De meesterhanger van het Stedelijk

Abigail R. Esman / Rudi Fuchs: Vervulde Verlangens. Gesprekken over kunst in onze tijd. Meulenhoff, 175 blz. ƒ 36,90

'Ik meen dat het nodig is het idee van het schilderij in stand te houden tegenover het object, of de installatie. Als ik een jonge kunstenaar zoek, probeer ik dus vaak een schilder of een beeldhouwer te vinden. [...] Het schilderij is en blijft de ruggegraat van de beeldende kunst, en daar blijven ze [de mensen, JW] maar tegenaan schoppen.' Aldus Rudi Fuchs in het boek Vervulde verlangens. Dit is een kloek standpunt. Het is vooral ook een gewaagd standpunt voor een directeur van het Stedelijk Museum. Het betekent dat Fuchs alle verschijnselen als performance, video, installatie negeert, iets wat ook blijkt uit zijn aankoop- en tentoonstellingsbeleid. Jammer genoeg gaat de interviewster niet op deze stellingname in. De volgende 'vraag' luidt: 'Maar er zijn, dunkt me, genoeg mensen die benieuwd zijn naar wat jij zelf doet, die gewoon naar het museum komen om jouw werk te zien - wat een kwestie lijkt van opnieuw groeperen, opnieuw opstellen, opnieuw presenteren wat dit museum herbergt.' Met andere woorden, de mensen komen tegenwoordig naar het Stedelijk voor Rudi Fuchs, en niet meer in de eerste plaats om zich op de hoogte stellen van de stand van zaken in de hedendaagse kunst.

Vervulde verlangens bevat, naar een idee van Fuchs zelf, monologen van Fuchs over zijn kijk op de kunst. Ze zijn opgetekend door Abigail R. Esman (1960), voorheen hoofdredacteur van New Art International en kunstcriticus voor onder andere The Art Newspaper, Art & Auction en Artnews. Het boek is de neerslag van dialogen over de kunst tussen Esman en Fuchs in de afgelopen vijf jaar. Het boek heeft echte niet het karakter van een dialoog. Het kan zijn dat er werkelijke dialogen zijn geweest, en gezien Esmans staat van dienst zou zij daar zeker toe in staat moeten zijn. Kritische distantie ontbreekt bij Esman; zij gaat niet inhoudelijk in op hetgeen Fuchs zegt; en zelfs laat zij zich er af en toe toe verleiden de rol van dom blondje te spelen. Vraag: 'Laten we het eens over Kounellis hebben. Waar ik vaak mee geconfronteerd word zijn jutezakken.' Antwoord: 'Wat?' Vraag: 'Jutezakken. Mensen willen weten: wat is dat toch met die jutezakken?'

De tekst is wijdlopig, er zitten veel herhalingen in, vooral wanneer het bekende rijtje Kounellis, Baselitz, Judd, Sol LeWitt ('Sol') en anderen ter sprake komt, en de redeneertrant is volkomen associatief. Zelf zegt Fuchs het ook: 'Ik plan zelden iets'. Als lezer denk je dan: trek eens een plan, verduidelijk een concept, een beetje helderheid hoeft de inspiratie toch niet onmiddellijk in de weg te staan? Toch zijn er goede redenen om dit boek te lezen.

Het mooist is het wanneer Fuchs praat over de schilderkunst. Uit zijn woorden spreekt een oprechte, aanstekelijk liefde voor het schilderen, vooral in het eerste hoofdstuk, getiteld 'Niets dan witte verf'. Zoals wanneer hij uitlegt hoe moeilijk het is om een mooi monochroom oppervlak te schilderen 'zó dat de kleur vibreert, pulseert, en diepte heeft. [...] Er is bijvoorbeeld een soort beheersing van je hand voor nodig, en die beheersing, die fysieke uitvoering, maakt het schilderij'. Tegelijkertijd zegt hij ook rare dingen. Bijvoorbeeld dat 'elke goed opgeleide kunststudent tegenwoordig, met goede wil, iedere Rembrandt kan naschilderen die hij wil.' Dit is onzin. Ik daag hierbij iedere goedopgeleide kunststudent uit om een Rembrandt na te schilderen en mij ervan op de hoogte stellen wanneer hij denkt dat het gelukt is.

Het belangrijkst vindt Fuchs het mensen te leren kijken naar schilderijen. Hij vat het museum dan ook op als een school of zelfs een universiteit. Fuchs kan overtuigend uitleggen hoe je schilderijen moet bekijken. 'Als je een schilderij wilt bekijken en het wilt begrijpen - want dat is natuurlijk wel de voorwaarde: als je het niet wilt begrijpen, kun je beter helemaal niet gaan kijken - dan moet je er de tijd voor nemen. Je moet het lezen alsof het een gedicht was: van detail tot detail. Dan volg je de intensiteit waarmee het in feite geschilderd is.' En passant houdt hij een vurig pleidooi tegen de verplichting van musea om 'blockbusters' te organiseren. Het museum, de schilderkunst en de bezoekers zijn gediend bij rust en stilte - al was het alleen al vanwege 'de schadelijke gevolgen van de menselijke scheet' voor de schilderijen, zoals onderzoek heeft uitgewezen.

Het museum is er niet om toerisme te bevorderen, stelt Fuchs eenvoudigweg. Fuchs brengt nog een aantal originele ideeën te berde die het werkelijk verdienen uitgewerkt te worden. Zo is volgens hem het verschijnsel performance ontstaan aan het begin van deze eeuw, met Malevitsj, Picasso en Duchamp, omdat in de twintigste-eeuwse kunst de kunstenaar geworden is tot een individu die als acteur moet optreden. En het idee van snelle produktie van kunst is volgens Fuchs vrij nieuw en komt voort uit het impressionisme. Ik denk dat hij gelijk heeft; en dit laatste is ook de reden waarom hedendaagse schilders geen Rembrandt na kunnen schilderen. Het zou echt prachtig zijn als deze ideeën van Fuchs niet als losse flodders in de lucht bleven hangen, zoals nu het geval is.

Tenslotte is de beste reden om dit boek te lezen het plezier dat doorklinkt in zijn woorden, het genot van het kijken naar schilderijen, en de vreugde die Fuchs beleeft aan zijn experimenten met het hangen van schilderijen. Hij houdt van ongebruikelijke combinaties, zoals destijds een landschap van Cézanne naast een gekleurde doos van Judd. Soms mislukken die experimenten, vaak zijn ze niet voldoende doordacht, maar soms ook slagen ze buitengewoon. En dit staat als een paal boven water: Fuchs kan hangen als geen ander.