Code over geweld op televisie gaat voorbij aan kijkgedrag

De gedragscode, die op verzoek van staatssecretaris Nuis voor de publieke omroep is gemaakt, beschermt de jeugd niet tegen nadelige invloeden van televisieprogramma's, meent T.H.A. van der Voort.

Als staatssecretaris Nuis (Cultuur) er niet om had gevraagd, was de gedragscode die de publieke omroep heeft opgesteld om de jeugdige kijker tegen mogelijke nadelige invloeden van televisieprogramma's te beschermen er vermoedelijk niet gekomen. Want in de ogen van het NOS-bestuur is zo'n gedragscode voor de publieke omroep nauwelijks nodig. Ook zonder code streeft de publieke omroep er immers reeds uitdrukkelijk naar de jeugd pedagogisch verantwoorde en zorgvuldig samengestelde programma's te bieden. En in het aanbod voor volwassenen worden onnodig en bovenmatig schokkende beelden zoveel mogelijk vermeden.

Sinds Veronica het publieke nest heeft verlaten en de TROS, na zijn besluit om 'publiek' te blijven, zijn actieseries voor de jeugd heeft ingeruild voor nette kinderprogramma's, lijkt het jeugdaanbod van de publieke zenders inderdaad weinig elementen te bevatten waartegen de jeugd beschermd moet worden.

Zo gezien is het niet zo erg dat de voorgestelde gedragscode nauwelijks garanties biedt dat de jeugd adequaat tegen de nadelige invloeden van televisieprogramma's beschermd wordt. Maar omdat de meeste programma's die kinderen zien voor volwassenen zijn bestemd, heeft het zin aan te geven op welke punten de code verbetering behoeft, te meer daar de NOS claimt dat de code ook bruikbaar is voor de commerciële omroep.

De code schrijft voor dat programma's die ongeschikt worden geacht voor kinderen beneden de 12 en 16 jaar niet vóór respectievelijk 20.00 en 21.00 uur mogen worden uitgezonden. Dit voorschrift is ontleend aan artikel 53 (Mediawet), dat is opgesteld zonder dat is nagegaan op welke tijden kinderen naar bed gaan. De Duitse en de Franse wetgever hebben wat beter rondgekeken. Daar mogen programma's “voor 16 jaar en ouder” niet voor 22.00, respectievelijk 22.30 uur worden uitgezonden.

Dat kinderen van 12 tot 16 jaar om 21.00 uur nog niet in bed liggen, weet inmiddels ook staatssecretaris Nuis, die heeft voorgesteld om het tijdstip waarop programma's voor 16 jaar en ouder mogen worden vertoond, te verschuiven van 21.00 naar 22.00 uur. Hij heeft echter verzuimd een voorstel te doen om ook de geldende regel voor programma's die ongeschikt zijn voor kinderen jonger dan 12 jaar aan te passen. Voor deze leeftijdsgroep lijkt een verschuiving van het vroegste uitzendtijdstip van 20.00 naar 21.00 uur op zijn plaats. Geheel afdoende is die verandering overigens niet, want in het weekend gaan veel oudere lagere-schoolkinderen aanzienlijk later naar bed.

De gedragscode kent drie leeftijdscategorieën: alle leeftijden, boven de 12 jaar en boven de 16 jaar. Er zijn echter vele onderzoeken die uitwijzen dat peuters en kleuters heel anders op televisieprogramma's reageren dan lagere-schoolkinderen. In verschillende Europese landen heeft dat geleid tot de invoering van een nieuwe leeftijdscategorie van 7 jaar en ouder. Het verdient aanbeveling dat de omroep, evenals de Nederlandse film- en videokeuring, ook deze nieuwe leeftijdscategorie gaat hanteren.

Ook de criteria die de publieke omroep bij de leeftijdsclassificatie van programma's in aanmerking wil nemen, zijn voor verbetering vatbaar. Een gemis is dat het criterium 'angstaanjagende scènes',dat bijna overal elders in de wereld bij de classificatie van films wordt gehanteerd, ontbreekt. Het gaat hier om een filmeffect dat ondubbelzinnig is aangetoond, en dat door de meeste ouders als een ernstiger probleem wordt gezien dan de invloed van geweldfilms op agressie.

