onderzoek ook lang in een kwade reuk gestaan. Menig wetenschapper heeft dat ervaren: van de criminoloog Buikhuizen, die wilde weten of misdadigers om andere dan sociale redenen tot hun daden komen, tot de neuroloog Swaab, die omwille van het dilemma nature-nurture geïnteresseerd was in de hersens van homoseksuelen. Maar hebben wij ooit te maken gehad met een heuse pc-politie? Eigenlijk niet. In Nederland is het bij pijnlijke incidenten gebleven. Zoals de innere Emigration van professor Hans Daudt, die zich na een conflict met neo-marxistische studenten over het curriculum in een klein kamertje aan de Herengracht opsloot. Of het verbod dat toenmalig rector magnificus Thoden van Velzen van de Universiteit van Amsterdam tien jaar geleden uitvaardigde op een symposium binnen de academische muren over de Duitse filosoof Martin Heidegger, die in de jaren dertig met de nazi's sympathiseerde. Voor het overige hebben wij het moeten doen met een taal-rechercheur als Teun van Dijk, die krantenknipsels in de computer stopte om het racisme in Nederland te kunnen berekenen.

Toch is 'correct' ook in Nederland een epitheton geworden. Het is zo'n prettig woord om jezelf als dissident te definiëren. Wanneer de ander als 'correct' kan worden gekwalificeerd, ben jij per definitie vrijdenker. Een nader gesprek is dan overbodig. Jongere generaties gebruiken het als synoniem voor het ooit zo effectieve 'ouwe lul'. En degenen die in de jaren zestig adolescent waren, misbruiken het begrip om in retrospectief hun schuldgevoel af te kopen. Wie niet 'correct' is, kan zijn jasje elk seizoen keren, zonder dat de jaarlijkse voorjaarsmode een nadere uitleg behoeft. Net als in de Verenigde Staten regent het hier de laatste jaren daarom biechten in boekvorm.

Mode

Het deze week verschenen boek van Herman Vuijsje moet, getuige de titel Correct, bij die bui worden ingedeeld. Maar dat doet geen recht aan de auteur. Het boek over 'weldenkend Nederland sinds de jaren zestig' is namelijk veel meer dan de zoveelste afrekening. Met Pim Fortuyn bijvoorbeeld - ooit neo-marxist in de PvdA, daarna pleitbezorger van de afschaffing van de staat ten gunste van de calculerende burger, vervolgens driftig op zoek naar de uit de maatschappij verdwenen vaders en thans een bezorgde autochtone Hollander die op de bres staat voor seksuele vrijheid - heeft Vuijsje weinig gemeen. Vuijsje doet in zijn jongste boek een serieuze en eerlijke poging om de paradox van onze bestuurlijke cultuur te beschrijven. Hij wil onderzoeken hoe het toch mogelijk is geweest dat de culturele revolutie die in de jaren zestig over Nederland raasde, verzand is in a-moreel pragmatisme. Dankzij deze ambitie is het boek een breed geschakeerde journalistiek-sociologische studie geworden, de gemakzuchtige titel ten spijt.

Dat komt omdat de auteur niet ontrouw aan zichzelf heeft hoeven worden. Weliswaar is de socioloog Herman Vuijsje, geboren in 1946, een typische geboortegolver die zijn loopbaan eind jaren zestig/begin zeventig begon, en heeft hij, als kind van klassieke sociaal-democraten uit de hoofdstedelijke Transvaalbuurt, een vergelijkbare ontzuiling doorgemaakt als zijn katholieke en protestantse leeftijdgenoten, maar hij was een van de eersten die dankzij de journalistiek inzagen dat het in de jaren zeventig niet louter botertje bij de boom was. Al in 1977 hekelde hij in De nieuwe vrijgestelden de gemakzucht van de babyboomers die, eenmaal bevrijd uit de kluisters van de verzuiling, de individuele ontplooiing voor zichzelf opeisten en daaraan het recht ontleenden om ook de emancipatie van de anderen op hún voorwaarden te regelen. Negen jaar later verscheen Vermoorde onschuld, met als ondertitel 'etnisch verschil als Hollands taboe'. En in Lof der dwang nam hij eind jaren tachtig de eigenrichting, bejubeld als sociale cohesie op individualistische grondslag, onder vuur.

