De kunsterfenis van de oorlog

In de Volkskrant van 23 mei krabde Lucette ter Borg een roofje af van een oude wond in de Nederlandse samenleving. In een artikel getiteld 'Kunstwerken met een oorlogsverleden' dook ze in de wederwaardigheden van die kunstvoorwerpen die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun oorspronkelijke eigenaar kwijtraakten en na de oorlog in bezit kwamen van de Staat der Nederlanden.

Het is nog maar de vraag, zo stelt zij in het artikel, of Nederland inderdaad het eigendomsrecht bezit van een aantal van deze kunstschatten.

De objecten waar het om gaat, werden met miljoenen tegelijk door de Duitsers uit de bezette gebieden gehaald, en aan het eind van de oorlog door de geallieerden gerecupereerd. De omstandigheden waaronder de kunstwerken het land verlieten, variëren nogal. Aan de ene kant zijn er reguliere verkopen door de eigenaar voor de vraagprijs, en betaald in harde valuta, aan de andere kant was er het bezit van de vijanden van het Duitse volk, joden meestal, dat in beslag genomen werd. Daar tussenin ligt een eindeloze reeks transacties in alle tinten grijs: vrijwillige verkopen betaald in oorlogsgeld, verkopen onder de waarde, afgedwongen door bedreiging en afgestaan uit angst - of om in een goed blaadje te komen; van staatswege in beslaggenomen goederen uit verlaten panden, uit faillissementen of van banken zonder reserves; ambtshalve gepleegde diefstal door dubieuze instanties. De geallieerden kwamen overeen geen onderscheid te maken tussen al deze gradaties en eenvoudigweg aan de betroffen landen al datgene terug te sturen wat de bezetter had meegenomen.

In Nederland kregen de overlevenden tot 15 oktober 1945 de tijd om een claim in te dienen voor in beslaggenomen of verkochte eigendommen. De autoriteiten hadden de taak de teruggekomen objecten uit te zoeken aan de hand van de beschrijvingen in deze claims. Van ieder stuk waarvan men meende de oorspronkelijke eigenaar gevonden te hebben, moest deze de Stichting Nederlands Kunstbezit ervan overtuigen dat het werk in kwestie niet vrijwillig was verkocht. Dan pas kon men zijn bezit terugkrijgen. Wanneer vaststond dat er een bepaald bedrag voor was ontvangen van de Duitsers, dan moest dat geld worden terugbetaald ten bate van de Nederlandse schatkist. Wie weigerde zag zijn eigendom vervallen aan de Staat. Een onbekend aantal claims werd ontvankelijk verklaard, andere afgewezen. Het successierecht deed de rest. Alle aan het eind van dit proces overgebleven voorwerpen werden beschouwd als bezit van Nederlandse ingezetenen die zonder erfgenamen waren overleden, en daarvoor geldt dat ze rechtens aan de Staat vervallen. In 1952 hevelde het Ministerie van Financiën de kunstwerken over naar het Ministerie van Cultuur.

Van de betrokkenen zagen de meesten deze opeenvolging van stappen als fair,rechtvaardig en formeel juist. Misschien is dat ook zo. Maar toch blijft de twijfel knagen - gebrek aan goede informatie is daar misschien de oorzaak van. Er is nooit een openbare discussie geweest over mogelijke alternatieven. Had de Staat niet gewoon de bezittingen van collaborateurs en hun kliek kunnen confisqueren en die van omgekomen joden zonder erfgenamen doneren aan joodse organisaties? Was de regering misschien bang dat als ze de kunst of de tegenwaarde in geld in een of ander fonds zouden storten, ze ook de overlevenden (al waren ze niet de wettige erfgenamen) zouden moeten compenseren voor het onroerend goed, de bankrekeningen en alle andere bezittingen van geloofsgenoten die het niet hadden overleefd? En wat was daar trouwens tegen geweest? Waarom werd dit niet gedaan?

Dit is een kernvraag die nooit is beantwoord. Zelfs veel relevante feiten zijn nooit openbaar gemaakt. Geen adequate verantwoording van de besluitvorming of de gevolgde procedures werd gepubliceerd. De opeenvolging van gebeurtenissen is nooit in detail gerecapituleerd. Geen lijst van voorwerpen, geen opgave van de herkomst van de collecties, geen verslag van restitutie aan voormalige eigenaren is ooit gepubliceerd. In de praktijk komt het erop neer dat het gerecupereerde kunstbezit behandeld werd alsof het was buitgemaakt op de Duitsers in plaats van opgespoord en teruggebracht 'alleen tot bewaring van de rechten der voormalige eigenaren' (Koninklijk Besluit A1, Londen, 24 mei 1940).

Is de Staat der Nederlanden iemand iets schuldig voor de 3.709 kunstwerken,waaronder 1.492 schilderijen, die zij aan de recuperatie heeft overgehouden?

Misschien niet. Maar is er iemand die niet vindt dat zij moreel verplicht is, rekening en verantwoording af te leggen voor de wijze waarop zij in bezit is gekomen van die objecten? Zo volledig mogelijk informatie te geven over de objecten zelf en hun herkomst?

Het zou de autoriteiten van Financiën en Cultuur mooi hebben gestaan als ze dat uit zichzelf hadden gedaan, maar daar is het nu te laat voor. Gerard Aalders van het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie is bezig met een boek waarin ten minste een deel van de geschiedenis verteld zal worden en het Instituut Collectie Nederland dringt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aan op het laten doen van een eigen onderzoek. Een prijzenswaardig initiatief. Een niet-afgedwongen publicatie van deze materie loopt, zoals het er nu voorstaat, achter de feiten aan. De druk is op de ketel. De pers is er op gedoken. Het Joodse Wereld Congres wil weten hoe het zit met het niet-teruggegeven bezit van joodse Nederlanders. Kamervragen zijn gesteld.

Voordat deze wond geheeld kan worden zal er heel de hele pijnlijke erfenis opnieuw doorgewerkt moeten worden.