Merkwaardig is ook dat het criterium geweld wordt ingeperkt tot 'brutaliserend geweld', onder uitsluiting van functioneel geweld. Deze inperking is in strijd met het uit onderzoek gebleken gegeven dat functioneel geweld, dat meestal door de goede partij wordt gehanteerd, door kinderen het gemakkelijkst wordt nagevolgd. Daarentegen is het criterium 'discriminatie' (beelden die discriminerende en / of racistische uitingen bevatten) wel erg breed opgevat. In de huidige ongeclausuleerde formulering zijn zelfs programma's waarin racistische uitingen aan de kaak worden gesteld niet voor kinderogen bestemd. Daarnaast geldt in het algemeen dat de criteria in de huidige, onuitgewerkte vorm een onvoldoende grondslag vormen voor een weloverwogen leeftijdsclassificatie.

De voorlichting aan het publiek laat veel te wensen over. Alleen bij bioscoopfilms krijgt het publiek iets over de leeftijdsclassificatie te horen. Bij de overige programma's die ongeschikt voor jeugdige kijkers zijn bevonden, wordt hierover alleen iets meegedeeld wanneer deze programma's, tegen de gedragscode in, te vroeg worden uitgezonden. Als zulke programma's om 20.00 of 21.00 uur aanvangen, zo lijkt de redenering, hoeft er immers niet gewaarschuwd te worden, want dan ligt de Nederlandse jeugd al in bed.

Het achterwege laten van mededelingen over de keuringsuitslag bij programma's die ongeschikt geacht worden voor jeugdige kijkers, is overigens in strijd met de Mediawet, die bepaalt dat van ongeschiktheid direct vóór aanvang van de uitzending mededeling wordt gedaan. Indien een programma een minuut te laat wordt aangezet, blijft de kijker eveneens in het ongewisse of het ongeschikt is voor jeugdige kijkers. De programmagids biedt dan geen uitkomst. Want op de vraag of het noodzakelijk is om de leeftijdsaanduiding in de programmagids op te nemen, moeten de zendgemachtigden nog studeren.

Een goede voorlichting aan het publiek zou zich ook niet moeten beperken tot het aangeven van een leeftijdsclassificatie. Recente Amerikaanse studies suggereren dat een hoge leeftijdsindicatie de wens om de film te zien bij kinderen (althans bij jongens) alleen maar doet toenemen. Een dergelijk 'verboden vrucht-effect' zou zich niet of in mindere mate voordoen indien inhoudelijke productinformatie wordt gegeven.

De uitvoering van de keuring laat de code over aan de onderscheiden zendgemachtigden. Hiermee wordt de programmadirecteur van elke afzonderlijke omroep belast, die dit weer aan iemand anders kan delegeren. Over de expertise van de personen die met deze keuring worden belast, wordt niet gesproken. Dat geldt eveneens voor de inconsistentie in de oordeelsvorming die kan ontstaan als binnen elke omroep één persoon de classificatie verricht.

Het gekozen systeem heeft veel gemeen met de videokeuring in Nederland, die eveneens is overgelaten aan een medewerker van de firma die de videoband verspreidt. In het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, waar net als in de Nederlandse plannen de film- en videokeuring aan de branche zelf wordt overgelaten, is dit beter geregeld. Daar wordt de keuring verricht door een daartoe ingesteld instituut dat in commissieverband de classificatie uitvoert.

In de concept-gedragscode wordt de controle op naleving uitgeoefend door een Commissie van Toezicht, waarin de coördinatoren van de drie publieke netten zitting hebben. Daarmee neemt een interne commissie het toezicht over van het Commissariaat van de Media, een extern instituut dat forse boetes kan opleggen.

De sancties die de Commissie van Toezicht kan opleggen zullen de zendgemachtigden weinig schrik inboezemen. De maximale boete is 5.000 gulden. En dat geld krijgt men via een omweg terug, want de geïncasseerde bedragen komen ten goede aan “de programmaversterking van de zendgemachtigden”.