In Correct is het trefwoord van Vuijsje nu 'consensus'. Ons 'poldermodel' oogt vrijzinnig. We zien enthousiast toe hoe de 'gladiatoren in de arena' omwille van onze belangen strijd leveren. We letten op de toepassing van de spelregels en gaan opgetogen huiswaarts als iedereen tevreden is. Zoek en vind de 'win-win-situaties': dat is het credo.

In de jaren zestig was er consensus over de noodzaak van een culturele revolutie, die het hele maatschappelijk bestel omver zou kegelen om de aanstormende generatie vrij baan te geven. In het decennium daarop sloeg de revolte neer in kristallen die zo hard waren dat ze niet meer uit elkaar mochten vallen. Ook daarover bestond overeenstemming. Totdat de prestatiemaatschappij haar intrede deed. Nu is het daarom gepast alles, wederom in gemeen overleg, opnieuw op z'n kop te zetten. Nederland is één grote wielerbaan waar alleen gesprint wordt. Als geen ander beheersen wij het 'sur place': alle renners verzamelen zich bovenin de baan, niemand durft de sprint aan te trekken, maar als er eentje aanzet, duiken we allemaal in volle vaart onderin de baan om mee te spurten. Vandaar dat men in Nederland elkaar nooit echt tot op het bot te lijf gaat. Rellen en opstootjes plegen hier gesmoord te worden. De aanstichters hoeven niet aan de poorten van de macht te rammelen, ze worden tijdig binnengelaten.

Totems en taboes

Zo 'chauvinistisch' als Parool-journalist Michiel Zonneveld over deze zachte deken van passen en meten vorig jaar schreef in zijn boekje Het platte land, zo kritisch is Herman Vuijsje. Al dat 'onderhandelen' lijkt verduiveld 'pluriform', maar het mondt steeds uit in conformisme. 'Tegenspraak' is verboden. 'Zorgelijke berichten' worden onder tafel geveegd omdat die onze 'totems en taboes' kunnen ondermijnen. Deze 'paradoxale' continuïteit van Nederland, zoals Vuijsje het formuleert, heeft uiteindelijk tot gevolg dat er niets meer gedaan wordt voor de 'zwakken' aan wie werkelijk aandacht besteed zou moeten worden. Tot medio jaren zestig was de Nederlander de beste onderdaan die een overheid zich maar kon wensen. Ongehoorzaamheid was taboe. Daarna werden de rollen omgedraaid en moest de staat zich in allerhande bochten wringen om bij de burger in de smaak te vallen. Dwang raakte uit de gratie, centralisatie werd een vloek. Sanctie ging beloning heten. En dat alles werd afgeblust met convenanten en andere totems, waarmee overheid, maatschappelijke organisaties en burgers hun goede, decentrale, wil toonden om vervolgens fluitend weg te fietsen in de gedoogzone zonder toezicht.

Omdat de staat niet meer deed dan het verkeer regelen bij de afwerkplek, werd het recht het recht van de sterkste, dat wil zeggen van die onderhandelingspartij die demeeste rotzooi zou kunnen trappen. Als exemplarische casus beschrijft Vuijsje de wijze waarop Nederland in de jaren tachtig de Aids-epidemie tegemoet trad. Er waren twee groepen die erdoor als eerste bedreigd werden: die van de homoseksuelen en die van de hemofilie-patiënten. De laatsten hadden gevaar te duchten door hun erfelijke ziekte, de eersten door hun seksuele oriëntatie. De vereniging van hemofilie-patiënten wilde al begin 1983 de bloedbanken beveiligen door de 'risicogroep' der homoseksuele donors voortaan te weigeren. Het COC keerde zich daartegen onder verwijzing naar de ariër-verklaring tijdens de Duitse bezetting.

Uit de interne strijd rolde een compromis over het begrip 'wisselende partners' bij donors. Zes per half jaar was onacceptabel, negen per jaar was dus wel aanvaardbaar. Ondertussen bleek het ministerie van volksgezondheid ook nog eens niet bereid en/of in staat de bloedbanken te dwingen hun bloed te zuiveren van HIV, hoewel de methode bekend was. In 1988 werd er weliswaar een richtlijn uitgevaardigd, maar dat was slechts een advies, geen plicht. Door dit historisch gestutte privacy-gebod en het wijken van de staat werden 170 hemofilie-patiënten via besmet bloed met HIV geïnfecteerd. Dertig overleden er uiteindelijk. De kleinste minderheidsgroep was onderschikt gemaakt aan een der grootste. 'Patiënt overleden, privacy geslaagd', aldus HermanVuijsje.

Het was een treurig testimonium paupertatis van het openbaar bestuur, maar volgens Vuijsje niet het enige. Hetzelfde proces voltrok zich, zij het met minder spectaculaire gevolgen voor individuele burgers, elders in de samenleving. Milieubeheer, fraudebestrijding, kartels van medici en andere gilden, luchtvaartcontrole, videotheken, WAO en wat dies meer zij: overal was 'zelfregulering' het parool en werd de publieke ruimte overgeleverd aan wilde beesten die voor hun goede fatsoen een pak hadden aangetrokken. Want dat de democratie bij de staat niet in goede handen was, daarover waren links en rechts het sinds de jaren zestig eens.

Waarom kon dat gebeuren? Vuijsje heeft er een paar verklaringen voor. Allereerst het trauma van de Tweede Wereldoorlog dat eind jaren zestig, toen de geboortegolf en masse op eigen benen ging staan, de metafoor voor goed en fout werd. Wie voor een hedendaagse misstand een analogie in de bezettingstijd wist te vinden, die zat goed. Want als '40-'45 ons één ding had geleerd, dan was het wel dat anonimiteit in het publieke domein te verkiezen was boven zelfvertrouwen in de democratische legitimiteit van de openbare orde. Als de sociale zorg en andere arrangementen die op dit fundament van wantrouwen werden gebouwd een beetje duur werden, dan moest dat maar. Het ging economisch immers goed, dankzij aardgasbel en harde gulden, en dat bood een tweede reden om het 'anonieme domein' te laten gedijen. Pas toen eind jaren tachtig de bodem van de kas in zicht kwam, gingen de architecten van dit bestel 'om'. Solidariteit ging ineens eigenbelang heten. De 'politiek-correcte voorlieden knepen ertussenuit met achterlating van een uitgeklede verzorgingsstaat', aldus Vuijsje.

Er zijn weinig spelden tussen deze redenering te krijgen. Geen mea culpa, geen bitter zelfbeklag, geen flagellantisme maar een heldere analyse: kom daar maar eens om in de Verenigde Staten. Daar worden de lezers al jaren overspoeld met apologetische boeken van mensen die de sixties hebben meegemaakt en nu óf tot inkeer zijn gekomen óf de fakkel brandend proberen te houden.

Tot de laatste categorie behoort het eind vorig jaar verschenen A tale of two utopias van de New-Leftist Paul Berman. Indachtig de dichter Walt Whitman ('resist much, obey little') schetst hij de gang van zijn generatie tot en met de val van de muur in 1994 en daarna, om uit te komen bij de voormalige Franse maoïst André Glucksmann en de Amerikaan Francis Fukuyama. Wat in 1968 begon met de droom van een linkse revolutie is in de jaren 1989 en 1994 geëindigd met het uitbreken van liberaal-democratische revoluties, stelt Berman vast. Glucksmann pleit in dat licht, ondanks het leergeld dat hij heeft betaald, voor een nieuwe vorm van solidariteit: een solidariteit die niet meer gebaseerd is op positieve principes, zoals vroeger, maar een defensieve met de getroebleerde medemens. Fukuyama daarentegen ziet de wereld onvermijdelijk en nauwelijks omkeerbaar afstevenen op een liberale democratie. Glucksmann 'is excessief maar niet naïef. Fukuyama mag naïef zijn maar hij is niet getraumatiseerd'. Een omdraaiing der beelden. En de wereld? Die voelt zich volgens Berman 'humble, skeptical, anxious, afraid, shaken'. Het is geen bevredigend antwoord en biedt ook weinig houvast voor welk handelen dan ook.

Nee, dan de eerste categorie, waartoe Radical son van David Horowitz gerekend kan worden. Horowitz is in Europa een der bekendste van de nieuwe bekeerlingen. In de jaren zestig was hij een geziene ideoloog die menigeen van zijn 'revisionistische' historiografie heeft doordrenkt. De Koude Oorlog was, zo lazen we in zijn The free world colossus en andere contemporaine geschiedenisboeken, grotendeels door de Verenigde Staten geprovoceerd om de westerse wereld en zijn oude koloniën in een corset te rijgen. In eigen land droeg Horowitz dan ook actief bij aan de revolutionaire beweging tegen kapitaal en oorlog. Hij was de belangrijkste man achter het tijdschrift Ramparts, dat onder andere in de Black Panthers de kiem van een socialistisch Amerika zag ontluiken. Dat de panters een veredelde straatgang bleken te zijn, die hun criminele gedrag alleen maar met een beetje politiek wilde opluisteren, zag hij wel maar dacht hij ook te kunnen corrigeren. Dat Roel van Duijn iets vergelijkbaars al waarnam in 1966, toen hij kortstondig gevangen zat en de populariteit van provo bij zijn mede-delinquenten gewaar werd, wist Horowitz niet en hij wilde het ook niet weten.

Op zich ook niet verwonderlijk. Horowitz was de zoon van New-Yorkse communisten die, ondanks Stalin, toch bleven geloven in de zaak. Loyaal als hij was aan hen, zag hij nieuwe perspectieven opdoemen in de formatie van Nieuw Links dat wel revolutionair was maar zich niet door het Kremlin liet dicteren. Pas toen het geweld dichtbij kwam - een moord op een blanke medewerkster van de Black Panthers in 1974 waartoe de activist Huey Newton opdracht zou hebben gegeven - gingen zijn ogen open. In 1984 kon hij het uiteindelijk zelfs opbrengen op Reagan te stemmen. Horowitz was een Amerikaanse patriot geworden en de hele wereld moest het weten.

Daar is niets op tegen, sterker, soms is een wending een verademing. Maar in zijn memoires, een journey through our times, is geen spoor van persoonlijke reflectie te bekennen. Ik had altijd gelijk en heb nog steeds gelijk, zij het nu nog meer dan vroeger, dat is de toon. Nergens een werkelijk emotioneel moment, ook niet als zijn 'second thoughts' tot een breuk met zijn vrouw leiden. Nooit een poging tot zelfanalyse, zelfs niet als de vrouwen die hij na zijn gezinsleven aan de haak slaat materialistische wolvinnen dan wel cocaïne-snuivers blijken te zijn. Nimmer een verwijzing naar culturele invloeden als muziek en sport, hoewel hij toch in de Californische jetset komt te verkeren. Oud-links, nieuw-links of neo-conservatief, het wordt allemaal met hetzelfde radicalisme uitgedragen. De inhoud mag dan honderdtachtig graden gedraaid zijn, de vorm is dezelfde gebleven en het gebrek aan geestelijke tolerantie navenant. Bij Horowitz culmineert deze vorm-technische continuïteit in een reis naar Krakow in het voorjaar van 1989. Samen met zijn geestverwant Peter Collier doet hij mee aan een mei-betoging van de vrije vakbond Solidariteit. 'Bekeken door de Poolse politie en Sovjet-troepen, zongen we met één stem: Communists get out! Soviets go home! Peter en ik waren gelukkig. We marcheerden weer, als in de jaren zestig, en deze keer voelden we dat we uiteindelijk gelijk hadden gekregen'. Tussen de boeken van Herman Vuijsje, Paul Berman en David Horowitz zijn ogenschijnlijk weinig overeenkomsten. Vuijsje heeft een journalistiek boek geschreven, Berman een idee-filosofische verhandeling en Horowitz memoires. Vuijsje wil weer 'links' worden zoals het ooit bedoeld was: 'zorg voor zwakken'. Berman probeert al dertig jaar op dezelfde koers te blijven. En bij Horowitz zijn mens- en wereldbeeld altijd symbiotisch geweest. Maar in hun behoefte aan retrospectie kunnen ze elkaar de hand schudden. Geen van allen zijn ze aan historiseren toe. Ze kunnen nog altijd geen afstand nemen van de vermaledijde jaren zestig/zeventig. Zij zijn daarvoor simpelweg te boos. De schuldvraag is blijven vreten.

Bovendien er is één fixatie die de auteurs bij elkaar brengt: ze zijn alledrie gebiologeerd door de intelligentsia. Bij Horowitz ligt dat voor de hand. Hij heeft eigenlijk nooit iets anders van het leven begrepen dan wat de boeken hem leerden. Via de schrift is hij de hele wereld over gereisd. Maar nooit heeft hij stevig met een Rus gedronken en nimmer - op die ene keer na, die hem natuurlijk niets deed - heeft hij met een Duitser een joint opgestoken. Zijn 'second thoughts' zijn artificieel. Zijn verlangen naar 'heterodoxie' (als antwoord op zijn vroegere orthodoxie) is een intellectuele oefening. Zijn publicatiedrift ten slotte is, na al die vrouwengeschiedenissen, een schreeuw om aandacht van de buitenwereld.

Droom

Vuijsje op zijn beurt komt aan het einde van zijn boek eveneens uit bij de vraag wie er aangeklaagd zouden moeten worden. Het is zijn laatste factor om te 'verklaren waarom totems en taboes het Nederlandse denkklimaat zo sterk en lang' hebben beïnvloed. Hij legt de schuld bij de 'spraakmakers'. Vroeger waren dat de dominees, sinds dertig jaar zijn het de anti-dominees. 'Wat bleef is de angst om openlijk dissident te zijn. Niet op zondag en zonder frak of kazuifel, maar ook de anti-dominees stonden klaar om ex cathedra te vertellen hoe het hoorde. Wie het waagde hun moderne mandementen aan zijn laars te lappen, werd onderworpen aan een autodafe, waarbij groot-inquisiteurs als Hugo Brandt Corstius eerst de gruwelijke oorlogvloek over de ketter uitspraken, daarna persoonlijk de fakkel bij de brandstapel hielden, en het geheel nog eens stevig opstookten door de geschriften van het slachtoffer in de vlammen te werpen'.

De intellectueel als procureur-generaal zonder minister van justitie? Het lijkt me teveel eer. Het is onloochenbaar dat de intellectuelen in Nederland, die in de jaren zestig tot wasdom kwamen, nu al drie decennia het openbare geestelijk leven domineren.

Bij gebrek aan echte posten - het publieke leven in Nederland is nog steeds stevig in handen van de vooroorlogse generatie - doen ze dat zelfs nogal luidruchtig. Het is inderdaad onmiskenbaar dat de elite nog altijd met een meewarige blik naar het grut beneden kijkt, maar de hakken in het zand zet als ze op hun podium bij radio, televisie, krant of uitgeverij een beetje moeten inschikken. Kortom, er zijn onderhuidse signalen die wijzen op een nakende generatiestrijd tussen de gezeten ouderen, die hun pensioen willen houden, en de opgejaagde jeugd, die in een flexibele wereld permanent aan haar CV moet werken. Die spanning zou wel eens grilliger kunnen uitpakken dan de lawaaiïge machtsovername dertig jaar geleden, al was het maar omdat 'zij van de jaren zestig' nog steeds een golf vormen en de generaties daarna niet meer dan een rimpeling. 'Europa' dient zich al aan als kristallisatiepunt.

Maar om de 'jaren-zestigers' ook maar meteen dé intelligentsia te noemen, dat gaat te ver. Nederland kent geen intelligentsia, heeft haar ook nooit gekend. In onze eeuwenoude burgerlijke cultuur zijn de sociaal-culturele scheidslijnen altijd doorlaatbaar geweest. Sinds deze samenleving zichzelf suburbaniseerde is die osmose er niet minder op geworden. De intelligentsia had nooit een postbus en heeft nog steeds geen telefoonnummer. Internet bied geen soelaas voor hen die willen aankloppen hij de stichting Intellectuele correlatie.

Dat Horowitz en Vuijsje toch op zoek blijven naar het adres, waarheen ze hun post aan de 'spraakmakers' kunnen sturen, is geen toeval. Ze willen een antwoord. Ze kunnen zich niet, of slechts met de grootste moeite, verzoenen met het idee dat er geen leidraad meer is. Dat is begrijpelijk. Het tegenwoordig in brede kring aanvaarde idee dat er alleen nog maar 'verhalen' kunnen worden verteld, waaraan iedereen het zijne kan ontlenen, is op macro-niveau wellicht houdbaar, op het micro-niveau der menselijke maat biedt het geen houvast. In een verstedelijkte samenleving kun je nu eenmaal niet leven met je eigen morele maatstaven, als die voor jouw buurman geen geldigheid hebben. Vandaar mischien dat Vuijsje zijn boek laat culmineren in een onversneden étatisme: terug naar een cultuur van sanctie en beloning, terug naar een dominante maatschappelijke moraal, terug naar een sterke staat op democratisch gelegitimeerde grondslag. De tegenstellingen in de westers-industriële samenlevingen lopen niet meer langs de oude culturele scheidslijnen van links en rechts. De strijd gaat nu tussen macro-moraal en micro-pragmatisme. Het wachten is alleen nog op een helder programma.